Regulations · Deel 7

AREI Book 1 · Part 7

Bepalingen voor bijzondere installaties en ruimten

Version 06 · K.B. 06.10.2025 · applicable 01/04/2026 to 31/10/2026 · Official source language: Dutch · Open official PDF source

Version 06 applied until 31/10/2026. Version 07 has applied since. Open the edition in force (version 07)

7.1Ruimten die een bad en/of douche bevatten

7.1.1Toepassingsgebied

7.1.1.1Algemeen

De algemene voorschriften van de andere delen van dit Boek zijn van toepassing op de bijzondere installaties en ruimten behandeld in dit hoofdstuk 7.1. De voorschriften van dit hoofdstuk vullen deze algemene voorschriften aan.

De bijzondere voorschriften van dit hoofdstuk zijn van toepassing op:

  1. 1.

    ruimten die permanent een bad en/of een douche bevatten;

  2. 2.

    ruimten waarin mobiele toepassingen worden geplaatst (bv.: mobiele douche voor bouwplaats);

  3. 3.

    wijzigingen of uitbreidingen die op deze ruimten worden aangebracht.

    Worden niet beschouwd als een bad of een douche:

  4. 1.

    de uitrustingen van noodvoorzieningen, bijvoorbeeld nooddouches die gebruikt worden in industriële installaties of in laboratoria;

  5. 2.

    de wastafels voor baby’s;

  6. 3.

    de in de hoogte verstelbare en eventueel verplaatsbare baden en douches voor medische behandeling;

  7. 4.

    de baden en douches voor dieren;

  8. 5.

    de douches en baden geïnstalleerd in verplaatsbare, mobiele of tijdelijke installaties en waarbij:

    • de gehele verplaatsbare, mobiele of tijdelijke installatie waarin een bad en/of een douche geïnstalleerd is, wordt gedekt door een geschikte norm bekrachtigd door de Koning of geregistreerd door het NBN, en;

    • het bad en/of de douche voldoet ook aan de eisen van de voormelde norm.

    Op ruimten voor medisch gebruik waarin zich een badkuip of douche voor medische behandeling bevindt, kunnen afwijkende voorschriften van toepassing zijn.

    De ruimte die een bad en/of een douche bevat wordt afgebakend door:

  9. 1.

    de afgewerkte vloer, en;

  10. 2.

    het horizontale vlak gelegen op 3 m boven de afgewerkte vloer en eventueel een plafond of, indien aanwezig, een vals plafond dat niet geperforeerd is of niet zonder gereedschap kan worden gedemonteerd, indien dit zich lager van 3 m boven de afgewerkte vloer bevindt, en;

  11. 3.

    het verticale vlak:

    1. a)

      gelegen op een afstand van 4 m vanaf de vaste watertoevoeren, en;

    2. b)

      gemeten in het horizontale vlak door de vaste watertoevoeren ter hoogte van het bad of de douche:

      • hetzij vanaf de uitgang van de kraan van het bad;

      • hetzij vanaf de uitgang van de vaste sproeikop;

      • hetzij vanaf de uitgang van de mengkraan of de kraan waarop de doucheslang van de handdouche wordt aangesloten, en;

    3. c)

      afgebakend door vaste verticale wanden met een hoogte van ten minste 2,25 m of die aansluiten op een plafond of, indien aanwezig, een vals plafond dat niet geperforeerd is of niet zonder gereedschap kan worden gedemonteerd.

      (Zie onderafdelingen 7.1.3.3. , g. en 7.1.3.4. , c. ).

7.1.1.2Overgangsbepalingen

In afwijking van onderafdeling 7.1.1.1. kunnen onderafdeling 6.5.8.1., 3. en onderafdeling 6.5.8.2., 4. toegepast worden op de projecten of de werkzaamheden waarvan de uitvoering ter plaatse werd aangevangen vóór 01/03/2025, op voorwaarde dat de gelijkvormigheidscontrole vóór de ingebruikname plaatsvindt vanaf 01/03/2025. Het erkend organisme dat belast is met de gelijkvormigheidscontrole vóór de ingebruikname wordt door de aanvrager van de controle op de hoogte gesteld van de toepassing van onderafdeling 6.5.8.1., 3. of van onderafdeling 6.5.8.2., 4 . Het erkend organisme maakt melding van de toepassing van onderafdeling 6.5.8.1., 3. of van onderafdeling 6.5.8.2., 4. in het controleverslag.

7.1.2Begrippen en definities

Badkuip: een kuip met opzettelijke waterretentie bestemd voor het wassen van een menselijk lichaam met de gehele of substantiële onderdompeling van dat lichaam onder water, en bestemd om na gebruik geledigd te worden.

Douche: een bepaalde plaats met of zonder douchebak bestemd voor het wassen van een menselijk lichaam onder een waterstraal zonder opzettelijke waterretentie.

Douchebak: een onderste deel van een douche dat wordt gebruikt om water op te vangen en af te voeren.

De douchebak wordt geplaatst op of geïntegreerd in de vloer.

Elektrische multifunctionele douchecabine : geprefabriceerde douchecabine die ten minste een elektrische functie integreert in aanvulling van de douchefunctie.

Elektrische afzonderlijke multifunctionele douche-eenheid: elektrische multifunctionele douche-eenheid zonder een geprefabriceerde douchecabine die ten minste een elektrische functie integreert in aanvulling van de douchefunctie.

Douchefunctie: het wassen van een menselijk lichaam onder een waterstraal.

Vaste wand: vast en permanent element met eventueel deuren en vensters dat het aangevoerde water tegen het oppervlak ervan afleidt, zoals een vloer, een plafond of een muur.

Men verstaat onder:

  1. 1.

    plafond: bouwelement dat onmiddellijk tegen de structurele elementen van het gebouw wordt bevestigd en dat het ondervlak van een horizontale wand die de scheiding tussen twee verdiepingen vormt of van het dak bedekt;

  2. 2.

    vals plafond: opgehangen of zelfdragend bouwelement dat met een verticale tussenafstand aan de structurele elementen van het gebouw wordt bevestigd en dat het ondervlak van een horizontale wand die de scheiding tussen twee verdiepingen vormt of van het dak bedekt.

    De in de vaste wanden aangebrachte deuren en vensters verhinderen in gesloten stand de ontsnapping van water uit de ruimte via die gesloten deuren en vensters.

    De open ruimte onder de deuren in gesloten stand en de vaste verticale wanden is kleiner dan of gelijk aan 0,10 m.

    Worden niet beschouwd als vaste wand:

  3. 1.

    een gordijn;

  4. 2.

    een vaste opengewerkte of zonder gereedschap verwijderbare wand;

  5. 3.

    een mobiele wand, bijvoorbeeld een schuifwand.

7.1.3Bepaling van de algemene karakteristieken

7.1.3.1Algemeen

De aanwezigheid van vaste wanden, deuren en vensters kan de afmetingen van de in onderafdeling 7.1.1.1. gedefinieerde ruimte met een bad en/of een douche alsook de afmetingen van de in onderafdeling 7.1.3.2. gedefinieerde volumes beïnvloeden:

  1. 1.

    bij de bepaling van de afmetingen van de in onderafdeling 7.1.1.1. gedefinieerde ruimte met een bad en/of een douche wordt rekening gehouden met het volgende:

    1. a)

      de vaste verticale wanden die

      • een hoogte van ten minste 2,25 m hebben, of;

      • die een kleinere hoogte hebben en aansluiten op een plafond of, indien aanwezig, een vals plafond, dat niet geperforeerd is of niet zonder gereedschap kan worden gedemonteerd, worden in beschouwing genomen;

    2. b)

      de deuren en vensters die in de vaste wanden van deze ruimte zijn geïntegreerd worden beschouwd als gesloten. De douchedeuren die deel uitmaken van de douche worden niet in beschouwing genomen.

  2. 2.

    bij de bepaling van de afmetingen van de in onderafdeling 7.1.3.2. gedefinieerde volumes wordt rekening gehouden met het volgende:

    1. a)

      wanneer de door de vaste wanden bepaalde afmetingen kleiner zijn dan die van de volumes wordt rekening gehouden met de reikafstand omheen deze wanden;

      • ## b) de deuren en vensters die in de vaste wanden zijn geïntegreerd en geheel of gedeeltelijk binnen de volumes van de ruimte met een bad en/of een douche zijn gelegen, worden beschouwd:

      • als volledig geopend, en;

      • als vaste wanden die de afmetingen van de volumes kunnen beïnvloeden.

      In afwijking van 2. , b) , worden de douchedeuren die deel uitmaken van de douche, als gesloten beschouwd, op voorwaarde dat het onderste deel van deze deuren aansluit op het onderste deel van het volume 1, zoals bepaald in onderafdeling 7.1.3.2. , 2).

      Wanneer een douche zich bevindt in volume 1 van een bad, zoals bepaald in onderafdeling 7.1.3.2. , 2) , zijn de volumes bepaald voor dit bad van toepassing.

      Wanneer een douche meer dan één vaste watertoevoer heeft, zijn de grenzen van de volumes waarmee rekening wordt gehouden deze die worden bepaald door de strengste combinatie van de volumes verkregen door elke watertoevoer afzonderlijk te beschouwen.

      Onderafdelingen 7.1.3.3. en 7.1.3.4. geven ter illustratie mogelijke configuraties weer. Deze zijn niet exhaustief.

7.1.3.2Definitie van de volumes

1) Volume 0

Volume 0 is begrensd:

  1. a)

    voor een bad door de binnenkant van de badkuip zoals geïllustreerd in onderafdeling 7.1.3.3. , a. en g. en onderafdeling 7.1.3.4., a. , b. en c.

  2. b)

    voor een douche:

    b.1) met een douchebak waarvan de diepte groter is dan of gelijk is aan 0,10 m, door de binnenkant van de douchebak tot het horizontale vlak op 0,10 m boven het hoogst betreedbare niveau van de douchebak.

    b.2) zonder een douchebak of met een douchebak waarvan de diepte minder dan 0,10 m bedraagt, door:

    b.2.1.) het volume gaande van het laagst betreedbare niveau van de afgewerkte vloer of van de douchebak tot aan een horizontaal vlak op 0,10 m boven het hoogst betreedbare niveau van de afgewerkte vloer of douchebak, en;

    b2.2.) het verticale vlak:

    • gelegen op een afstand van 1,20 m van het midden van elke vaste watertoevoer, en;

    • eventueel afgebakend door vaste wanden waardoor het water niet kan binnendringen in de zone aan de andere zijde van de wanden.

    (Zie onderafdeling 7.1.3.3. , b. , c. , d. , e. , f. en g. en onderafdeling 7.1.3.4. , d. , e. , f. en g. ) .

