Tutorial

Eendraadschema voor nieuwbouw: betrouwbare AREI-checklist

Van aansluiting en beveiligingen tot kabelgegevens en dezelfde versie van het situatieplan: een praktische nieuwbouwchecklist volgens AREI Boek 1 V06.

Gepubliceerd op 29 augustus 2026 11 min

Doel: het uitgevoerde systeem documenteren

Voor een nieuwe huishoudelijke installatie stelt de verantwoordelijke voor de uitvoering een eendraadschema en situatieplan op. Het eendraadschema is geen voorlopig ontwerp dat na de werf ongewijzigd mag blijven. Vóór de gelijkvormigheidscontrole moet het de werkelijk geplaatste borden, beveiligingen, leidingen, kringen, verbruikers en bronnen weergeven.

Deze checklist steunt op AREI Boek 1 V06 en richt zich op het gebruikelijke AC-systeem. De sinds 1 april 2026 opgenomen regels voor geaarde DC-systemen zijn een afzonderlijk vakgebied; AC-geleiderrollen of symbolen mogen niet zomaar worden gekopieerd.

1. Geef de documentenset een identiteit

Neem vóór het tekenen op:

  • documentnummer, versie en versiedatum;
  • adres van de installatie;
  • naam en hoedanigheid van de verantwoordelijke voor de uitvoering;
  • btw-nummer indien van toepassing;
  • velden voor datum en handtekening;
  • spanning en aard van de stroom op het eendraadschema.

Eendraadschema en situatieplan dragen dezelfde versie. Een bestandsnaam of exportdatum alleen is onvoldoende wanneer pagina's worden afgedrukt of samengevoegd. Een werkversie mag ook geen vooraf ingevulde goedkeuring of claim “AREI-conform” bevatten. Visering ontstaat pas in de echte controleprocedure.

2. Leg de voeding vast

Begin met aansluitgegevens en uitvoering, niet met een sjabloon:

  • een- of driefasig;
  • nominale spanning en AC/DC;
  • aanwezigheid van nul- en beschermingsgeleider;
  • meter- en aansluitopbouw;
  • aansluitbeveiliging en hoofdlastscheider;
  • aardings- en netconcept waar dit voor de bescherming nodig is;
  • bijkomende bronnen, omvormers of transformatoren.

Een Belgisch net is niet aan een gewone wandcontactdoos als 3×400 V+N of 3×230 V te herkennen. Een fout uitgangspunt beïnvloedt poolaantal, nulgeleider, RCD-aansluiting en belastingen. Vergelijk contract, bord en metingen.

3. Teken de volledige beveiligingsketen

Neem hoofd- en onderverdelers met hun voedingen op. Elke eindstroombaan moet vanaf het voedingspunt traceerbaar zijn. Noteer waar van toepassing:

  • hoofdschakelaar en voorbeveiliging;
  • differentieels met type, aanspreekstroom, nominale stroom en relevante tijdkarakteristiek;
  • smeltzekeringen of automaten met kaliber en karakteristiek;
  • koppelingen en onderverdelers die de structuur verklaren;
  • reserveautomaten als reserve, zonder denkbeeldige kabel of verbruiker;
  • een eenduidige naam voor elk bord en vertrek.

De combinatie 300 en 30 mA bewijst geen selectiviteit. Golfvormklasse, verhoogde immuniteit en tijdvertraging zijn verschillende eigenschappen. Kortsluitvoorwaarden, uitschakeltijd en fabrikantcoördinatie worden afzonderlijk beoordeeld.

4. Geef elke eindstroombaan een stabiele referentie

Elke elementaire kring krijgt een hoofdletter. Lichtpunten, contactdozen en sturingseenheden worden vanaf de voorliggende overstroombeveiliging genummerd. Gebruik dezelfde code op bordlabel en situatieplan.

Controleer per vertrek:

  • functie en aangesloten lasten;
  • licht-, stopcontact-, gemengde of toegewezen toestelkring;
  • vaste toestellen en eventuele verbindings-/aftakdozen;
  • toegewezen differentieel;
  • overeenstemming tussen bord, eendraadschema en situatieplan.

“Keuken” is geen voldoende onderscheid wanneer verlichting, werkstopcontacten, vaatwasser en kookplaat verschillende kringen hebben.

5. Voeg alle leidinggegevens toe

Boek 1 vraagt type, doorsnede, aantal geleiders en plaatsingswijze. Leg ze vast per relevant segment. Na een aftakdoos kunnen kabel of plaatsing veranderen; één algemene kabeltekst aan het begin mag dat niet verbergen.

