Handleiding

Kabeltracés en kabellengtes: hoe bepaal je de lengte van een leiding in je elektrisch plan?

Meet het traject, niet de vogelvlucht: installatiezones volgens AREI 5.2.9.10, plaatsingswijze, deelstukken aan verbindingsdozen, marges uit de vakpraktijk en wanneer het AREI de lengte in het schema eist.

Gepubliceerd op 31 augustus 2026 Bijgewerkt op 5 oktober 2026 12 min

Hoe bepaal je de lengte van een leiding in je elektrisch plan?

Meet het traject dat de kabel werkelijk aflegt, niet de vogelvlucht: horizontaal langs de muren binnen de installatiezones, verticaal naar het toestel toe, met de omwegen rond deuren en ramen en met de marge in het bord en in de doos. De rechte lijn is geen ruwe schatting van dat traject, maar een ondergrens. In het voorbeeld verderop is het echte traject 68 % langer.

Elektriciens bepalen een kabeltracé ter plaatse.

De lengte is de invoerwaarde van de spanningsval en daarmee een criterium bij de keuze van de doorsnede (onderafdeling 5.2.1.2. punt b.), en ze is de meeteenheid van je materiaalcalculatie. Een gegokte lengte maakt beide berekeningen waardeloos, zonder dat iemand het merkt.

Deel van het trajectWaardoor het bepaald wordtWaar de waarde vandaan komt
Horizontaal traject langs de murenGrondplan en het toegelaten plaatsingsgabaritmeetbaar op plan
Verticaal stuk tussen gabarit en toestelInbouwhoogte van het toestel ten opzichte van de horizontale baaninbouwhoogte min hoogte van de baan
Verticaal stuk naar de volgende bouwlaagVerdiepingshoogte en ligging van de stijgwegbouwplan, doorsnede
Omweg rond deuren, ramen en muuropeningenonderafdeling 5.2.9.10. punt b.meetbaar op plan
Ingegraven traject naar het bijgebouwSleufverloop plus één afdaling en één opgang tot op diepteminimum 0,60 m volgens onderafdeling 5.2.9.2. punt a.
Marge aan het klempunt in het bordKlemligging, bedrading, latere wijzigbaarheidbedrijfsafspraak — geen norm
Marge in de doos, schakelaar of toestelAansluitwijze en plaats in de behuizingbedrijfsafspraak — geen norm

De twee laatste regels staan er bewust zo: het AREI noemt voor marges en reservelengtes geen enkele waarde. Waarom je toch een marge nodig hebt, staat verderop.

Waarom is de vogelvlucht systematisch te kort?

Omdat een verzonken leiding niet diagonaal mag lopen. Onderafdeling 5.2.9.10. punt b. bindt elektrische leidingen die zonder buis in de muren van lokalen verzonken worden aan een vast gabarit:

  • Het traject volgt alleen horizontale en verticale wegen; horizontale wegen in een plafond staan haaks op de verticale wanden.
  • Horizontale trajecten bevinden zich op 25 à 35 cm van de vloer of van het plafond, en eveneens op 25 à 35 cm boven de onderkant van de bovendrempel van het raam, voor zover ze dan minstens 25 cm onder het plafond blijven.
  • Verticale trajecten liggen zo dicht mogelijk in een hoek van het lokaal, of op 10 à 20 cm van de lijsten of kozijnen van de deuren.
  • Plaatsing buiten dit gabarit gebeurt verticaal ten opzichte van een zichtbaar toestel.
  • De dekkende bepleistering is niet dunner dan 0,4 cm.

Het gabarit heeft een veiligheidsdoel — wie later boort, moet weten waar niets zit — en een neveneffect op de lengte: elke diagonaal wordt een trap van een horizontaal en een verticaal stuk, en elke deuropening dwingt een boog erboven of eronder af.

Een doorgerekend voorbeeld. Een schakelaar ligt in de tegenoverliggende hoek van een ruimte van 4,8 × 3,6 m, dus 6,0 m in vogelvlucht van het bord. Langs de muren is dat 4,8 m plus 3,6 m, dus 8,4 m. De horizontale baan ligt 30 cm boven de vloer. Daar komt de afdaling bij van het klempunt in het bord naar die baan, zeg 0,9 m, en de opgang van de baan naar de schakelaarhoogte van 110 cm, dus 0,8 m. Samen 10,1 m — 68 % meer dan de rechte lijn, en dat zonder enige marge.

Bij een stopcontact valt die laatste stap bijna weg: ligt de horizontale baan op 25 à 35 cm van de vloer en het stopcontact op 30 cm, dan is de verticale afdaling nagenoeg nul. Bekijk schakelaars en stopcontacten daarom apart in plaats van één forfaitair percentage op alles te leggen.