2) Volume 1

Volume 1 is begrensd:

  1. a)

    voor een bad door:

    • a.1.) het hoogste horizontale vlak dat samenvalt met:

    • hetzij het vlak gelegen op 2,25 m boven het hoogst betreedbare niveau van de bodem van de badkuip, of;

    • hetzij het vlak dat samenvalt met de hoogste vaste watertoevoeren indien deze zich hoger dan 2,25 m boven het hoogst betreedbare niveau van de bodem van de badkuip bevinden, of;

    • hetzij het vlak gelegen op 2,25 m boven het hoogst betreedbare niveau tussen het verticale vlak gelegen op de grens van volume 1 en het verticale parallelle vlak op 0,60 m daar vandaan, en;

    • a.2.) het verticale afgebakende vlak aan de buitenrand van de badkuip.

    Volume 1 omvat de ruimte onder de badkuip en sluit volume 0 uit.

    (Zie onderafdeling 7.1.3.3. , a. en g. en onderafdeling 7.1.3.4. , a. , b. en c. ) .

  2. b)

    voor een douche door:

    • b.1.) het laagst betreedbare niveau van de afgewerkte vloer of van de bodem van de douche bak, en;

    • b.2.) het hoogste horizontale vlak dat samenvalt met:

    • hetzij het vlak dat samenvalt met het hoogste punt waar de vaste watertoevoeren zijn vastgemaakt, of;

    • hetzij het vlak gelegen op 2,25 m boven het hoogst betreedbare niveau van de afgewerkte vloer of van de bodem van de douche bak, en;

    • b.3.) het verticale vlak:

    • gelegen op een afstand van 1,20 m van het midden van elke vaste watertoevoer, en;

    • eventueel afgebakend door vaste wanden waardoor het water niet kan binnendringen in de zone aan de andere zijde van de wanden.

    Indien de douchebak een diepte heeft groter dan of gelijk aan 0,10 m en een of meer buitenranden met een afstand groter dan of gelijk aan 1,20 m van het midden van de vaste watertoevoeren, wordt het in punt b.3. ) bedoelde verticale vlak ook tot deze buitenrand(en) van de douchebak verplaatst.

    Volume 1 omvat de ruimte onder de douche bak en sluit volume 0 uit.

    (Zie onderafdeling 7.1.3.3. , b. , c. , d. , e. , f. en g. en onderafdeling 7.1.3.4. , d. , e. , f. en g. ) .

3) Volume 2

Volume 2 is begrensd:

  1. a)

    voor een bad door:

    a.1.) het horizontale vlak dat samenvalt met het laagst betreedbare niveau tussen het verticale vlak van volume 1 en het verticale vlak op 0,60 m daar vandaan, en;

    a.2.) het hoogste horizontale vlak dat samenvalt met dit van volume 1, en;

    a.3.) het verticale vlak gelegen op de grens van volume 1 en het verticale parallelle vlak op 0,60 m daar vandaan.

    (Zie onderafdeling 7.1.3.3. , a. en g. en onderafdeling 7.1.3.4. , a. , b. en c. ) .

  2. b)

    Volume 2 is niet gedefinieerd voor een douche.

    (Zie onderafdeling 7.1.3.3. , b. , c. , d. , e. , f. en g. en onderafdeling 7.1.3.4. , d. , e. , f. en g. ) .

7.1.3.3Afmetingen van de volumes en de ruimte - Bovenaanzicht

  1. a.

    Badkuipen met vaste wanden die de volumes begrenzen

  2. b.

    Douches zonder douchebak of met douchebak met een diepte kleiner dan 0,10 m, met vaste wanden die de volumes begrenzen en met een vaste watertoevoer nabij een hoek

  3. c.

    Douches zonder douchebak of met douchebak met een diepte kleiner dan 0,10 m, met vaste wanden die de volumes begrenzen en met een vaste watertoevoer op afstand van een hoek

  4. d.

    Douches met douchebak met een diepte groter dan of gelijk aan 0,10 m, met vaste wanden die de volumes begrenzen en met een vaste watertoevoer op afstand van een hoek

  5. e.

    Douche zonder douchebak of met douchebak met een diepte kleiner dan 0,10 m, met vaste wanden die de volumes begrenzen

  6. f.

    Douche zonder douchebak met vaste wanden en draaibare deuren die de volumes begrenzen

  7. g.

    Begrenzing van de volumes en de ruimte door de vaste wanden, de deuren en de vensters

    1. g.1

      Lokaal met een bad

    2. g.2

      Lokaal met een douche, met vaste verticale wanden die allemaal een hoogte van ten minste 2,25 m hebben of met vaste verticale wanden die allemaal aansluiten op een plafond of, indien aanwezig, een vals plafond dat niet geperforeerd is of niet zonder gereedschap kan worden gedemonteerd

    3. g.3

      Lokaal met een douche, met een aantal vaste verticale wanden met een hoogte van ten minste 2,25 m of die aansluiten op een plafond of, indien aanwezig, een vals plafond dat niet geperforeerd is of niet zonder gereedschap kan worden gedemonteerd, en met één vaste verticale wand met een hoogte lager dan 2,25 m en die niet aansluit op het plafond of, indien aanwezig, het vals plafond

7.1.3.4Afmetingen van de volumes – Vooraanzicht a. Badkuip op vloerniveau van volume 2

  1. b.

    Badkuipen waarvan de bodem niet samenvalt met het hoogst betreedbare niveau van volume 2

  2. c.

    Begrenzing van de volumes en de ruimte door een vals plafond (voorbeeld van een ruimte die een bad bevat)

    Geen begrenzing van de ruimte met een bad en van de volumes door een vals plafond dat geperforeerd is of zonder gereedschap kan worden gedemonteerd

    Begrenzing van de ruimte met een bad en van de volumes door een vals plafond dat niet geperforeerd is en alleen met gereedschap kan worden gedemonteerd

  3. d.

    Douches zonder douchebak of met douchebak met een diepte kleiner dan 0,10 m, met vaste wanden die de volumes begrenzen

  4. e.

    Douches met douchebak met een diepte groter dan of gelijk aan 0,10 m, met vaste wanden die de volumes begrenzen

  5. f.

    Douche zonder douchebak of met douchebak met een diepte kleiner dan 0,10 m, met vaste wanden die de volumes begrenzen

  6. g.

    Begrenzing van de volumes door een vaste wand met een open ruimte onder de vaste wand kleiner of groter dan 0,10 m (voorbeeld van een ruimte die een douche bevat)

7.1.4Bescherming tegen elektrische schokken

7.1.4.1Bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking

  1. a.

    Beschermingsgraad van het elektrisch materieel

    Wanneer de bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking verzekerd wordt door het gebruik van ZLVS is haar maximumspanning gelijk aan de overeenkomstige waarde vermeld in tabel 7.2.

    De beschermingsgraad van het elektrisch materieel toegelaten in de ruimten die een bad en/of een douche bevatten, wordt gekozen overeenkomstig de uitwendige invloed AD vermeld in tabel 7.3.

    Bij gebruik van ZLVS als bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking is beschermingsgraad IP00 toegelaten indien haar maximumspanning gelijk is aan de overeenkomstige waarde vermeld in tabel 7.1.

    Tabel 7.1 Bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking: maximumspanning van ZLVS bij gebruik van elektrisch materieel met een beschermingsgraad IP00

    Maximum-
    spanning in
    V
    ≈
    Max.
    V

    Max.
    V
    =
    Max.
    V
    Volume 0 6 12 20
    Volume 1 6 12 20
    Volume 2 12 18 30
    Ruimte die
    een
    bad
    en/of
    een
    douche
    bevat,
    (buiten
    de
    volumes)
    12 18 30
  2. b.

    Bescherming door verwijdering en door middel van hindernissen

    De bescherming door verwijdering zoals beschreven in onderafdeling 4.2.2.1. , d. en door middel van hindernissen zoals beschreven in onderafdeling 4.2.2.1. , e. wordt niet toegelaten.

7.1.4.2Bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking zonder automatische onderbreking van de voeding

  1. a.

    Bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking bij gebruik van ZLVS

    Wanneer de bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking verzekerd wordt door het gebruik van ZLVS, is haar maximumspanning gelijk aan de overeenkomstige waarde vermeld in tabel 7.2.

    Tabel 7.2 Bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking: maximumspanning bij gebruik van ZLVS

    Maximum- ≈  =
    spanning in Max. Max. Max.
    V V V V
    Volume 0 12 18 30
    Volume 1 12 18 30
    Volume 2 25 36 60
    Ruimte die 25 36 60
    een bad
    en/of een
    douche
    bevat (bui-
    ten de
    volumes)

  2. b.

    Bescherming door veiligheidsscheiding van stroombanen

    Bescherming door veiligheidsscheiding van stroombanen zoals beschreven in onderafdeling 4.2.3.3. , c. wordt enkel gebruikt voor:

    1. 1.

      eindstroombanen die een enkel verbruikstoestel voeden, of

    2. 2.

      een enkele contactdoos voeden.

      Bescherming door veiligheidsscheiding van stroombanen wordt niet toegelaten op verzonken elektrische verwarmingskabels en verwarmingssystemen.

  3. c.

    Bijkomende bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking zonder automatische onderbreking van de voeding

    Als bijkomende bescherming is het toegelaten om de bepalingen van onderafdeling 4.2.3.3. , d. toe te passen.

7.1.4.3Bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking met automatische onderbreking van de voeding

Behalve eindstroombanen die gebruikmaken van de bescherming door ZLVS of de bescherming door veiligheidsscheiding van stroombanen of die deel uitmaken van een veiligheidsinstallatie, worden de stroombanen die een ruimte met een bad en/of een douche voeden beschermd door een of meer differentieelstroombeschermingsinrichtingen met hoge of zeer hoge gevoeligheid.

Het is toegelaten deze inrichtingen te gebruiken om stroombanen in andere lokalen of plaatsen te beveiligen. Bij huishoudelijke installaties en de gemeenschappelijke delen van een residentieel geheel zijn deze inrichtin- gen stroomafwaarts geïnstalleerd van de inrichtingen die aan het begin van de elektrische installatie zijn geplaatst overeenkomstig onderafdeling 4.2.4.3.

Deze inrichtingen zijn geïnstalleerd buiten de ruimte die een bad en/of een douche bevat.

7.1.4.4Bijkomende potentiaalvereffeningsverbinding

Een bijkomende potentiaalvereffenings-verbinding zoals bepaald in onderafdeling 4.2.3.2. , uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van onderafdeling 5.4.4.2. , verbindt plaatselijk alle massa’s van het elektrisch materieel en de gelijktijdig genaakbare vreemde geleidende delen die zich bevinden in de ruimte met een bad en/of een douche met uitzondering van:

  1. 1.

    de massa’s van het elektrisch materieel gevoed op ZLVS;

  2. 2.

    de niet elektrisch geleidende leidingen, zoals kunststof;

  3. 3.

    de radiatoren of convectoren gevoed door leidingen die in 2. worden bedoeld;

  4. 4.

    de metalen behuizingen van elektrisch materieel van klasse II of gelijkwaardig aan deze van elektrische toestellen van klasse II.