De onderliggende berekening blijft ruimer dan het schema. Beoordeel belasting, beveiligingskaliber en stroombelastbaarheid, plaatsing en groepering, omgevingstemperatuur, lengte en spanningsval, kortsluit-/foutlusvoorwaarden, minimumdoorsneden en PE-opbouw. Tabel 4.11 geeft huishoudelijke plafonds voor koper, geen universele kabelberekening.

Een keurig label XVB 3G2,5 is nutteloos als op de werf een andere leiding ligt. Verifieer waar het materiaal nog zichtbaar of uit uitvoeringsgegevens aantoonbaar is.

6. Neem aansluitpunten en sturing op

Het schema bevat contactdozen, lichtpunten, schakelaars, verbindings- en aftakdozen en vaste machines of toestellen. Gebruik Tabel 2.23. Ontbreekt een officieel teken, gebruik dan een ondubbelzinnig symbool dat in de legende is gedefinieerd.

Maak relevante verschillen zichtbaar: enkel of meervoudig stopcontact, aardingscontact, geschakeld of data, lichtpunt en schakelfunctie, drukknop/relais/detector/domotica, vast toestel of algemene contactdooslast, verbindings- of aftakdoos. Een algemeen apparaatteken met duidelijke tekst is beter dan een niet-verklaard decoratief icoon.

7. Bronnen en bijzondere delen

PV, omvormer, batterij, generator en transformator worden in de elektrische structuur opgenomen. Broneigenschappen staan op het eendraadschema of in het dossier. Voor huishoudelijke laagspannings-PV vraagt afdeling 9.1.2 bovendien bedienings- en onderhoudsinstructies, veiligheidsinformatie en technische referenties van het geïnstalleerde materiaal.

Een enkel paneelsymbool bij het bord beschrijft aansluiting en beveiliging niet. Leg vast welke bron kan leveren, waar zij koppelt en welke componenten ertussen zitten. Raad niet of een batterij naar het net kan exporteren. Veiligheids- of kritische installaties kunnen bijkomende lijsten en plannen vereisen en worden duidelijk geïdentificeerd.

8. Houd het situatieplan synchroon

Plaats elke weergegeven verdeler, doos, contactdoos, lamp, sturing, vaste machine en bron op het situatieplan met dezelfde referentie. Controleer in beide richtingen:

  1. elk element van het eendraadschema terugvinden op het grondplan;
  2. elk plansymbool terugvinden op het eendraadschema;
  3. letter en nummer vergelijken;
  4. verdieping, ruimte en bordtoewijzing bevestigen;
  5. verborgen dozen en buitenelementen niet vergeten.

Een onbekende kabelroute wordt niet verzonnen. Het situatieplan lokaliseert de vereiste elementen; extra kabel- of aardingsplannen worden alleen met betrouwbare gegevens opgesteld.

9. Bevries de werkelijke toestand vóór de controle

De nieuwe installatie wordt vóór ingebruikname aan de gelijkvormigheidscontrole onderworpen. Het erkende organisme vergelijkt de uitvoering met beide plannen en voert controles en metingen uit, waaronder aardingsweerstand, isolatie, continuïteit en de samenhang van beveiligingen.

Doe vlak vóór de afspraak een werfvergelijking:

  • ander type of kaliber automaat/RCD geplaatst?
  • kabeltype of doorsnede gewijzigd?
  • contactdoos, lamp of doos toegevoegd?
  • kring naar een andere differentieel verhuisd?
  • bordlabels en referenties identiek?
  • alle pagina's van dezelfde versie?

Werk installatie en documenten samen bij. Een technisch probleem mag niet alleen grafisch worden weggepoetst.

10. Bewaar dossier en versies

Het huishoudelijke dossier bevat naast de twee plannen ook controleverslagen en, waar van toepassing, bewijsstukken en wijzigingsdocumenten. De eigenaar bewaart het in twee exemplaren en draagt het over aan een nieuwe eigenaar.

Na de controle blijven wijzigingen traceerbaar. Belangrijke werken vragen aangepaste plannen; niet-belangrijke wijzigingen worden volgens de AREI-regels beschreven en het situatieplan blijft actueel. Bewaar de geviseerde versie en latere versies apart.

Leg ook vast welke uitvoeringsdocumenten de getekende waarden ondersteunen, bijvoorbeeld kabel- en toestelgegevens. Een foto of factuur kan de herkomst verduidelijken, maar vervangt geen verplicht schema, plan of keuringsverslag.