Wat betekent de plaatsingswijze voor de lengte?

Ze bepaalt of het gabarit überhaupt geldt en welke meetkundige dwang er bijkomt.

PlaatsingswijzeGevolg voor het tracéVindplaats
Verzonken zonder buis, in murenGebonden aan het gabarit; bepleistering ≥ 0,4 cm5.2.9.10. punt b.
Verzonken in beton of cementDekking ≥ 3 cm; het tracé volgt bekisting en wapening, niet de kortste lijn5.2.9.10. punt a.
Verzonken in buisHet gabarit van 5.2.9.10 b geldt naar de letter niet; wel minimum buigstralen en de plicht om geleiders altijd te kunnen intrekken en verwijderen5.2.9.3. punt e.
Opbouw, kabelgoot, kabelbaanVrijer tracé, maar trekkrachten door het eigen gewicht mogen bij verticale stukken niet op de klemmen werken5.2.9.5., 5.2.9.6.
Onder lijsten en plintenHet tracé volgt de plint, dus feitelijk de omtrek van het lokaal5.2.9.4.
IngegravenMinstens 0,60 m diep, behalve bij technische onmogelijkheid ⇒ twee verticale stukken bovenop de sleuflengte5.2.9.2. punt a.
Zeer lage spanning (ZLS)Punt b. van 5.2.9.10 is uitdrukkelijk uitgesloten — bel- en SELV-leidingen zijn niet aan het gabarit gebonden5.2.9.15. punt b.

De buigstralen voor ter plaatse gebogen buizen zijn concreet: niet kleiner dan tien keer de buitendiameter bij metalen buizen, acht keer bij soepele thermoplastische en vijf keer bij stijve thermoplastische buizen (onderafdeling 5.2.9.3. punt e.). Bij een buis van 25 mm is dat 12,5 tot 25 cm straal per hoek. In een woning met een tiental richtingsveranderingen per stroombaan telt dat aan.

Welke plaatsingswijze wanneer past, staat in Preflex of vrije bedrading; de kabeltypes zelf in XVB of VOB.

Tel je de enkele afstand of heen en terug?

De enkele afstand, van het bord tot de verbruiker. De terugleider zit in de formule, niet in de invoer: eenfasig staat daar factor 2, driefasig factor √3. Vul je de dubbele lengte in, dan tel je de terugleider twee keer en kies je de doorsnede onnodig groot.

Het criterium zelf staat niet als getal in het AREI. Afdeling 5.2.5. — in het Nederlands „Spanningsval”, in het Frans „Chute de tension”, in het Duits „Spannungsänderung” — vraagt enkel de spanningsval te beperken tot de waarden beschreven in de regels van goed vakmanschap. De courante 3 % voor verlichting en 5 % voor andere eindkringen zijn een invulling volgens IEC/NBN HD 60364-5-52. Rekenwijze, netvormen en voorbeelden staan in Spanningsval berekenen; de koppeling doorsnede–beveiliging in Kabeldoorsnede per automaat.

Hoe tel je een leiding die aan een verbindingsdoos gesplitst is?

Fysiek zijn het meerdere kabels, elektrisch is het één pad. Voor de spanningsval telt de som over het volledige traject van de bovenliggende beveiliging tot de verbruiker, niet het langste losse segment. Drie deelstukken van elk 12 m geven 36 m, en wie alleen het laatste stuk rekent, onderschat het resultaat met twee derde.

Waarom de opsplitsing tóch in het model moet staan:

  • Elk deelstuk kan een eigen doorsnede en een eigen plaatsingswijze hebben. Beide horen voor huishoudelijke installaties in het eendraadschema (onderafdeling 3.1.2.2. punt a.), en beide wegen anders door in de berekening.
  • Verbindings- en aftakdozen zijn zelf verplichte schema-inhoud en moeten daarnaast met hun ligging op het situatieplan verschijnen (onderafdeling 3.1.2.3. punt a.).
  • Verbindingen mogen enkel op welbepaalde plaatsen liggen: in borden, in verbindings- of aftakdozen, op klemmen van schakelaars en stopcontacten, of in voldoende ruime plafonddozen (onderafdeling 5.2.6.1.). Een las midden in de muur is geen tracékeuze maar een inbreuk.
  • Bij verzonken buisinstallaties geldt bovendien: in verbindings-, aftak- en trekdozen blijven geleiders en kabels toegankelijk, en T-stukken en bochten zijn verboden (onderafdeling 5.2.9.3. punt i.2.). De doos is dus ook meetkundig een routepunt en geen loutere klemplaats.

