Zonnepanelen en laadpaal combineren op het eendraadschema
Zo teken je PV-omvormer, laadpaal, afzonderlijke kringen, beveiligingen, energiemeting en mogelijke terugvoeding correct in één gemeenschappelijk eendraadschema.
Zonnepanelen en laadpaal zijn op het eendraadschema twee afzonderlijke takken van hetzelfde verdeelbord. De omvormer injecteert aan zijn AC-zijde; een gewone laadpaal neemt energie af via een eigen eindkring. Een energiemanager meet en regelt beide, maar schakelt ze niet in serie. Zo teken je ze ook: twee aftakkingen, duidelijke stroomrichtingen, beveiligingen op de juiste plaats en het lastbeheer als sturing.

Een sterk gecombineerd schema toont bronnen, mogelijke stroomrichtingen, beveiligingsgrenzen en meetpunten. Wat alleen de berekening, de fabrikant of de netbeheerder kan bevestigen, haal je eerst als bewijs op en teken je pas daarna in.
Voorbeeldopdracht voortzetten: EV1 aan DB1 toevoegen
In de gezamenlijke fictieve opdracht uit de PV-gids blijven S1 en S2 via INV1 verbonden met DB1. EV1 is een nieuw unidirectioneel laadpunt aan de parkeerplaats. Teken de laadtak tot zijn werkelijke aansluitpunt in DB1; EV1 staat niet in serie met INV1. De namen verduidelijken het voorbeeld en zijn geen verplichte referenties.
| Aanvulling op de opdracht | Te controleren bewijs | Gevolg voor de documenten |
|---|---|---|
| EV1 en aansluitkabel | Handleiding, opname en dimensionering | Eigen laadtak, leiding en locatie |
| Bijbehorende beveiliging | Ontwerp en bewijs van ingebouwde/externe toestellen | Werkelijke functies zonder dubbeltelling |
| Meting of lastbeheer | Meetpunt, fasen en fabrikantconfiguratie | Besturing gescheiden van vermogenspaden |
| DB1 met PV en laadpunt | Herziene stroom- en beveiligingsbeoordeling | Gemeenschappelijke bordversie bijwerken |
Het PV-situatieplan plaatst dezelfde referenties ruimtelijk. Met de installatiehandleiding controleer je de ingevoerde elektrische verbindingen in het model. De stroombelastbaarheid van leidingen en toestellen bewijs je met dimensionering en datasheet, niet met een schermwaarde van het lastbeheer.
Drie niveaus afzonderlijk inventariseren
Breng eerst deze niveaus in kaart:
- Net en hoofdverdeling: aansluiting, meter, hoofdbeveiliging, aarding en betrokken borden.
- PV-productie: panelen of strings, DC-componenten, omvormer, AC-beveiliging en aansluitpunt.
- Laadverbruiker: afzonderlijke kring, overstroombeveiliging, differentieelschakelaar, leiding, laadpunt en eventuele vermogenssturing.
Levert de fabrikant een ander toegelaten systeemconcept, bijvoorbeeld een bidirectionele lader of een geïntegreerd hybride toestel, dan teken je precies die topologie. Model-, firmware- en systeemdocumentatie horen dan in het dossier.
Gebruikelijke gemeenschappelijke AC-structuur
Een conventionele opstelling ziet er vereenvoudigd zo uit:
Distributienet ↔ meter ↔ hoofdverdeelbord
├─ PV-AC-tak ↔ AC-beveiliging ↔ omvormer ↔ PV-DC-zijde
└─ laadtak → beveiliging → leiding → laadpaal → voertuig
└─ meting/laststuring, indien geplaatst
De dubbele pijl toont een mogelijke energierichting; de beveiligingsgegevens staan nog altijd bij het toestel. Een unidirectionele laadpaal blijft een verbruiker, ook wanneer de sturing “laden op zonne-overschot” heet. Teken hem dus niet als producent.
De PV-tak volledig weergeven
Voor huishoudelijke laagspannings-PV tot en met 10 kVA vult hoofdstuk 7.112 van AREI Boek 1 V06 de algemene regels aan met specifieke maatregelen: markering van de gelijkstroomgeleiders en de actieve wisselstroomgeleiders, waarschuwingsborden (“Niet onderbreken bij belasting”, “Elektrische installatie altijd onder spanning”) en de aarding van de metalen moduleramen, tenzij de fabrikant dat verbiedt (afdeling 7.112.2). Maak de geïnstalleerde keten traceerbaar:
- PV-generator en relevante string- of moduleopbouw;
- DC-leidingen met polariteit en doorsnede;
- DC-scheiding en beschermingen wanneer geplaatst of in de omvormer geïntegreerd;
- exact omvormermodel en maximaal AC-vermogen;
- AC-leiding, overstroombeveiliging, differentieelschakelaar en overige ontworpen bescherming;
- duidelijk aansluitpunt in het bord;
- bijbehorende waarschuwingen en identificatie.