    Figuur 7.1Voorbeeld van plaatsing van de bijkomende potentiaalvereffeningsverbinding in een ruimte die een bad bevat
    1. (1)

      metalen afvoer

    2. (2)

      metalen leidingen van water

    3. (3)

      metalen leidingen van centrale verwarming

    4. (4)

      metalen badkuip

    5. (5)

      metalen deurlijsten

    6. (6)

      wastafel

    7. (7)

      metalen radiator

    8. (8)

      schakel- en verdeelbord van de elektrische installatie

    9. (9)

      contactdoos gevoed op laagspanning

    10. (10)

      verlichtingstoestel klasse I gevoed op laagspanning

    11. (11)

      bijkomende potentiaalvereffeningsverbinding

    12. (12)

      beschermingsgeleider van de eindstroombaan van de ruimte die een bad bevat.

7.1.4.5Elektrische verwarmingselementen verzonken in de vaste wanden

Elektrische in de vaste wanden verzonken verwarmingselementen die beantwoorden aan de voorschriften van onderafdeling 4.2.2.5. , c. en van onderafdeling 5.2.9.13. zijn toegelaten in de ruimte met een bad en/of een douche indien:

  1. 1.

    ze zich niet in volume 0 bevinden;

  2. 2.

    ze bedekt zijn met een metalen netwerk dat verbonden is met een bijkomende potentiaalvereffeningsverbinding.

7.1.5Keuze en gebruikname van elektrisch materieel

7.1.5.1Gemeenschappelijke voorschriften – uitwendige invloeden

  1. a.

    Gebruik van het elektrisch materieel in functie van de uitwendige invloeden

    De combinaties van de uitwendige invloeden “aanwezigheid van water”, “toestand van het menselijk lichaam” en “aanraking van de aardpotentiaal door personen” in ruimten die een bad en/of een douche bevatten, zijn aangegeven in tabel 7.3.

    Tabel 7.3 Ruimten die een bad of douche bevatten: combinaties van de uitwendige invloeden AD, BB en BC

    Uitwendige
    invloeden
    Aanwezig-
    heid van
    water
    Toestand
    van het
    menselijk
    lichaam
    Aanraking
    van de
    aardpoten-
    tiaal door
    personen
    Volume 0 AD7 BB3 BC4**
    Volume 1 AD4* BB3 BC3**
    Volume 2 AD4*** BB2 BC3**
    Ruimte die
    een
    bad
    en/of
    een
    douche
    bevat (bui-
    ten
    de
    volumes)
    AD2*** BB2 BC2**

    * Minimale waarde en te bepalen in functie van de aanwezige uitwendige invloeden

    ** Na te leven uitwendige invloed BC in een huishoudelijke installatie. In een niet-huishoudelijke installatie, de uitwendigeinvloed BC te bepalen in functie van de samenstelling van de ruimte die een bad en/of een douche bevat.

    *** Toegelaten beschermingsgraad van contactdozen gevoed op laagspanning: IPXX

    Wanneer het elektrisch materieel meerdere plaatsten in de ruimte met een bad en/of een douche beslaat, zijn de meest beperkende voorschriften van tabel 7.3. van toepassing.

7.1.5.2Elektrisch materieel

  1. a.

    Algemeen

    De specifieke bepalingen van onderafdeling 7.1.5.2. zijn niet van toepassing op:

    1. 1.

      elektrische multifunctionele douchecabines;

    2. 2.

      elektrische afzonderlijke multifunctionele douche-eenheden;

    3. 3.

      baden of douches met elektrische functies, op voorwaarde dat voormeld materieel gedekt is door een EU-conformiteitsverklaring.

      Er wordt evenwel rekening gehouden met de volumes gevormd door voormeld materieel.

      Aftak-, koppel- en verdeeldozen zijn verboden in volume 0.

      De installatie van elektrisch materieel bestemd voor de voeding of bescherming van elektrisch materieel in andere ruimten is verboden in de volumes 0, 1, en 2.

      De schakel- en verdeelborden zijn verboden in de volumes 0, 1 en 2.

      Het is toegelaten dat stroombanen van ruimten met een bad en/of een douche ook elektrisch materieel voeden dat zich in andere lokalen of plaatsen bevindt.

  2. b.

    Volume 0

    Enkel vaste elektrische machines of toestellen worden aangewend op voorwaarde dat ze:

    • beantwoorden aan de voorschriften van toepassing op volume 0 en geschikt zijn voor gebruik in dit volume volgens de gebruiks- en plaatsingsaanwijzingen van de fabrikant, en;

    • permanent aangesloten zijn, en;

    • gevoed zijn op ZLVS, waarbij de energiebron op ZLVS geïnstalleerd is buiten de volumes 0 en 1.

    In volume 0 zijn contactdozen en bedieningstoestellen niet toegelaten met uitzondering van de bedieningstoestellen die deel uitmaken van de in de vorige alinea bedoelde vaste elektrische machines of toestellen, op voorwaarde dat deze bedieningstoestellen gevoed zijn op ZLVS, waarbij de energiebron op ZLVS geïnstalleerd is buiten de volumes 0 en 1.

  3. c.

    Volume 1

    Enkel volgend elektrisch materieel wordt toegelaten:

    1. 1.

      vaste elektrische machines of toestellen gevoed op ZLVS, waarbij de energiebron op ZLVS geïnstalleerd is buiten volume 0 en 1;

    2. 2.

      contactdozen gevoed op ZLVS, waarbij de energiebron op ZLVS geïnstalleerd is buiten de volumes 0 en 1;

    3. 3.

      vaste elektrische machines of toestellen gevoed op laagspanning op voorwaarde dat ze:

      • beantwoorden aan de voorschriften van toepassing op volume 1 en geschikt zijn voor gebruik in dit volume volgens de gebruiks- en plaatsingsaanwijzingen van de fabrikant, en;

      • permanent aangesloten zijn. De voeding door middel van een contactdoos is dus niet toegelaten. Zowel contactdozen als bedieningstoestellen die deel uitmaken van de in 3. bedoelde vaste elektrische machines of toestellen, zijn toegelaten op voorwaarde dat deze contactdozen en bedieningstoestellen gevoed worden op ZLVS, waarbij de energiebron op ZLVS geïnstalleerd is buiten de volumes 0 en 1;

    4. 4.

      bedieningstoestellen gevoed op ZLVS, waarbij de energiebron op ZLVS geïnstalleerd is buiten de volumes 0 en 1.

  4. d.

    Volume 2

    Enkel volgend elektrisch materieel wordt toegelaten:

    1. 1.

      vaste elektrische machines of toestellen, met inbegrip van de contactdozen en de bedieningstoestellen die deel uitmaken van deze machines of toestellen, die permanent aangesloten zijn ofwel door een contactdoos worden gevoed;

    2. 2.

      contactdozen gevoed op laagspanning:

      • hetzij beschermd door een differentieelstroombeschermings-inrichting met zeer grote gevoeligheid;

      • hetzij elk individueel beschermd door een beschermingstransformator met een maximaal vermogen van 100 W;

    3. 3.

      contactdozen gevoed op ZLVS, waarbij de energiebron op ZLVS geïnstalleerd is buiten de volumes 0 en 1;

    4. 4.

      bedieningstoestellen gevoed op ZLVS, waarbij de energiebron op ZLVS geïnstalleerd is buiten de volumes 0 en 1;

    5. 5.

      bedieningstoestellen gevoed op laagspanning.

  5. e.

    Elektrische leidingen

    De hiernavolgende voorschriften zijn van toepassing op de elektrische leidingen geplaatst in de ruimten die een bad en/of een douche bevatten, alsook de elektrische leidingen verzonken in de vaste wanden van deze ruimten tot een diepte van 0,05 m.

    De elektrische leidingen bevatten geen metalen onderdelen zoals wapening, stalen buis..., behalve hun kernen.In het volume 0 worden de elektrische leidingen beperkt tot deze die deel uitmaken van het erin toegelaten elektrisch materieel.

    In de volumes 1 en 2 worden de elektrische leidingen beperkt tot deze noodzakelijk voor de voeding van het elektrisch materieel binnen de volumes 0, 1 en 2.

    Voor het voeden van het in volume 0 toegelaten elektrisch materieel is enkel verzonken plaatsing met of zonder buizen in de vaste wanden van volume 0 toegelaten overeenkomstig de voorschriften van onderafdelingen 5.2.9.3. en 5.2.9.10.

    In de volumes 1 en 2 zijn enkel de volgende plaatsingswijzen toegelaten:

    1. 1.

      de plaatsing in buizen verzonken in de vaste wanden overeenkomstig de voorschriften van onderafdeling 5.2.9.3. ;

    2. 2.

      de plaatsing in vrije lucht of de plaatsing in opbouw overeenkomstig de voorschriften van onderafdeling 5.2.9.5. ;

    3. 3.

      de plaatsing in de holle constructieruimten overeenkomstig de voorschriften van onderafdeling 5.2.9.9. ;

    4. 4.

      de verzonken plaatsing zonder buizen overeenkomstig de voorschriften van onderafdeling 5.2.9.10.

      In de volumes 0, 1 en 2 wordt bij gebruik van elektrische leidingen gevoed op ZLVS, de beschermingswijze door isolatie toegepast zoals bepaald in onderafdeling 4.2.5.4. , a. en dit ongeacht de plaatsingswijze.

7.2Zwembaden

7.2.1Toepassingsgebied

De algemene voorschriften van de andere delen van dit Boek zijn van toepassing op de bijzondere installaties en ruimten behandeld in dit hoofdstuk 7.2. De voorschriften van dit hoofdstuk vullen deze algemene eisen aan.

De bijzondere voorschriften van dit hoofdstuk zijn van toepassing op zwembaden, op voetbaden alsook op fonteinen en andere waterkommen die toegankelijk zijn voor personen. Deze voorschriften zijn ook van toepassing op de aanpalende volumes. In deze volumes is bij normaal gebruik risico op een elektrische schok verhoogd als gevolg van de vermindering van de elektrische weerstand van het menselijk lichaam en zijn contact met het aardpotentiaal.

Voor de fonteinen en de andere waterkommen die ontoegankelijk zijn gemaakt voor personen door middel van materiële elementen die voldoende stevig en aangepast zijn, zijn de voorschriften van hoofdstuk 7.100. van toepassing.

7.2.2Bepaling van de algemene karakteristieken Classificatie van de volumes

Volume 0: het inwendig volume van de zwembadkom, zijn openingen in de wanden of de bodem, en de voetbaden.

Volume 1: het volume begrensd door:

  • het volume 0;

  • het verticaal oppervlak gelegen op 2 m van de rand van de kom;

  • de vloer;

  • het horizontaal vlak gelegen op 2,5 m boven de vloer of boven het oppervlak waar personen zich kunnen bevinden.

