In de mate van het mogelijke dienen elektrische leidingen die niet geassocieerd zijn aan uitrustingen onderbracht in explosiegevaarlijke ruimten te worden geweerd uit deze ruimten.
Voor vaste aanleg moeten de elektrische leidingen en de bijbehoren zo zijn geïnstalleerd dat zij niet worden blootgesteld aan mechanische (schokken, trillingen...) thermische of chemische (corrosie...) invloeden.
Voor draagbare of verplaatsbare machines en toestellen zijn gebruikt:
- –
kabel met een versterkte polychloropreenmantel;
- –
kabel met een versterkte mantel uit synthetisch elastomeer;
- –
kabel met een versterkte rubbermantel;
- –
kabel met een gelijkwaardige mechanische bescherming.
In de explosieve stofzones, zijn de leidingaanlegsystemen (kabelbanen, kabelkanalen...) zodanig opgesteld of afgeschermd dat de stofophoping zoveel mogelijk wordt beperkt en dat de reiniging gemakkelijk kan worden uitgevoerd.
Constructieve en/of organisatorische maatregelen worden genomen tegen de accumulatie van gas en/of stof en de uitbreiding van explosiegevaarlijke gebieden via doorgaande leidingen (installatiebuizen, kokers, kabelgoten of -kanalen) en om te vermijden dat explosiegevaarlijke gas en/of stof er zich kunnen in opstapelen of doorgang verkrijgen.
De doorgaande leidingen zijn voorzien van afdichtingsmiddelen op de plaatsen waar deze een gevaarlijke ruimte binnengaan of verlaten.
Met uitzondering van de onafhankelijke beschermingsgeleiders (PE), mogen geïsoleerde geleiders niet worden toegepast voor actieve geleiders, tenzij deze worden ondergebracht in schakel- en verdeelborden, behuizingen of systemen opgebouwd uit installatiebuizen rekening houdend met de bepalingen van punt g. van onderafdeling 5.2.9.3 .
Indien stof zich in laagvorm op elektrische leidingen kan afzetten en de warmteafgifte van de elektrische leidingen kan verstoren moet de onder normale bedrijfsomstandigheden vooropgestelde maximum toelaatbare stroomsterkte I z worden verlaagd tot 0,8 I z.
Wanneer voor draagbaar en verplaatsbaar materieel een metalen buigzame wapening of afscherming in de kabel is geïntegreerd, mag dit niet de enige beschermingsgeleider zijn.
De geïsoleerde geleiders en kabels moeten aan de eisen van onderafdeling 5.2.7.3. beantwoorden, met uitzondering van de geïsoleerde geleiders en kabels bedoeld in onderafdelingen 5.2.7.1.
De toegepaste aansluittechnieken alsmede de aansluittoebehoren van elektrische leidingen (kabels en installatiebuizen) op elektrische machines en toestellen zijn derwijze gekozen dat de desbetreffende beschermingswijze en beschermingsgraad van de behuizing gewaarborgd blijven.
Ongebruikte openingen voor de invoer van elektrische leidingen moeten zijn afgesloten met afsluitmiddelen die aangepast zijn aan de desbetreffende beschermingswijze en beschermingsgraad.
Uitgezonderd voor intrinsiek veilig elektrisch materieel moeten de afsluitmiddelen enkel met behulp van gereedschappen kunnen worden verwijderd.
De leidinginvoeren in behuizingen gebruikt in de beschermingswijze drukvast (EExd) en verhoogde veiligheid (EExe) dienen te zijn gecertificeerd.
Om de maximale oppervlaktetemperatuur van de weerstandsverwarmingskabels te beperken, moeten deze en hun temperatuurbeveiligingstoestellen worden geïnstalleerd volgens de aanwijzingen vervat in de bijbehorende documentatie.
- a.
Beschermingsmethode «d»
Nadat de geleiders of kabels in de installatiebuizen zijn aangebracht, moeten de afdichtingen worden gevuld met een dichtingmassa die bij het uitharden niet krimpt en niet gasdoorlatend wordt. Deze afdichtingen moeten binnen een afstand van 450 mm van alle drukvaste omhulsels worden voorzien.