De gids zonnepanelen op het eendraadschema behandelt deze tak uitgebreider. Vul concrete fabrikantgegevens in, geen generiek vak “PV-beveiliging”.
De laadpaal als afzonderlijke kring
AREI 7.22.3 vraagt een toegekende stroombaan, dus een afzonderlijke kring, voor elk verbindingspunt van een laadinrichting; een laadinrichting via een stopcontact op de vaste installatie aansluiten is verboden. Bij actieve bescherming met automatische onderbreking beschermt volgens 7.22.4.1 b een eigen differentieelschakelaar van ten hoogste 30 mA elke afzonderlijke wisselstroomkring. Daarnaast moet de bescherming blijven werken bij isolatiefouten met een storende gelijkstroomcomponent: via een daarvoor gebouwde differentieelschakelaar of via een differentieelschakelaar in coördinatie met een detectietoestel voor DC-foutstroom dat de laadpaal uitschakelt. Volgens 7.22.4.2 krijgt elke afzonderlijke kring ook zijn eigen overstroombeveiliging. Die toestellen mogen in het bord, in de laadpaal of in een combinatie van beide zitten.
Vermeld dus minstens:
- kringreferentie en fasen;
- overstroombeveiliging met aantal polen en nominale stroom;
- differentieelschakelaar met type, aanspreekstroom en eventuele gecoördineerde DC-detectie;
- kabeltype, geleideraantal en doorsnede;
- laadpaal en aantal aansluitpunten;
- nominaal vermogen of maximale laadstroom;
- vaste stuur-, meet- of afschakelcomponenten.
Staat de laadpaal in open lucht, dan vraagt 7.22.5.1 voor het materieel minstens IP44. De toegelaten combinatie volgt uit AREI, productnormen en de handleiding van het concrete toestel samen. Differentieel type A versus type B geeft je de achtergrond; de goedkeuring van het concrete model haal je uit de fabrikantdocumentatie.
Energiemanagement correct positioneren
Laden op PV-overschot of het begrenzen van netafname vraagt meting en regeling. Een systeem kan een energiemeter, stroomtransformatoren, controller, dataverbinding en regelbare laadpaal bevatten. Plaats de elektrisch relevante vaste delen op hun echte positie:
- meetpunt aan de aansluiting of het betrokken bord;
- stroomtransformatoren met correcte faserichting;
- voeding van de energiemanager;
- contactor of stuurcontact als dit elektrisch schakelt of vrijgeeft;
- datalijn voor zover nodig om de functie te begrijpen.
Een gestippelde lijn onderscheidt communicatie van energiegeleiders; definieer ze in de legende. “100% zonnestroom” hoort niet op het schema: productie, woningverbruik, laadvermogen en regeling veranderen voortdurend.
Fasen en vermogensbalans
Teken de werkelijke fasebezetting van omvormer en laadpaal. Een eenfasige omvormer en een driefasige lader worden niet dezelfde tak omdat een meter saldeert. Softwarematige stroombegrenzing stuurt de werking; doorsnede en overstroombeveiliging bewijs je nog altijd afzonderlijk.
De combinatie van kabeldoorsnede en automaat bepaal je daarom voor de PV-tak en de laadkring elk volledig.
Controleer bij het ontwerp onder meer:
- aansluitvermogen en toegelaten fasebelasting;
- gelijktijdige productie en afname;
- belasting van rails en bovenliggende toestellen bij alle mogelijke stroomrichtingen;
- kortsluit-, selectiviteits- en spanningsvalvoorwaarden;
- meetbereik en fabrikantgrenzen van de sturing.
Het schema legt de gekozen uitvoering vast; het is niet de berekening zelf.
Bidirectioneel laden is een ander systeem
Kan de laadpaal energie uit het voertuig terugleveren aan de installatie of het net, dan is ze niet langer alleen verbruiker. AREI 7.22.5.4 vraagt dan dat je voldoet aan de voorschriften voor decentrale productie-eenheden – voor de bescherming tegen elektrische schokken, tegen overstroom en voor de veiligheidsonderbreking – en dat de waarschuwing “Opgelet: mogelijke teruglevering van elektrische energie in de installatie” op de laadinrichting en op de gevoede verdeelborden hangt. Synergrid vermeldt dat bidirectionele of technisch bidirectioneel geschikte laadinfrastructuur onder C10/11 en C10/26-homologatie valt; een zuiver unidirectionele lader niet.