Wanneer in het zwembad duiktorens, springplanken, startblokken, glijbanen of structurele elementen waar personen zich kunnen bevinden aanwezig zijn, is het volume 1 begrensd door:

  • een verticaal oppervlak gelegen op 1,5 m rond de duiktorens, springplanken, startblokken, glijbanen en toegankelijke structurele elementen;

  • het horizontaal vlak gelegen op 2,5 m boven het hoogste niveau waar personen zich kunnen bevinden.

Volume 2: het volume begrensd door:

  • het verticaal buitenoppervlak van het volume 1 en het ermee evenwijdig oppervlak gelegen op 1,5 m ervan. In de mate dat de uitwendige invloeden AD4/BC3 aanwezig zijn voorbij dit evenwijdig oppervlak dient deze plaats te worden beschouwd als deel uitmakend van volume 2;

  • de vloer;

  • het horizontaal vlak gelegen op 2,5 m boven de vloer of boven het oppervlak waar personen zich kunnen bevinden.

De aanwezigheid van vaste wanden met een minimumhoogte van 2,5 m heeft een begrenzende invloed op de hierboven vermelde volumes 1 en 2.

De figuren 7.12. t.e.m. 7.14. verduidelijken de verschillende volumes voor enkele gevallen.

Figuur 7.12Afmetingen van de volumes voor zwembaden en voetbaden
Figuur 7.13Zwembaden: afmetingen van de volumes voor bovengrondse kommen

Afmetingen in meter:
r1 = 2
r2 = r1 - s1 - s2
r3 = 3,5
r4 = r3 - s1 - s2
r5 = r3 - s3 - s4

7.2.3Bescherming tegen elektrische schokken

7.2.3.1Bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking bij gebruik van zeer lage veiligheidsspanning

Wanneer de bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking verzekerd wordt door het gebruik van zeer lage veiligheidsspanning is haar maximumspanning gelijk aan de overeenkomstige waarde in tabel 7.4.

Tabel 7.4 Bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking: maximumspanning bij gebruik van ZLVS in de verschillende volumes van zwembaden

Maximumspanningen in V Volume 0 Volu
0 tot 1,25 m
me 1
1,25 tot 2 m
Volume 2
Wisselspanning 12 12 25 25
Gelijkspanningmetrimpel 18 18 36 36
Gelijkspanningzonder rimpel 30 30 60 60

7.2.3.2Bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking Beschermingsgraad van het elektrisch materieel

De bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking wordt verzekerd door het gebruik van isolatie, hindernissen of omhulsels.

De beschermingsgraad van het elektrisch materieel is ten minste deze aangegeven in tabel 7.5.

Tabel 7.5 Minimum beschermingsgraad van elektrisch materieel in de verschillende volumes van zwembaden

Volume 0 Volu
0 tot 1,25 m
me 1
1,25 tot 2 m
Volume 2
Minimum beschermingsgraad IPX7/IPX8 IPX5 IPX4 (*) IPX4 (*)

(*) Bij gebruik van zeer lage veiligheidsspanning van ten hoogste 12 V wisselspanning, 18 V gelijkspanning met rimpel of 30 V gelijkspanning zonder rimpel, is geen enkele beschermingsgraad vereist.

7.2.3.3Veiligheidsscheiding van de stroombanen

Wanneer de beschermingsmaatregel tegen elektrische schokken door middel van veiligheidsscheiding van de stroombanen toegepast wordt, mag een beschermingstransformator slechts één enkel toestel voeden.

7.2.3.4Bijkomende equipotentiaalverbinding

Een bijkomende equipotentiaalverbinding ( zie onderafdeling 4.2.3.2. ), uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van onderafdeling 5.4.4.2., verbindt alle vreemde gelijktijdig genaakbare geleidende delen en massa’s van het elektrisch materiaal in de volumes 0, 1 en 2 met uitzondering van de massa’s van het elektrisch materieel op zeer lage veiligheidsspanning.

7.2.4Keuze en ingebruikname van elektrisch materieel

7.2.4.1Uitwendige invloeden

De combinaties van de uitwendige invloeden «aanwezigheid van water», «toestand van het menselijk lichaam» en «aanraking met de aardpotentiaal» zijn vermeld in tabel 7.6 .

Tabel 7.6 Zwembaden: combinaties van de uitwendige invloeden AD, BB en BC

Uitwendige invloed Volume 0 Volu
0 tot 1,25 m
me 1
1,25 tot 2 m
Volume 2
Aanwezigheid vanwater AD7/AD8 AD5 AD4 AD4
Toestand van het menselijk lichaam BB3 BB3 BB2 BB2
Aanraking met de aardpotentiaal BC4 BC3 BC3 BC3

7.2.4.2Elektrische leidingen

In het volume 0 moeten de elektrische leidingen beperkt worden tot deze die deel uitmaken van het erin toegelaten elektrisch materieel.

In de volumes 1 en 2 moeten de zichtbare elektrische leidingen, evenals deze verzonken op een diepte kleiner dan of gelijk aan 5 cm, voorzien zijn van een bijkomende isolatie en geklasseerd zijn hetzij als elektrische leiding van de klasse II hetzij als elektrische leiding met een veiligheid gelijk aan deze van de klasse II (zie afdeling 2.7.1. ). Ze mogen geen enkel metalen buitenomhulsel hebben.

De verzonken elektrische leidingen moeten verticaal of horizontaal worden geplaatst. In het laatste geval bevinden zij zich nabij het plafond.

In de volumes 1 en 2 moeten de elektrische leidingen beperkt worden tot deze noodzakelijk voor de voeding van het elektrisch materieel binnen deze volumes.

Verbindingsdozen van elektrische leidingen zijn verboden in de volumes 0 en 1. Voor de stroombanen op ZLVS zijn zij echter toegelaten in volume 1.

7.2.4.3Elektrisch materieel

  1. a.

    Bedieningstoestellen, regelinrichtingen en contactdozen

    Met uitzondering van de aantikdetectoren zijn alle bedieningstoestellen, regelinrichtingen en contactdozen verboden in de volumes 0 en 1.

    Bedieningstoestellen, regelinrichtingen en contactdozen zijn toegelaten:

    • in het volume 1, indien ze worden geplaatst in een isolerend omhulsel op meer dan 1,25 m van de grens van het volume 0 en ten minste 0,3 m boven de vloer;

    • in het volume 2, op voorwaarde dat ze door één van de volgende maatregelen beschermd zijn:

    • voeding op ZLVS van ten hoogste 25 V wisselspanning, 36 V gelijkspanning met rimpel of 60 V gelijkspanning zonder rimpel. Het voedingstoestel voor deze ZLVS moet zich buiten de volumes 0, 1 en 2 bevinden. Dit toestel mag in volume 2 worden geplaatst indien zijn voedingsstroombaan beschermd is door een differentieelstroombeschermingsinrichting met grote of zeer grote gevoeligheid;

    • automatische onderbreking van de voeding door middel van een differentieelstroombeschermingsinrichting met grote of zeer grote gevoeligheid;

    • individuele veiligheidsscheiding per bedieningstoestel, regelinrichting of contactdoos volgens de voorschriften van punt c. van onderafdeling 4.2.3.3 . Het voedingstoestel moet zich buiten de volumes 0, 1 en 2 bevinden. Dit toestel mag in volume 2 worden geplaatst indien zijn voedingsstroombaan beschermd is door een differentieelstroombeschermingsinrichting met grote of zeer grote gevoeligheid.

  2. b.

    Verlichtingstoestellen

    De verlichtingstoestellen in volume 0 mogen slechts worden gevoed op zeer lage veiligheidsspanning overeenkomstig de waarden weergegeven in de tabel van onderafdeling 7.2.3.1 .

    In de volumes 1 en 2 zijn verlichtingstoestellen toegelaten op voorwaarde dat ze door één van de volgende maatregelen beschermd zijn:

    • voeding op zeer lage veiligheidsspanning overeenkomstig de waarden weergegeven in de tabel van onderafdeling 7.2.3.1. ;

    • mechanische bescherming (uitwendige invloed AG2) die enkel met behulp van gereedschap kan worden verwijderd, en geplaatst op een afstand van ten minste 2,25 m boven het vlak waar personen zich kunnen bevinden.

  3. c.

    Verwarmingselementen verzonken in vloeren

    Verwarmingselementen verzonken in vloeren en wanden van volume 0 zijn verboden.

    Verwarmingselementen die beantwoorden aan de voorschriften van onderafdeling 5.2.9.13. en punt c. van onderafdeling 4.2.2.5. zijn toegelaten in de vloeren van volumes 1 en 2 indien ze bedekt zijn met een metalen netwerk dat verbonden is met de bijkomende equipotentiaalverbinding.

  4. d.

    Andere toestellen

    In de volumes 0, 1 en 2 moeten de elektrische machines en toestellen, andere dan deze aangehaald in voormelde punten, aan de volgende voorwaarden voldoen:

    • ze zijn noodzakelijk voor de uitbating van het zwembad (pompen...);

    • ze zijn ondergebracht in een omhulsel met een isolatie gelijkwaardig aan een toestel van klasse II en met een mechanische bescherming (uitwendige invloed AG2);

    • ze zijn bijkomend beschermd door één van de volgende maatregelen:

      • voeding op zeer lage veiligheidsspanning overeenkomstig de waarden weergegeven in de tabel van onderafdeling 7.2.3.1. , of

      • automatische onderbreking van de voeding door middel van een differentieelstroombeschermingsinrichting met grote of zeer grote gevoeligheid, of

      • individuele veiligheidsscheiding volgens de voorschriften van punt c. van onderafdeling 4.2.3.3 .

    Indien het elektrisch materieel geplaatst is in een kabelkanaal of technische ruimte in het volume 1 of 2:

    • is er enkel toegankelijkheid voor het dienst- en onderhoudspersoneel;

    • is er automatische afschakeling van de spanning op alle niet-beschermde actieve delen die toevallig kunnen worden aangeraakt op het ogenblik van het wegnemen of openen van omhulsels;

    • mag dit kanaal of deze ruimte niet onder water kunnen lopen.

7.3Sauna's

7.3.1Toepassingsgebied

De algemene voorschriften van de andere delen van dit Boek zijn van toepassing op de bijzondere installaties en ruimten behandeld in dit hoofdstuk 7.3. De voorschriften van dit hoofdstuk vullen deze algemene eisen aan.

De bijzondere voorschriften van dit hoofdstuk zijn van toepassing op lokalen waarin uitrustingen voor sauna’s zijn geïnstalleerd.

7.3.2Bepaling van de algemene karakteristieken

7.3.2.1Volumes

De figuren 7.15. en 7.16. geven de verschillende volumes van sauna’s weer.