Welke marges en reservelengtes zijn gebruikelijk — en wat zegt het AREI daarover?

Over de grootte van een marge zegt het AREI niets. Noch afdeling 5.2.5., noch afdeling 5.2.9., noch de documentatievoorschriften in afdeling 3.1.2. noemen een percentage, een reservelengte of een snijverliesfactor. Elk getal dat je daarvoor gebruikt, is een afspraak van je bedrijf — en hoort ook zo in je rekenblad te staan.

Het reglement legt wel de voorwaarden vast waaruit een marge volgt:

  • Aansluitingen op toestellen mogen niet aan trek- en draaikrachten onderworpen worden (onderafdeling 5.2.6.2. punt b.).
  • Bij verticale stukken mogen trekkrachten door het eigen gewicht van de leidingen niet op de aansluitklemmen werken (onderafdeling 5.2.9.5.).
  • In buizen moet het altijd mogelijk blijven geleiders of kabels in te trekken of te verwijderen (onderafdeling 5.2.9.3. punt e.). Een buistracé op de millimeter berekend maakt precies dat onmogelijk.
  • In dozen blijven de geleiders toegankelijk (onderafdeling 5.2.9.3. punt i.2.) — wat zonder een lus in de behuizing niet lukt.

Praktisch betekent dat: de marge is geen veiligheidsbuffer op een onzekere berekening, maar een materiaalpost met een doel. Leg je ze forfaitair als percentage op de totale lengte, dan documenteer je percentage, herkomst en de planstand waarvoor het geldt. Een waarde zonder herkomst is bij de volgende planstand niet meer navolgbaar en verhuist stilzwijgend naar offertes.

Moet de kabellengte op het eendraadschema staan?

Hier onderscheidt het AREI twee gevallen, en dat onderscheid wordt vaak over het hoofd gezien.

Document en soort installatieGevraagde gegevens over de leidingLengte vereist?Vindplaats
Eendraadschema, huishoudelijke installatieType, doorsnede, aantal geleiders, plaatsingswijzenee3.1.2.2. punt a.
Stroombaanschema, niet-huishoudelijke installatiePlaatsingswijze, aard, aantal en doorsnede van de geleiders en de lengte van de elektrische leidingenja3.1.2.2. punt b.
Gemeenschappelijke delen van een woongebouwMag zich beperken tot de voorschriften voor huishoudelijke installatiesnee3.1.2.1. punt e.
Situatieplan, huishoudelijke installatieDe ligging van borden, verbindings- en aftakdozen, stopcontacten, lichtpunten, schakelaars, vaste toestellen en bronnennee — ligging, geen lengte3.1.2.3. punt a.

In de woningbouw is de lengte dus een ontwerpgegeven, geen tekenverplichting. Net dat maakt haar riskant: omdat ze nergens op het schema hoeft te staan, controleert niemand ze — terwijl de doorsnede die eruit volgt wél op het schema staat en wél gecontroleerd wordt. Wie de lengte niet vastlegt, kan achteraf niet meer verantwoorden waarom er ergens 2,5 mm² en elders 4 mm² gekozen is.

Bij een niet-huishoudelijke installatie is het eenduidig: zonder lengteopgave is het stroombaanschema onvolledig.

Van lengte naar materiaallijst en prijs

Via twee afzonderlijke uitvoeren die dezelfde opgeloste lengte gebruiken.

De kabellijst geeft per kabel één regel: type, aantal aders, doorsnede, lengte, Van en Naar, de plaatsingswijzen langs het tracé en de CPR-brandklasse; daarnaast stroom, spanningsval in volt en procent, eindspanning en de toegepaste limiet. Ontbreekt een lengte, dan blijft de regel zonder getal in plaats van met een geschatte waarde.

De materiaallijst bundelt dezelfde kabels per uitvoering en geeft ze in meter; is er een meterprijs, dan volgt daaruit de post. Twee zaken horen daar uitdrukkelijk bij:

  • De opgegeven lengtes zijn nettolengtes uit het model; snijverlies en installatiereserves zijn niet meegerekend. De marge uit de vorige paragraaf zit er dus nog niet in.
  • Een stroomkring zonder kabeltracé verdwijnt niet, maar verschijnt met 0 m en de vermelding „Tracé ontbreekt”. Een materiaallijst die voor een hele woning verdacht krap oogt, heeft meestal net die regels.

Het projectoverzicht maakt hetzelfde onderscheid: het toont ofwel een volledige totaallengte, ofwel een met „≥” gemarkeerd subtotaal met het aantal ontbrekende lengtes, ofwel helemaal geen getal. Een werkelijke totaallengte van 0 m en een onbekende lengte zijn twee verschillende toestanden.