Toon stroomrichtingen en scheidings- en beschermingsfuncties exact volgens het goedgekeurde systeemconcept. Het schema van een gewone wallbox past niet op Vehicle-to-Home of Vehicle-to-Grid.
Situatieplan en dossier
Lokaliseer panelen, omvormer, relevante scheiders, verdeelborden, vaste meetapparatuur, laadpaal en bijbehorende parkeerplaats. Gebruik dezelfde kringreferenties als op het eendraadschema. Datasheets, toestelverklaringen, instellingen en latere wijzigingen horen in het installatiedossier.
Bij je eindcontrole check je minstens:
- overeenstemming tussen schema, bordlabels en as-built installatie;
- volledige traceerbaarheid van beide takken tot hun gemeenschappelijke punt;
- correcte pijlrichting voor elk energiepad;
- bescherming aan de juiste zijde en zonder fictieve dubbels;
- lastbeheer als regeling, niet als beveiliging;
- duidelijke aanduiding van uni- of bidirectionele laadfunctie.
Latere uitbreidingen correct verwerken
Een gecombineerd energiesysteem verandert vaak na de eerste oplevering. Een andere omvormer, extra panelen, een tweede laadconnector, een thuisbatterij of een nieuwe meetmethode verwerk je niet door alleen een toestelnaam te wijzigen. Volg elke gewijzigde tak opnieuw tot het gemeenschappelijke verdeelbord. Hoe je een thuisbatterij als bron in de installatie integreert, lees je in Thuisbatterij en AREI.
Leg bij een uitbreiding minstens vast:
- bijkomende bron of nieuw aansluitpunt;
- gewijzigde maximale AC-waarde en mogelijke stroomrichting;
- nieuwe of anders gecoördineerde beveiligingen;
- nieuwe sensorpositie en fasekoppeling van de lastregeling;
- aangepaste leiding, bordkring en fysieke labels;
- softwarelimieten altijd samen met toestelversie en bewaarde instellingen.
Een batterij of bidirectioneel voertuig is geen onzichtbare appfunctie. Zodra energie vanuit een bijkomende bron de vaste installatie kan bereiken, staan bron, scheiding, bescherming en waarschuwing in de technische documentatie. Bewaar de vervangen planversie en markeer ondubbelzinnig welke versie de actuele toestand weergeeft. Werk ook het situatieplan bij: een verplaatste meter of een nieuw toestel raakt meer dan alleen het eendraadschema.
Leg bij overdracht bovendien vast wie de vermogensregeling mag wijzigen en waar de actuele instellingen bewaard worden. Zo blijft een latere interventie controleerbaar.
Praktijkvoorbeeld: een tweede laadpunt bij bestaande PV
Een gebouw heeft al een PV-omvormer en een unidirectionele wallbox; nu komt er een tweede aansluitpunt bij. Kopieer niet gewoon het eerste symbool. Bepaal of het om een tweede toestel, één station met twee aansluitpunten of een andere fabrikantarchitectuur gaat en waar overstroombeveiliging en differentieelschakelaar werkelijk zitten. AREI 7.22.4.2 laat bij meerdere verbindingspunten die niet tegelijk gebruikt worden een gemeenschappelijke overstroombeveiliging toe, op voorwaarde dat elk punt de vereiste bescherming behoudt – bijvoorbeeld wanneer de nominale stroom van de gemeenschappelijke beveiliging niet hoger is dan de laagste nominale stroom van de verbindingspunten. Die uitzondering geldt alleen voor de overstroombeveiliging, niet voor gedeelde differentieelschakelaars of leidingen.
Werk vervolgens aansluitvermogen, fasetoewijzing en lastbeheer bij. Beide punten mogen de beschikbare stroom dynamisch verdelen, maar het schema toont nog steeds elk aansluitpunt, de echte elektrische onderverdeling en de maximaal toegelaten belasting. Stroomsensoren horen bij de gemeten geleiders en de juiste richting. De as-built bekabeling bewijs je met opname en toesteldocumentatie, niet met een softwarescherm met twee parkeerplaatsen.