Figuur 7.15Verschillende volumes van sauna’s Zijaanzicht
Figuur 7.16Verschillende volumes van sauna’s  Bovenaanzicht

7.3.2.2Uitwendige invloeden

Sauna’s zijn ruimten, gekenmerkt door volgende uitwendige invloeden:

  • elektrische weerstand van het menselijk lichaam: BB2;

  • aanwezigheid van water: AD4;

  • contact met de aardpotentiaal: BC3;

  • wat de omgevingstemperatuur betreft, wordt een onderscheid gemaakt in functie van de 4 volumes ( zie onderafdeling 7.3.2.1. )

    • in volume 1 is enkel elektrisch materieel toegelaten dat behoort bij de verwarmingstoestellen voor sauna’s;

    • in volume 2 gelden geen bijzondere voorschriften in verband met de weerstand van het materieel tegen warmte;

    • in volume 3 moet het elektrisch materieel kunnen weerstaan aan een temperatuur van 125 °C;

  • in volume 4 mogen enkel verlichtingstoestellen, bedienings- en regelinrichtingen voor verwarmingstoestellen voor sauna’s en hun elektrische aansluitleidingen worden geïnstalleerd; de temperatuurvoelers moeten verplicht in volume 4 worden geplaatst. De weerstand tegen warmte is zoals voorgeschreven voor volume 3.

7.3.3Bescherming tegen elektrische schokken

Bij gebruik van zeer lage veiligheidsspanning is de maximumwaarde 25 V wisselspanning, 36 V gelijkspanning met rimpel of 60 V gelijkspanning zonder rimpel.

7.3.4Keuze en ingebruikname van elektrisch materieel

7.3.4.1Beschermingsgraad van het elektrisch materieel

De beschermingsgraad van het elektrisch materieel is ten minste IPX4.

7.3.4.2Elektrische leidingen

De elektrische leidingen moeten voorzien zijn van een bijkomende isolatie en geklasseerd zijn hetzij als elektrische leiding van de klasse II hetzij als elektrische leiding met een veiligheid gelijk aan deze van de klasse II (zie afdeling 2.7.1. ). Ze mogen geen enkel metalen buitenomhulsel hebben.

7.3.4.3Elektrisch materieel

In de saunaruimten zijn enkel verwarmingstoestellen, met inbegrip van hun bedienings- en regelinrichtingen, verlichtingstoestellen, hun elektrische aansluitleidingen en aansluitdozen als elektrisch materieel toegelaten.

Deze toestellen moeten:

  • hetzij beschermd zijn door een individuele veiligheidsscheiding volgens de voorschriften van punt c. van onderafdeling 4.2.3.3.;

  • hetzij van klasse I zijn, hun voedingsstroombanen zijn beschermd door differentieelstroombeschermingsinrichtingen met grote of zeer grote gevoeligheid;

  • hetzij van de klasse II zijn of een veiligheid, tegen elektrische schokken, gelijkwaardig met deze van toestellen van de klasse II hebben;

  • hetzij van klasse III zijn en gevoed zijn op zeer lage veiligheidsspanning overeenkomstig de waarden van afdeling 7.3.3 .

Alle andere elektrische toestellen moeten buiten de saunaruimte worden geplaatst.

7.4Werfinstallaties en buiteninstallaties

7.4.1Toepassingsgebied

De algemene voorschriften van de andere delen van dit Boek zijn van toepassing op de bijzondere installaties en ruimten behandeld in dit hoofdstuk 7.4. De voorschriften van dit hoofdstuk vullen deze algemene eisen aan.

De bijzondere voorschriften van dit hoofdstuk zijn van toepassing op niet-huishoudelijke werfinstallaties en op huishoudelijke en niet-huishoudelijke buiteninstallaties.

7.4.2Bescherming tegen elektrische schokken

7.4.2.1Bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking door automatische onderbreking van de voeding

Indien de bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking verzekerd wordt door een automatische onderbreking van de voeding moet de conventionele absolute spanningsgrens U L, gelijk aan 25 V wisselspanning, 36 V gelijkspanning met rimpel of 60 V gelijkspanning zonder rimpel genomen worden.

7.4.2.2Bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking door zeer lage veiligheidsspanning

Indien de bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking verzekerd wordt door zeer lage veiligheidsspanning, is de maximumwaarde van de spanning 25 V wisselspanning, 36 V gelijkspanning met rimpel of 60 V gelijkspanning zonder rimpel.

7.4.3Keuze en ingebruikname van elektrisch materieel

7.4.3.1Voorwaarden van uitwendige invloeden

De elektrische buiteninstallaties en werfinstallaties, met uitzondering van deze op kaaien en pieren, zijn gekenmerkt door volgende uitwendige invloeden:

  • toestand van het menselijk lichaam: BB2;

  • aanwezigheid van water AD2 tot AD4;

  • contact met de aardpotentiaal: BC3.

7.4.3.2Elektrische leidingen

De soepele elektrische leidingen bezitten een vergrote mechanische weerstand en een bijkomende isolatie en zijn geklasseerd hetzij als elektrische leiding van de klasse II hetzij als elektrische leiding met een veiligheid gelijk aan deze van de klasse II (zie afdeling 2.7.1. ).

7.4.3.3Elektrisch materieel

  1. a.

    Schakel- en verdeelborden voor werven

    Aan de oorsprong van elke werfinstallatie moet een geheel opgesteld worden die een algemeen bedieningstoestel en de hoofdbeschermingsinrichtingen bevat. De scheidings- en beschermingsinrichting van de verdeelstroombanen moeten worden aangebracht in hetzelfde schakel- en verdeelbord of in afzonderlijke schakel- en verdeelborden.

    De voeding van gebruiksapparaten gebeurt vanaf de schakel- en verdeelborden die, volgens de noden, het volgende bevatten:

    • de onderbrekingsinrichtingen;

    • de beschermingsinrichtingen tegen overstromen;

    • de beschermingsinrichtingen tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking;

    • de contactdozen.

    De hiervoor vermelde schakel- en verdeelborden moeten voldoen aan de voorschriften van het onderafdelingen 5.3.6.1. en 5.3.6.2.

    De voorziene schakel- en verdeelborden mogen gegroepeerd of afzonderlijk geplaatst worden.

    De schakel- en verdeelborden moeten een voldoende stabiliteit hebben om de risico’s van omvallen te vermijden.

    Zij moeten gemakkelijk verplaatsbaar zijn. Indien hun gewicht en hun afmetingen het vereisen, moeten ze voorzien zijn van een handgreep of en hijsring.

  2. b.

    Contactdozen voor werfinstallaties

    • De contactdozen moeten worden beschermd tegen mechanische beschadiging en geplaatst worden:

    • hetzij aan de binnenzijde van schakel- en verdeelborden die geen enkel risico van omkanteling vertonen en die, indien nodig, gemakkelijk verplaatst kunnen worden;

    • hetzij, indien noodzakelijk, op vaste steunpunten.

7.6Enge geleidende ruimten

7.6.1Toepassingsgebied

De algemene voorschriften van de andere delen van dit Boek zijn van toepassing op de bijzondere installaties en ruimten behandeld in dit hoofdstuk 7.6. De voorschriften van dit hoofdstuk vullen deze algemene eisen aan.

De bijzondere voorschriften van dit hoofdstuk zijn van toepassing op installaties van enge geleidende ruimten en op de voeding van de apparatuur binnen deze ruimten.

7.6.2Begrippen en definities

Enge geleidende ruimten zijn enge ruimten waarvan de wanden essentieel gevormd worden door metalen of zeer geleidende delen die met de aarde verbonden zijn. De mogelijkheden voor een persoon om het contact met deze wanden te verbreken zijn er beperkt.

7.6.3Bescherming tegen elektrische schokken

Alleen volgende beschermingsmaatregelen zijn toegelaten:

  1. 1.

    voor draagbaar materieel met uitzondering van draagbare verlichtingstoestellen

    • hetzij voeding op zeer lage veiligheidsspanning met maximumwaarde U gelijk aan respectievelijk 25 of 12 V wisselspanning, 36 of 18 V gelijkspanning met rimpel en 60 of 30 V gelijkspanning zonder rimpel naargelang de toestand van het menselijk lichaam gekenmerkt is door de uitwendige invloeden BB1 of BB2/BB3;

    • hetzij een toestel van klasse II of een toestel van klasse I, indien een toestel van klasse II niet bestaat. Elk toestel moet dan afzonderlijk gevoed worden door een beschermingstransformator;

  2. 2.

    voor draagbare verlichtingstoestellen en vaste toestellen die niet beschermd zijn tegen mechanische invloeden: voeding op zeer lage veiligheidsspanning met een maximumwaarde U , bepaald in punt 1. ;

  3. 3.

    voor het vast materieel, met uitzondering van de verlichtingstoestellen die niet beschermd zijn tegen mechanische invloeden: actieve maatregelen met automatische onderbreking van de voeding naargelang het systeem van de verbindingen met de aarde ( onderafdeling afdeling 4.2.3.4. ) van zodra de contactspanning de waarde van de veiligheidsspanning overtreft. De waarde van de conventionele relatieve spanningsgrens moet in dit geval gelijk genomen worden aan U zoals hiervoor bepaald.

    De voedingsinrichtingen voor de zeer lage veiligheidsspanning of de veiligheidstransformatoren moeten buiten de enge geleidende ruimten geplaatst worden.

    Indien het voor bepaald materieel, zoals meet- of controletoestellen, nodig is te beschikken over een functionele aardverbinding, moet een bijkomende equipotentiale verbinding ( zie onderafdeling 4.2.3.2. ) , conform de schikkingen van onderafdeling 5.4.4.2., aangelegd worden die alle massa’s en alle vreemde geleidende delen met elkaar verbindt in de enge geleidende ruimte.

    Wanneer de aandrijfmotor zich buiten de enge geleidende ruimte bevindt, mag gebruik gemaakt worden van andere beschermingsmaatregelen op voorwaarde dat het toestel aangedreven wordt via een soepele as of een andere krachtoverbrenging die voldoet aan het voorschrift van bijkomende isolatie ( afdeling 2.4.2. ).

7.6.4Keuze en ingebruikname van elektrisch materieel

7.6.4.1Uitwendige invloeden

De enge geleidende ruimten worden gekenmerkt door volgende uitwendige invloeden:

  • contact met de aardpotentiaal: BC4;

  • aanwezigheid van water: AD1 tot AD8;

  • elektrische toestand van het menselijk lichaam: BB1 tot BB3.

7.6.4.2Elektrische leidingen

De elektrische leidingen moeten een bijkomende isolatie hebben en geklasseerd zijn hetzij als elektrische leiding van de klasse II hetzij als elektrische leiding met een veiligheid gelijk aan deze van de klasse II (zie afdeling 2.7.1. ). Ze mogen geen enkel metalen buitenomhulsel hebben.

7.8Campings

7.8.1Toepassingsgebied

De algemene voorschriften van de andere delen van dit Boek zijn van toepassing op de bijzondere installaties en ruimten behandeld in dit hoofdstuk 7.8. De voorschriften van dit hoofdstuk vullen deze algemene eisen aan.

De bijzondere voorschriften van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de elektrische installatiedelen die voorzien zijn voor de voeding van kampeerwagens, kampeerauto’s, tenten...

7.8.2Aansluitingspunt

Het aansluitingspunt van kampeerwagens, kampeerauto’s, tenten, … dient te worden gevoed door een individuele contactdoos.