Wanneer een omhulsel specifiek is ontworpen om op een elektrische leiding in buis te worden aangesloten, maar moet worden aangesloten op kabels, mag een drukvast verloopstuk met een buislengte van niet meer dan 150 mm met de buisinvoer van het omhulsel worden verbonden.
- b.
Beschermingsmethode «e»
De in behuizingen met de beschermingswijze verhoogde veiligheid (EExe) gebruikte aansluitklemmen dienen gecertificeerd te zijn.
Niet-gebruikte geleiders dienen op vrije klemmen te worden aangesloten.
Het aansluiten van meer dan één geleider op een aansluitklem is slechts toegestaan wanneer de documentatie bij het materieel hierin voorziet. Bijzondere aandacht dient te worden besteed bij het aansluiten van geleiders met verschillende doorsnede.
- c.
Beschermingsmethode «i»
Om het kortsluitrisico tussen aangrenzende geleiders tot een minimum te beperken moet de isolatie van elke geleider tot aan het metaal van de aansluitklemmen in stand gehouden zijn.
Installaties met intrinsiek veilige stroombanen (EExi) moeten derwijze worden geïnstalleerd dat hun intrinsiek veilige eigenschappen niet nadelig worden beïnvloed door uitwendige elektrische of magnetische velden.
Intrinsiek veilige elektrische leidingen zijn ruimtelijk gescheiden aangelegd van de niet-intrinsiek veilige elektrische leidingen.
Deze bepaling geldt niet wanneer:
- –
tussen de intrinsiek veilige en niet-intrinsiek veilige elektrische leidingen geaarde metalen schermen aanwezig zijn;
- –
de intrinsiek veilige en niet-intrinsiek veilige elektrische leidingen door een geaard metalen tussenschot zijn gescheiden.
Geleiders van intrinsiek veilige stroombanen en niet-intrinsiek veilige stroombanen mogen niet gemeenschappelijk ondergebracht worden in eenzelfde kabel.
Indien schermen van intrinsiek veilige elektrische leidingen geaard zijn mag dit enkel in een punt van het scherm verwezenlijkt worden bij voorkeur in het niet-gevaarlijk gebied.
Hiervan mag worden afgeweken indien:
- –
er bijzondere redenen bestaan wegens de kenmerken van het scherm;
- –
tussen elk uiteinde van de stroombaan een galvanische verbinding tot stand gebracht is met de plaatselijk aanwezige bijkomende potentiaalvereffeningsgeleider;
- –
de aarding gebeurt via kleine condensatoren met een totale capaciteit van maximaal 10 nF.
De wapening van de kabels moet met de aarde galvanisch verbonden worden. Aandacht dient hierbij geboden aan het voorkomen van circulatiestromen:
- –
hetzij van een ontstekingsgevaarlijk niveau;
- –
hetzij ontstekingsgevaarlijke vonken ter hoogte van de behuizinginvoersystemen.
Intrinsiek veilige stroombanen zijn derwijze gemerkt dat ze duidelijk te onderscheiden zijn van niet-intrinsiek veilige stroombanen.
Indien voor de markering een kleur wordt gebruikt moet dit de lichtblauwe kleur zijn.
Wanneer door de aanwezigheid van andere blauwe geleiders of kabels het risico voor verwarring bestaat tussen de intrinsiek veilige en de niet-intrinsiek veilige stroombanen moeten alternatieve maatregelen met betrekking tot de markering worden genomen.
De aansluitklemmen van de intrinsiek veilige stroombanen moeten duidelijk aangeduid zijn.
De aansluitklemmen van de intrinsiek veilige stroombanen zijn gescheiden van de aansluitklemmen van nietintrinsiek veilige stroombanen door een tussenruimte van minimum 50 mm of door een isolerende scheidingsplaat of door een niet-isolerende, met de aarde verbonden scheidingsplaat.
De afstanden:
- –
tussen de blanke geleidende delen van de aansluitklemmen van intrinsiek veilige stroombanen;
- –
tussen de blanke geleidende delen van de aansluitklemmen van intrinsiek veilige stroombanen en de blanke geleidende delen van de andere geleiders;
- –
tussen de blanke geleidende delen van de aansluitklemmen van intrinsiek veilige stroombanen en de metalen geleidende delen die met de aarde zijn verbonden,
- –
zijn zodanig dat elke mogelijkheid van contact wordt vermeden.