Controleer ook de PV-tak opnieuw. Verandert alleen het verbruik, dan blijven modules en omvormer gelijk, maar het gemeenschappelijke bord en de mogelijke stroomrichtingen kunnen een nieuwe beoordeling vragen. Komt er tegelijk een hybride omvormer of batterij bij, dan ontstaat een bijkomende bron of bedrijfsmodus met eigen traceerbare beveiliging, scheiding en documentatie.
Bouw een bewijsreeks voor ingebruikname
Koppel elk belangrijk grenspunt op het schema aan bewijs: typeplaat of fiche voor vermogenswaarden, fabrikantschema voor geïntegreerde beveiligingen, meetverslag voor de uitgevoerde installatie en configuratie-export voor relevante begrenzingen. Markeer aannames als open. Een differentieeltype of DC-foutstroomdetectie teken je pas als aanwezig wanneer toestel en inbouw dat aantonen.
Doorloop bij de eindcontrole meerdere energietoestanden:
- 's nachts laden zonder PV-productie;
- PV-productie bij lage gebouwbelasting;
- PV en laden tegen een dynamische importlimiet;
- uitval van meting of communicatie van het lastbeheer;
- bij bidirectionele techniek, energie die uit het voertuig terugvloeit.
Voor elke toestand moeten stroompad, limiet, bescherming en veilige terugval uit ontwerp en fabrikantconcept verklaarbaar zijn. Het eendraadschema toont niet elke softwarebeslissing, wel elke elektrisch relevante component en elke mogelijke bronrichting.
Houd netprocedure en producthomologatie apart
AREI-documentatie, Synergrid-typehomologatie en de aansluitprocedure van de bevoegde distributienetbeheerder beantwoorden verschillende vragen. Een deskundig ontworpen beveiligingsconcept bewijst geen C10/26-vermelding; een vermeld product bewijst geen correcte installatie in dit gebouw. Synergrid stelt momenteel dat zuiver unidirectionele laders onder C10/11 ed.2.4 geen C10/26-homologatie nodig hebben; andere technische of netvoorwaarden kunnen wel gelden. Wat je doet als het toestel niet op de lijst staat, lees je in Synergrid-lijst C10/26.
Bewaar toestelmodel, firmware, uni- of bidirectionele capaciteit, communicatie met de netbeheerder en de echte inbedrijfstellingsinstellingen bij de planrevisie. Zo blijft zichtbaar op welke technische toestand een goedkeuring of controle betrekking had.
Noteer bij een latere firmwarewijziging of alleen de bediening verandert, of ook maximale stroom, terugvoedingsmogelijkheid of beveiligingsgedrag. In het tweede geval beoordeelt de vakpersoon ontwerp, netvoorwaarden en documentatie opnieuw. Een automatische update mag de technische basis niet ongemerkt verschuiven.
Label in het verdeelbord PV- en laadaftakking met dezelfde referenties als op het plan. Bij mogelijke terugvoeding hangen de vereiste waarschuwingen op de werkelijk betrokken plaatsen; een melding alleen in de app volstaat niet. Vergelijk vóór overdracht elk bordlabel, toesteltype en de mogelijke energierichting met de eindversie van het schema.
Uitwerken in PlanElec
In PlanElec leg je PV- en laadtak vast in één projectmodel: strings per MPPT, omvormer, AC-scheiding en bronbeveiliging aan de ene kant, de wallbox met eigen kring aan de andere. Eendraadschema en situatieplan ontstaan uit dezelfde gegevens en exporteer je als pdf. De AREI/RGIE-zelfcontrole meldt onder meer wanneer een wallbox geen eigen kring, geen differentieelschakelaar van 30 mA of geen passende bescherming tegen DC-foutstromen heeft, en toont ontbrekende stringkoppelingen. De rollen zijn duidelijk: de zelfcontrole toont je bevindingen binnen de ondersteunde regels; beveiligingscoördinatie en netgoedkeuring regel je met berekening en netbeheerder, de keuring doet het erkende organisme.
Officiële bronnen
- AREI/RGIE Boek 1 bij de FOD Economie: hoofdstukken 7.22 en 7.112 en delen 3 en 9, gecontroleerd volgens V06.
- Synergrid: homologatie van decentrale productie-eenheden: C10/11 ed.2.4, C10/26 en de afbakening voor bidirectioneel laden.
Inhoudelijk nagekeken op 5 oktober 2026. Controleer vóór uitvoering altijd de actuele aansluitvoorwaarden en de fabrikantversie.
Van de gids naar je eigen elektriciteitsplan
Maak een project en documenteer stroombanen, kabels en beveiligingen. Controleer het resultaat aan de hand van de werkelijke installatie.
Fictief voorbeelddossier, zonder registratie te bekijken.