7.8.3Bescherming tegen elektrische schokken

Elk aansluitingspunt van kampeerwagens, kampeerauto’s, tenten... dient individueel te worden beschermd door een differentieelstroombeschermingsinrichting met grote gevoeligheid. De waarde van de conventionele spanningsgrens is 25 V wisselspanning, 36 V gelijkspanning met rimpel of 60 V gelijkspanning zonder rimpel.

7.8.4Keuze en ingebruikname van elektrisch materieel

7.8.4.1Uitwendige invloeden

Het elektrisch materieel dat kampeerwagens, kampeerauto’s, tenten… voedt op kampeerterreinen is gekenmerkt door volgende uitwendige invloeden:

  • toestand van het menselijk lichaam: BB2;

  • aanwezigheid van water: AD4 en AD5;

  • contact met de aardpotentiaal: BC3.

7.8.4.2Elektrisch materieel

Het aardingscontact van contactdozen moet verbonden worden met de aardverbinding van de massa’s van de voedingsinstallatie.

7.9Jachthavens

7.9.1Toepassingsgebied

De algemene voorschriften van de andere delen van dit Boek zijn van toepassing op de bijzondere installaties en ruimten behandeld in dit hoofdstuk 7.9. De voorschriften van dit hoofdstuk vullen deze algemene eisen aan.

De bijzondere voorschriften van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de elektrische installaties die voorzien zijn voor de voeding van pleziervaartuigen.

7.9.2Bescherming tegen elektrische schokken

Elk aansluitingspunt van plezierboten dient individueel te worden beschermd door een differentieelstroombeschermingsinrichting met grote gevoeligheid. De waarde van de conventionele spanningsgrens is 25 V wisselspanning, 36 V gelijkspanning met rimpel of 60 V gelijkspanning zonder rimpel.

7.9.3Keuze en ingebruikname van elektrisch materieel

7.9.3.1Uitwendige invloeden

Het elektrisch materieel dat plezierboten aan kaaien en pieren voedt, is gekenmerkt door volgende uitwendige invloeden:

  • toestand van het menselijk lichaam: BB2;

  • aanwezigheid van water: AD4 en AD5;

  • contact met de aardpotentiaal: BC3.

7.9.3.2Elektrisch materieel

Het aardingscontact van contactdozen moet verbonden worden met de aardverbinding van de massa’s van de voedingsinstallatie.

7.11Foorinstallaties

7.11.1Toepassingsgebied

De algemene voorschriften van de andere delen van dit Boek zijn van toepassing op de bijzondere installaties en ruimten behandeld in dit hoofdstuk 7.11. De voorschriften van dit hoofdstuk vullen deze algemene eisen aan.

De bijzondere voorschriften van dit hoofdstuk zijn van toepassing op tijdelijke elektrische installaties van tenten, structuren, standen... geïnstalleerd op locaties zoals foren, markten, circussen, expositieruimten...

7.11.2Bescherming tegen elektrische schokken

In foorinstallaties, welke ook de voedingswijze is, met uitzondering van zeer lage veiligheidsspanning, moeten de beschermingsgeleiders verbonden zijn met een aardverbinding waarvan de spreidingsweerstand niet hoger is dan 500 .

Alle stroombanen met uitzondering van deze gevoed op zeer lage veiligheidsspanning, moeten ten minste beschermd zijn door een differentieelstroombeschermingsinrichting waarvan de differentiële aanspreekstroom niet hoger is dan 100 mA of door een beschermingsinrichting tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking met een gelijkwaardige veiligheid.

7.22Voeding van elektrische wegvoertuigen

7.22.1Toepassingsgebied

De algemene voorschriften van de andere delen van dit Boek zijn ook van toepassing op de bijzondere installaties en ruimten behandeld in dit hoofdstuk 7.22. De voorschriften van dit hoofdstuk vullen deze algemene eisen aan.

Dit hoofdstuk is van toepassing op de conductieve laadinrichtingen voor elektrische wegvoertuigen, waarvan hun uitvoering of hun vervanging vanaf 1/11/2022 wordt aangevangen, en op hun stroombanen:

  1. 1.

    bedoeld voor elektrische energieoverdracht naar elektrische voertuigen, en eventueel;

  2. 2.

    bedoeld voor het terugleveren van elektrische energie van batterijen van elektrische voertuigen.

    De stroombanen, bedoeld in de voorgaande alinea, eindigen op het verbindingspunt.

    De bepalingen van Boek 1 met uitzondering van dit hoofdstuk blijven derhalve van toepassing op:

  3. 1.

    de bestaande conductieve laadinrichtingen voor elektrische wegvoertuigen waarvan de uitvoering ter plaatse vóór 1/11/2022 werd aangevangen;

  4. 2.

    de conductieve laadinrichtingen voor elektrische wegvoertuigen, waarvan de uitvoering van het project of de installatie- of vervangingswerkzaamheden is aangevangen vóór 1/11/2022, onverminderd dat de gelijkvormigheidscontrole vóór de ingebruikname zal plaatsvinden vanaf 1/11/2022.

    Indien een bestaande conductieve laadinrichting bedoeld in de 4de alinea, 1, wordt aangepast aan de bepalingen van hoofdstuk 7.22. , wordt zij onderworpen aan een gelijkvormigheidscontrole vóór de ingebruikname overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 7.22.

    Indien een conductieve laadinrichting bedoeld in de 4de alinea, 2, wordt aangepast aan de bepalingen van hoofdstuk 7.22 , wordt het erkend organisme dat belast is met de gelijkvormigheidscontrole vóór de ingebruikname hiervan op de hoogte gesteld. Dit laatste maakt daarvan melding in het controleverslag.

    De vaste elektrische installatie die bestemd is voor de voeding van een elektrisch voertuig dat verbonden is met een elektrische bron zonder vaste specifieke conductieve laadinrichting voor elektrische voertuigen, valt onder de algemene voorschriften van de andere delen van dit Boek.

7.22.2Begrippen en definities

Elektrisch wegvoertuig (in dit hoofdstuk elektrisch voertuig genoemd): elk voertuig aangedreven door een elektromotor die stroom onttrekt aan een oplaadbaar energie-opslagsysteem, voornamelijk bedoeld voor gebruik op de openbare weg.

Laadinrichting voor elektrisch voertuig (in dit hoofdstuk laadinrichting genoemd): vast aangesloten uitrusting of geheel van uitrustingen van de vaste installatie, die de functies vervullen die bestemd zijn voor het overbrengen van elektrische energie tussen een elektrisch voertuig en de elektrische bron.

Verbindingspunt van een laadinrichting voor elektrisch voertuig (in dit hoofdstuk verbindingspunt genoemd): eindpunt dat deel uitmaakt van de laadinrichting waardoor de energie wordt overgebracht naar of van een elektrisch voertuig.

Voorbeeld: een laadpaalcontactdoos of een voertuigconnector.

7.22.3Bepaling van de algemene karakteristieken – Indeling van de installaties

Het is verboden een laadinrichting op een vaste elektrische installatie door middel van een stopcontact aan te sluiten.

Een toegekende stroombaan wordt voorzien voor elk verbindingspunt.

Aan de vereiste van de vorige alinea wordt voldaan door gebruik te maken van de aangepaste beschermingsinrichtingen hetzij in de vaste stroomopwaartse elektrische installatie, hetzij in de laadinrichting (of een combinatie van beide).

De figuren 7.17. tot 7.20. geven ter verduidelijking enkele mogelijke configuraties weer. Deze zijn niet limitatief:

Figuur 7.17Laadinrichting met één verbindingspunt “voertuigconnector” dat deel uitmaakt van de laadinrichting (overstroombeschermingsinrichting van de toegekende stroombaan geïntegreerd in het schakel- en verdeelbord)
Figuur 7.18Laadinrichting met twee verbindingspunten “laadpaalcontactdozen” die deel uitmaken van de laadinrichting (overstroombeschermingsinrichtingen van de toegekende stroombanen geïntegreerd in de laadinrichting)
Figuur 7.19Laadinrichting met twee verbindingspunten “voertuigconnectoren” die deel uitmaken van de laadinrichting (overstroombeschermingsinrichtingen van de toegekende stroombanen geïntegreerd in het schakel- en verdeelbord)
Figuur 7.20Laadinrichting met twee verbindingspunten “laadpaalcontactdozen” die deel uitmaken van de laadinrichting (overstroombeschermingsinrichtingen van de toegekende stroombanen geïntegreerd in de laadinrichting)

7.22.4Beschermingsmaatregelen

7.22.4.1Bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking

Ten minste een van volgende beschermingsmaatregelen is van toepassing:

  1. a.

    Passieve bescherming zonder automatische onderbreking van de voeding

    De toegekende stroombaan wordt beschermd door middel van een veiligheidsscheiding van de stroombanen overeenkomstig punt c. van onderafdeling 4.2.3.3. , en door middel van een beschermingstransformator.

  2. b.

    Actieve bescherming met automatische onderbreking van de voeding

    Toepassen van een TN-C-netsysteem voor de toegekende stroombaan is verboden.

    Elke toegekende stroombaan in wisselstroom wordt individueel door een differentieelstroombeschermingsinrichting met een differentiële aanspreekstroom van ten hoogste 30mA beschermd.

    Het verbindingspunt wordt dus beschermd:

    1. 1.

      hetzij door een differentieelstroombeschermingsinrichting die zo is gebouwd dat haar werking gegarandeerd blijft bij het ontstaan van een isolatiefout met een verstorende gelijkstroomcomponent;

    2. 2.

      hetzij door een differentieelstroombeschermingsinrichting samen en in coördinatie met een detectieapparaat voor residuele gelijkstroom die de laadinrichting uitschakelen bij het ontstaan van een isolatiefout met een verstorende gelijkstroomcomponent.

      Aan de in de tweede en derde alinea bedoelde vereiste wordt voldaan door gebruik te maken van de eerder vermelde beschermingsinrichtingen hetzij in de vaste stroomopwaartse elektrische installatie, hetzij in de laadinrichting (of een combinatie van beide).

      In geval van een IT-netsysteem, is het toegelaten dat:

    3. 1.

      de in de tweede alinea bedoelde differentieelstroombeschermingsinrichting achterwege wordt gelaten, op voorwaarde dat elke toegekende stroombaan afzonderlijk gevoed wordt door een individuele elektrische bron zoals bijvoorbeeld een scheidingstransformator;

    4. 2.

      meerdere toegekende stroombanen permanent worden bewaakt door een enkel toestel overeenkomstig de voorschriften van punt d.2. van onderafdeling 4.2.3.4. , indien deze stroombanen worden gevoed door dezelfde elektrische energiebron zoals bijvoorbeeld een transformator. Aan deze vereiste wordt voldaan door gebruik te maken van dit toestel hetzij in de vaste stroomopwaartse elektrische installatie, hetzij in de laadinrichting. Dit toestel activeert een waarschuwingssignaal, totdat de nodige maatregelen zijn genomen om een eerste massa- of aardfout op te sporen. Zodra dit toestel het bestaan van deze fout meldt, worden zonder uitstel de noodzakelijke maatregelen getroffen om de foutieve toestand te verhelpen.