Hoe legt PlanElec het tracé automatisch, en waar blijven routepunten nodig?

In het situatieplan onder Koppelen en leidingen → Kabelroute. Bestaan er kabels in de topologie, dan bekabel je de actieve bouwlaag in één keer of een geselecteerde leiding afzonderlijk.

Het algoritme zoekt het kortste pad langs de getekende muren, niet dwars door het lokaal: begin- en eindpunt worden op de dichtstbijzijnde muurzijde geprojecteerd, daarna loopt een kortstepadzoektocht over de muurknopen. Is er geen muurpad — bijvoorbeeld omdat het grondplan daar onderbroken is — dan valt de route terug op de rechte lijn. De opgegeven lengte volgt exact de zichtbare polylijn; bewust schuine muursegmenten worden niet kunstmatig naar een orthogonale maat verlengd.

Om bij te werken selecteer je een kabellijn: een klik op een stuk voegt een routepunt in en start het verslepen, een dubbelklik verwijdert het. Een versleept routepunt wordt pas bij het loslaten bewaard en kun je in één stap ongedaan maken. Bij het heropbouwen van een stroomkring blijven kabelgegevens, handmatige lengte en het bewaarde tracé behouden.

Vier punten die je moet kennen:

  • Het automatische tracé is tweedimensionaal. Het ligt in het vlak van de bouwlaag; hoogteverschillen binnen één verdieping — de opgang naar het gabarit, de afdaling naar de schakelaar — tellen niet mee in de lengte. Daar zijn routepunten voor, of de handmatige lengte.
  • Tussen bouwlagen kies je uitdrukkelijk een bestaande trap, schacht of stijgweg. PlanElec verzint geen verticale verbinding. Ontbreekt die of ontbreken betrouwbare hoogtes, dan blijft de route onvolledig in plaats van een schijnbare lengte te geven. Bestaat de verbinding wel, dan telt het hoogteverschil mee.
  • De handmatige lengte heeft voorrang op de berekende route. Dat is de bewuste uitweg voor opgemeten afstanden — en meteen de plek waar een oude waarde ongemerkt kan blijven staan als het tracé later wijzigt.
  • Het muurtracé is een aanname over de uitvoering, geen vaststelling. Of de kabel in het gabarit, in buis of in opbouw ligt, bepaalt de plaatsingswijze die je per deelstuk instelt — niet de router.

De bediening stap voor stap staat in de handleiding Schakelketens, stroomkringen en kabelroutes. Welk schakelaartype aan het einde van de keten staat, behandelt Wisselschakelaar, kruisschakelaar of serieschakelaar.

Wat de zelfcontrole over lengte berekent en wat ter plaatse blijft

De zelfcontrole beoordeelt de ondersteunde regels aan de hand van de ingevoerde gegevens. Concreet over lengte:

  • Spanningsval bij een volledig pad: ze berekent de spanningsval over het hele traject van beveiliging tot verbruiker. Ontbreekt de lengte van een deelstuk of is het pad niet doorlopend terug te volgen, dan meldt ze een datagat in plaats van een resultaat. Een waarde uit deelgegevens zou systematisch te gunstig uitvallen.
  • Duidelijke aannames: 80 % van de nominale stroom van de bovenliggende beveiliging als lastgeval, cos φ 0,95, koper en een weerstandsmodel zonder reactantie en temperatuurcorrectie.
  • Richtwaarden 3 % en 5 %: ze volgen de invulling volgens IEC/NBN HD 60364-5-52; afdeling 5.2.5. verwijst naar de regels van goed vakmanschap.
  • Tracé en uitvoering: of het getekende tracé overeenstemt met de plaatsing, het gabarit van 5.2.9.10. punt b. gerespecteerd is en er marge voorzien is, blijkt op de werf, niet uit de tekening.
  • Stroombelastbaarheid: plaatsingswijze, bundeling en omgevingstemperatuur volgens onderafdeling 4.4.1.4. beoordeelt het ontwerp; tabel 4.11. begrenst enkel de beveiliging per doorsnede.

Metingen en de officiële beoordeling doet het erkend organisme.

Verder lezen

PlanElec openen en kabeltracés leggen →

Reglementaire basis: AREI/RGIE Boek 1 V06 — onderafdelingen 3.1.2.1., 3.1.2.2., 3.1.2.3., 4.4.1.4. met tabel 4.11., 5.2.1.2., 5.2.6.1., 5.2.6.2., 5.2.9.2., 5.2.9.3., 5.2.9.4., 5.2.9.5., 5.2.9.6., 5.2.9.10. en 5.2.9.15., en afdeling 5.2.5. Officiële tekst: FOD Economie.