Eindcheck

  • identiteit, versie, adres en verantwoordelijke volledig
  • spanning, stroomsoort en aansluiting juist
  • alle borden, beveiligingen en bronnen opgenomen
  • elke eindstroombaan uniek aangeduid
  • kabeltype, doorsnede, geleiders en plaatsing vermeld
  • contactdozen, lichtpunten, dozen, schakelaars en vaste toestellen aanwezig
  • officiële symbolen of duidelijke legende gebruikt
  • referenties gelijk aan bord en situatieplan
  • werfwijzigingen verwerkt
  • PV- en bijzondere stukken toegevoegd
  • berekeningen en metingen buiten het schema uitgevoerd

Ontwerp, werfwijzigingen en ingebruikname afstemmen

Een nieuwbouw wijzigt bijna altijd tussen offerte en ingebruikname. Houd daarom een open afwijkingenlijst bij met geplande referentie, werkelijk uitgevoerde aanpassing, verantwoordelijke beslissing, betrokken plannen en ontbrekend bewijs. Een verplaatst bord, extra buitencontactdoos, gewijzigd vermogen van de warmtepomp of laat toegevoegde PV-omvormer zijn typische voorbeelden. Het ontwerpschema wordt pas een as-built schema wanneer elke regel opgelost of uitdrukkelijk als niet uitgevoerd gemarkeerd is.

Loop daarna met etiketten en meetdocumenten door de installatie. Schakel kringen niet alleen op basis van veronderstelde lokaalnamen. Vergelijk de echte bordmarkering met de referentie op het schema en het punt op het situatieplan. Wanneer geleiders, beveiligingen of instellingen tijdens de ingebruikname veranderen, moet de documentatie achteraf mee wijzigen. Een vroeg geëxporteerde pdf is geen betrouwbare eindversie omdat de pagina er afgewerkt uitziet.

Voorbeeldcontrole van één nieuwe eindstroombaan

Voor een vast aangesloten droogkast volstaat “wasplaats” niet. Het dossier laat zien uit welk bord en achter welke beveiligingsketen de kring vertrekt, welke vaste referentie ze draagt, welk leidingsysteem met hoeveel geleiders en welke doorsnede werd gebruikt en welk toestel aan het einde staat. Dezelfde referentie staat op de echte aansluitplaats in het situatieplan. Handleiding, toestelwaarden en vereiste instellingen worden afzonderlijk als technische documentatie bewaard.

Controleer daarna de raakvlakken. Is het traject van de beschermingsgeleider traceerbaar? Komt de echte aansluitwijze overeen met de tekening? Werd een apart ontworpen traject op de werf toch gedeeld? Ontbreekt een aftakdoos op het schema? Zulke vragen voorkomen dat formeel volledige bladen een verouderde ontwerpstaat vastleggen.

Draag een beheerste documentenset over

Identificeer de einduitgave duidelijk met project, adres, revisie en exportdatum. Bundel eendraadschema, situatieplan, keuringsverslag en relevante technische documenten in een geordend dossier. Houd werkversies en vervangen revisies apart en zichtbaar historisch. De eigenaar moet weten welke bestanden actueel zijn en dat latere wijzigingen opnieuw moeten worden gedocumenteerd.

Voeg een korte bladindex toe zodra de set uit meerdere pagina's bestaat. Vermeld per blad onderwerp en revisie en controleer of alle vervolgverwijzingen bestaan. Daardoor kan een oud detailblad niet ongemerkt tussen actuele documenten blijven zitten en is bij een volgende uitbreiding meteen duidelijk welke delen opnieuw moeten worden beoordeeld.

Sluit de oplevermap niet zolang onbekende toestelwaarden of onduidelijke kringtoewijzingen als gewone tekst zijn ingevuld. Gebruik een zichtbare openpuntenlijst met eigenaar en beslismoment. Zodra de informatie beschikbaar is, corrigeert u brongegevens én beide plannen. Daardoor kan een tijdelijke placeholder niet ongemerkt de definitieve documentatie worden.

De officiële FOD-pagina over controle van huishoudelijke installaties noemt de minimaal voor te leggen plannen en vat hun inhoud samen. Ze vervangt de gedetailleerde bepalingen van AREI Boek 1 V06 of de deskundige beoordeling van het concrete project niet.

Voorbereiden met PlanElec

PlanElec kan grondplan, elektrische topologie en bordgegevens in één project beheren, beide plannen als pdf exporteren en een oriënterende zelfcheck voor ondersteunde regels uitvoeren. Het vervangt geen aansluitcontrole, kabelberekening, werfopname of meting. Een foutloze softwarecheck is geen AREI-conformiteitsverklaring; de officiële controle gebeurt door een erkend organisme.

Verder lezen

Start een nieuwbouwproject in PlanElec →

Regelbasis: AREI Boek 1 V06, vooral hoofdstuk 2.13, afdeling 3.1.2, hoofdstuk 6.4 en afdeling 9.1.2. De officiële tekst en de werkelijk uitgevoerde installatie zijn doorslaggevend.