7.22.4.2Bescherming tegen overstroom

Elke toegekende stroombaan wordt individueel beschermd door een aangepaste beschermingsinrichting tegen overstroom.

Hieraan wordt voldaan door gebruik te maken van een aangepaste beschermingsinrichting tegen overstroom die beantwoordt aan de voorschriften van hoofdstuk 4.4. en die hetzij in de vaste stroomopwaartse elektrische installatie, hetzij in de laadinrichting (of een combinatie van beide) geplaatst wordt.

In afwijking van de 1ste alinea is het toegelaten dat, indien de laadinrichting meerdere verbindingspunten heeft die niet tegelijkertijd worden gebruikt, deze laatste over gemeenschappelijke beschermingsinrichtingen tegen overstroom beschikken, op voorwaarde dat dergelijke inrichtingen de vereiste bescherming bieden voor elk verbindingspunt (bijvoorbeeld: de toegekende stroom van de gemeenschappelijke beschermingsinrichting is niet groter dan de laagste toegekende stroom van de verbindingspunten).

7.22.5Keuze en gebruik van elektrisch materieel

7.22.5.1Uitwendige invloeden

De laadinrichting wordt beschermd tegen de te verwachten uitwendige invloeden van de ruimte waarin de laadinrichting wordt geplaatst.

Als de laadinrichting in open lucht wordt geïnstalleerd, beschikt het materieel over een beschermingsgraad van ten minste IP44.

Ter aanvulling op de maatregelen tegen de te verwachten uitwendige invloeden, worden er bijkomende maatregelen getroffen ter bescherming tegen mechanische belastingen veroorzaakt door elke redelijkerwijs te verwachten aanrijding.

7.22.5.2Elektrische noodonderbreking

De laadinrichtingen ondergebracht in een gebouw zijn voorzien van een elektrische noodonderbreking overeenkomstig punt c. van onderafdeling 5.3.3.1. Elk bedieningsorgaan van de elektrische noodonderbreking wordt zichtbaar opgesteld, duidelijk gesignaleerd, is gemakkelijk bereikbaar en vlot bedienbaar, en wordt voorzien aan elke voertuigeninrit tot de gemeenschappelijke parkeerplaats, tenzij de opdrachtgever, vóór het ontwerp en de uitvoering van de installatie, in overleg met de brandweer een andere opstellingsplaats bepaalt. Het advies van de brandweer wordt bewaard in het dossier van de elektrische installatie en ter plaatse ter beschikking gehouden van eenieder die belast is met het uitvoeren van bouw-, onderhouds-, toezichts- of controlewerkzaamheden.

De elektrische noodonderbreking verzekert een lastscheidingsfunctie.

Deze onderafdeling is niet van toepassing op laadinrichtingen die deel uitmaken van de elektrische installatie van een wooneenheid.

7.22.5.3Verbindingspunt

Het verbindingspunt wordt zo dicht mogelijk bij de parkeerlaadplaats van het elektrisch voertuig geplaatst.

Een verbindingspunt wordt slechts met één elektrisch voertuig tegelijkertijd elektrisch verbonden.

7.22.5.4Decentrale laagspanning productie-eenheden

In geval dat de laadinrichting elektrische energie in de vaste stroomopwaartse elektrische installatie kan terugleveren:

  1. 1.

    is het noodzakelijk om aan de voorschriften te beantwoorden die van toepassing zijn op decentrale productie-eenheden, namelijk voor de bescherming tegen elektrische schokken, de bescherming tegen overstroom en de veiligheidsonderbreking;

  2. 2.

    wordt de waarschuwing: “Opgelet: mogelijke teruglevering van elektrische energie in de installatie” aangebracht op de laadinrichting(en) en het (de) schakel- en verdeelbord(en) die erdoor gevoed worden.

7.22.5.5Ruimte van laadinrichtingen en hun bijhorende parkeerplaatsen

Laadinrichtingen en hun bijhorende parkeerplaatsen zijn niet gelegen in ruimten die door uitwendige invloed BE3 worden gekenmerkt.

7.100Fonteinen en andere waterkommen

7.100.1Toepassingsgebied

De algemene voorschriften van de andere delen van dit Boek zijn van toepassing op de bijzondere installaties en ruimten behandeld in dit hoofdstuk 7.100. De voorschriften van dit hoofdstuk vullen deze algemene eisen aan.

De bijzondere voorschriften van dit hoofdstuk zijn van toepassing op fonteinen en andere waterkommen die ontoegankelijk zijn gemaakt voor personen door middel van materiële elementen die voldoende stevig en aangepast zijn. Deze voorschriften zijn ook van toepassing op de aanpalende volumes.

Voor de fonteinen en de andere waterkommen die toegankelijk zijn voor personen zijn de voorschriften met betrekking tot zwembaden ( hoofdstuk 7.2 .) van toepassing.

7.100.2Bepaling van de algemene karakteristieken - Classificatie van de volumes

Volume 0: het inwendig volume van de kom, zijn openingen in de wanden of de bodem, en het inwendig volume van cascades of van fonteinen.

Volume 1: het volume begrensd door:
  • het volume 0;

  • het verticaal oppervlak gelegen op 2 m van de rand van de kom;

  • de grond,

  • het horizontaal vlak gelegen op 2,5 m boven de grond of boven het oppervlak waar personen zich kunnen bevinden.

Wanneer in de fonteinen of andere waterkommen structurele elementen aanwezig zijn waar personen zich kunnen bevinden, is het volume 1 begrensd door:

  • een verticaal oppervlak gelegen op 1,5 m rond voormelde structurele elementen;

  • het horizontaal vlak gelegen op 2,5 m boven het hoogste niveau waar personen zich kunnen bevinden.

De aanwezigheid van vaste wanden met een minimum hoogte van 2,5 m heeft een begrenzende invloed op het hierboven vermelde volume 1.

Er bestaat geen volume 2.

7.100.3Bescherming tegen elektrische schokken

7.100.3.1Bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking bij gebruik van zeer lage veiligheidsspanning

Wanneer de bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking in de volumes 0 en 1 verzekerd wordt door het gebruik van zeer lage veiligheidsspanning is haar maximumspanning gelijk aan 50 V wisselspanning, 75 V gelijkspanning met rimpel of 120 V gelijkspanning zonder rimpel.

7.100.3.2Bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking - Beschermingsgraad van het elektrisch materieel

De bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking in de volumes 0 en 1 wordt verzekerd door het gebruik van isolatie, hindernissen of omhulsels.

De beschermingsgraad van het elektrisch materieel is ten minste:
  • IPX7/IPX8 in het volume 0;

  • IPX5 in het volume 1.

7.100.3.3Veiligheidsscheiding van de stroombanen

Wanneer de beschermingsmaatregel tegen elektrische schokken door middel van veiligheidsscheiding van de stroombanen toegepast wordt, mag een beschermingstransformator slechts één enkel toestel voeden.

7.100.3.4Bijkomende equipotentiaalverbinding

Een bijkomende equipotentiaalverbinding (zie onderafdeling 4.2.3.2. ), uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van onderafdeling 5.4.4.2. , verbindt alle vreemde gelijktijdig genaakbare geleidende delen en massa’s van het elektrisch materiaal in de volumes 0 en 1 met uitzondering van de massa’s van het elektrisch materieel op zeer lage veiligheidsspanning.

7.100.4Keuze en ingebruikname van elektrisch materieel

7.100.4.1Elektrische leidingen

In de volumes 0 en 1 moeten de elektrische leidingen beperkt worden tot deze noodzakelijk voor de voeding van het elektrisch materieel binnen deze volumes.

Verbindingsdozen van elektrische leidingen en contactdozen zijn verboden in de volumes 0 en 1. Voor de stroombanen op ZLVS zijn zij echter toegelaten in volume 1.

7.100.4.2Elektrisch materieel

  1. a.

    Verlichtingstoestellen

    In de volumes 0 en 1 zijn verlichtingstoestellen toegelaten op voorwaarde dat ze door één van de volgende maatregelen beschermd zijn:

    • voeding op ZLVS overeenkomstig de waarden van onderafdeling 7.100.3.1. Het voedingstoestel voor deze ZLVS moet zich buiten de volumes 0 en 1 bevinden;

    • automatische onderbreking van de voeding door een differentieelstroombeschermingsinrichting met grote of zeer grote gevoeligheid;

    • individuele veiligheidsscheiding volgens de voorschriften van punt c. van onderafdeling 4.2.3.3 . Het voedingstoestel moet zich buiten de volumes 0 en 1 bevinden.

    De verlichtingstoestellen in de volumes 0 en 1 moeten vast opgesteld en voorzien zijn van een mechanische bescherming (uitwendige invloed AG2) die enkel met behulp van gereedschap kan worden verwijderd.

    De verlichtingstoestellen in volume 0, geplaatst achter vaste vensters en gevoed buiten het volume 0, moeten zodanig worden geïnstalleerd dat geen enkel galvanisch contact tussen de massa van de verlichtingstoestellen en de geleidende delen van de vensters kan ontstaan.

  2. b.

    Andere elektrische toestellen

    In de volumes 0 en 1 zijn enkel pompen en het elektrisch materieel aangehaald in voormelde punten toegelaten.

    De pompen zijn beschermd door één van de beschermingswijzen aangehaald in punt a.

    Indien het elektrisch materieel geplaatst is in een kabelkanaal of technische ruimte in het volume 1:

    • is er enkel toegankelijkheid voor het dienst- en onderhoudspersoneel;

    • is er automatische afschakeling van de spanning op alle niet-beschermde actieve delen die toevallig kunnen worden aangeraakt op het ogenblik van het wegnemen of openen van omhulsels;

    • mag dit kanaal of deze ruimte niet onder water kunnen lopen.

7.101Voertuigen of aanhangwagens voor wegvervoer tijdens het stationeren

7.101.1Toepassingsgebied

De algemene voorschriften van de andere delen van dit Boek zijn van toepassing op de bijzondere installaties en ruimten behandeld in dit hoofdstuk 7.101. De voorschriften van dit hoofdstuk vullen deze algemene eisen aan.

De bijzondere voorschriften van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de voeding van elektrische uitrusting geplaatst op motorvoertuigen of aanhangwagens voor wegvervoer gedurende het stationeren.

7.101.2Bescherming tegen elektrische schokken

De voeding van de elektrische uitrusting, geplaatst op motorvoertuigen of aanhangwagens voor wegvervoer, moet gedurende het stationeren op één van volgende wijzen geschieden:

  • door een generator op het voertuig of de aanhangwagen zelf. Alle massa’s van elektrische toestellen en machines moeten onderling verbonden zijn. De generator mag geen elektrische toestellen en machines buiten het voertuig of de aanhangwagen voeden tenzij de massa’s van deze toestellen en machines elektrisch verbonden zijn met deze van het voertuig of de aanhangwagen;

  • door een openbaar verdeelnet door middel van een beschermingstransformator of door een motorgeneratorgroep die gelijkwaardige veiligheidswaarborgen biedt;

  • rechtstreeks door een openbaar verdeelnet op voorwaarde dat het elektrisch materieel van het voertuig of de aanhangwagen beschermd is door een differentieelstroombeschermingsinrichting met grote, of zeer grote gevoeligheid. De massa’s van het op het voertuig of de aanhangwagen geïnstalleerd elektrisch materieel zijn verbonden met een aardverbinding waarvan de spreidingsweerstand niet groter is dan 800 .

Bij gebruik van de voedingssystemen aangehaald in het 2e en 3e streepje hiervoor, is de ingang van de soepele elektrische voedingsleiding op het voertuig of de aanhangwagen zodanig uitgevoerd dat geen isolatiefout kan ontstaan waarbij het risico ontstaat dat de metalen massa van het voertuig of de aanhangwagen onder spanning komt, bijvoorbeeld door het gebruik van een ingang van isolerend materiaal rond de kabel geklemd of door het gebruik van een toestelcontactdoos.

7.102Bescherming tegen explosiegevaar in explosieve atmosferen

7.102.1Toepassingsgebied

De algemene voorschriften van de andere delen van dit Boek zijn van toepassing op de bijzondere installaties en ruimten behandeld in dit hoofdstuk 7.102. De voorschriften van dit hoofdstuk vullen deze algemene eisen aan.

De bijzondere voorschriften van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de elektrische installaties in de hierna gedefinieerde gevaarlijke ruimten.

Deze bepalingen zijn niet van toepassing op het gebruik van gastoestellen waarop de voorschriften van de Verordening (EU) 2016/426 van het Europees parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende gasverbrandingstoestellen en tot intrekking van Richtlijn 2009/142/EG van toepassing zijn.

7.102.2Begrippen en definities

Atmosferische omstandigheden : omgevingsomstandigheden waarbij de druk kan variëren tussen 80 kPa (0,8 bar) en 110 kPa (1,1 bar) en de temperatuur tussen −20 °C en +40 °C (gas) en + 60 °C (stof) en waar het zuurstofgehalte 21 ± 1 volumeprocent bedraagt.

Explosieve atmosfeer : een mengsel van lucht en ontvlambare substanties in de vorm van gas, dampen, nevels of stofdeeltjes, onder atmosferische omstandigheden waarin de verbranding zich na ontsteking uitbreidt tot het gehele niet-verbrande mengsel.

Gevaarlijke ruimte : een ruimte in dewelke een explosieve atmosfeer aanwezig is of aanwezig kan zijn in die mate dat bijzondere voorzorgen dienen genomen te worden voor de bouw, de installatie en het gebruik van elektrisch materieel, om de bescherming van personen en goederen te verzekeren tegen de gevaren welke inherent zijn aan een explosieve atmosfeer.

Niet-gevaarlijke ruimte : een ruimte in dewelke geen explosieve atmosfeer in voldoende hoeveelheid verwacht wordt om het nemen van bijzondere voorzorgen noodzakelijk te maken voor de bouw, de installatie en het gebruik van elektrisch materieel.

Emissiebron : punt of plaats waar zich een emissie van een ontvlambare substantie kan voordoen. Lagen, afzettingen en ophopingen van brandbaar stof worden eveneens als emissiebronnen beschouwd.

7.102.3Algemene preventiemaatregelen

In de gevaarlijke ruimten of in hun nabijheid worden maatregelen getroffen om:

  • de gevaarlijke ruimten en hun uitgestrektheid tot een strikt minimum te beperken;

  • het gebruik van elektrisch materieel in deze ruimten zo veel als mogelijk te beperken;

  • te vermijden dat het elektrisch materieel aanleiding zou geven tot de ontsteking van de eventueel aanwezige explosieve atmosfeer;

  • de storingen en incidenten te beperken welke aanleiding kunnen geven tot een explosieve atmosfeer.

De storingen en de incidenten die het ontstaan van een explosieve atmosfeer kunnen veroorzaken worden ingedeeld als al dan niet deel uitmakend van het normaal bedrijf, op basis van de elementen van de risicoanalyse en de risico-evaluatie, in het bijzonder op basis van hun frequentie en de duur tijdens welke elk van deze explosieve atmosferen kan blijven bestaan.

7.102.4Indeling gevaarlijke ruimten

Gevaarlijke ruimten worden op basis van de frequentie en duur van het optreden van een explosieve atmosfeer als volgt in zones ingedeeld:

Zone 0 : een ruimte waar een explosieve atmosfeer, bestaande uit een mengsel van brandbare stoffen in de vorm van gas, damp of nevel met lucht voortdurend, gedurende lange perioden of herhaaldelijk aanwezig is.

Zone 1 : een ruimte waar een explosieve atmosfeer, bestaande uit een mengsel van brandbare stoffen in de vorm van gas, damp of nevel met lucht, onder normaal bedrijf waarschijnlijk af en toe aanwezig kan zijn.

Zone 2 : een ruimte waar de aanwezigheid van een explosieve atmosfeer, bestaande uit een mengsel van brandbare stoffen in de vorm van gas, damp of nevel met lucht, onder normaal bedrijf niet waarschijnlijk is en waar, wanneer dit toch gebeurt, het verschijnsel van korte duur is.

Zone 20 : een ruimte waar een explosieve atmosfeer, in de vorm van een wolk brandbaar stof in lucht voortdurend, gedurende lange perioden of herhaaldelijk, aanwezig is.

Zone 21 : een ruimte waar een explosieve atmosfeer, in de vorm van een wolk brandbaar stof in lucht, in normaal bedrijf af en toe aanwezig kan zijn.

Zone 22 : een ruimte waar de aanwezigheid van een explosieve atmosfeer in de vorm van een wolk brandbaar stof in lucht bij normaal bedrijf niet waarschijnlijk is en wanneer dit toch gebeurt, het verschijnsel van korte duur is.

7.102.5Vaststelling van de zones

Voorafgaandelijk aan de vaststelling van de zones en van hun uitgestrektheid, vergewist de uitbater zich ervan dat de gegevens die nodig zijn voor hun vaststelling, beschikbaar zijn in overeenstemming met punten a. tot k. hieronder.

Bij de indeling van de gevaarlijke ruimten wordt ten minste rekening gehouden met:

  1. a)

    het type van de installatie, de aard van de activiteit en de toegepaste procedés;

  2. b)

    de werkomstandigheden en de gebruikte uitrustingen;

  3. c)

    de karakteristieken van de ontvlambare gasvormige substanties, in het bijzonder de concentratie, de relatieve dichtheid, de minimale ontstekingstemperatuur, de minimale ontstekingsenergie, de dampdruk, de ontploffingsgrenzen...;

  4. d)

    de karakteristieken van de brandbare substanties onder de vorm van stof, in het bijzonder de korrelgrootteverdeling en hun concentratie in de lucht, de vochtigheidsgraad, de zelfontbrandingstemperatuur, de minimale ontstekingstemperatuur, de minimale ontstekingsenergie, de ontploffingsgrenzen...;

  5. e)

    de plaats en de karakteristieken (debiet, frequentie en duur van de emissie...) van de emissiebronnen en de hoeveelheid geloosde brandbare substantie;

  6. f)

    de aanwezigheid van hindernissen (wanden, daken...) die de verdunning en de verspreiding van de brandbare substantie kunnen beïnvloeden en de aanwezigheid van ruimten (holten, elektrische leidingen...) waarin de brandbare substantie zich kan ophopen of zich gemakkelijk kan verplaatsen;

  7. g)

    de openingen in de hindernissen vermeld in punt. f ;

  8. h)

    de doeltreffendheid van de afdichtingen;

  9. i)

    het drukverschil tussen:

    • de gevaarlijke ruimten;

    • de gevaarlijke ruimten en de niet-gevaarlijke ruimten;

  10. j)

    lagen, ophopingen van brandbaar stof en hun cumulatief effect;

  11. k)

    de kenmerken van natuurlijke en/of kunstmatige ventilatie alsook de luchtverplaatsing die de vorming van stofwolken tot gevolg kan hebben.

    Indien de kunstmatige ventilatie van belang is voor de vaststelling van de zonetypes en/of hun uitgestrektheid, dient rekening te worden gehouden met de bedrijfszekerheid ervan.

    De vaststelling van de zones en van hun begrenzing is gesteund op:

    • ofwel berekeningen;

    • ofwel metingen;

    • ofwel ervaring;

    • ofwel een combinatie van de hiervoor vermelde criteria.

    Indien een technische bedrijfseenheid het voorwerp is geweest van een indeling in gevaarlijke zones, mogen geen wijzigingen aan de uitrusting, noch aan de uitbatingsprocedures worden doorgevoerd zonder voorafgaandelijk de verantwoordelijken van de indeling van de gevaarlijke zones daarover te hebben geraadpleegd.

7.102.6Documenten

De gegevens welke vermeld zijn in afdeling 7.102.5. worden omschreven in een omstandig verslag en de geografische afmetingen van de zones worden daarenboven aangebracht op één of meerdere zoneringsplannen zoals bepaald in afdeling 3.1.2 .

Dit zoneringsverslag vermeldt de gegevens waarop de vaststelling van de zones en hun uitgestrektheid gesteund zijn, de besluiten en de verantwoording ervan.

Het zoneringsverslag en zoneringsplan zijn ten opzichte van elkaar identificeerbaar.

Deze documenten worden goedgekeurd en geparafeerd door de uitbater of zijn afgevaardigde en door de vertegenwoordiger van het erkend organisme bedoeld in hoofdstuk 6.3 . Elke wijziging van één van de parameters welke de indeling in zones heeft bepaald, geeft aanleiding tot het aanpassen van het zoneringsplan en van het zoneringsverslag, dat opnieuw wordt goedgekeurd en geparafeerd door de uitbater of zijn afgevaardigde en door de vertegenwoordiger van het erkend organisme.

7.102.7Keuze van de elektrische machines en toestellen en hun beveiligingssystemen

In de gevaarlijke ruimten worden de elektrische machines en toestellen en de beveiligingssystemen gekozen overeenkomstig de categorieën bepaald (volgens de datum van het op de markt brengen) hetzij in het koninklijk besluit van 22 juni 1999 hetzij in het koninklijk besluit van 21 april 2016 betreffende het op de markt brengen van apparaten en beveiligingssystemen bedoeld voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen.

Met name de volgende categorieën apparatuur worden in die zones gebruikt, mits zij geschikt zijn voor de betrokken gassen, dampen, nevels en/of het betrokken stof, naar gelang het geval:

  • in zone 0 en zone 20, categorie 1-apparatuur;

  • in zone 1 en zone 21, categorie 1- of categorie 2-apparatuur;

  • in zone 2 en zone 22, categorie 1-, categorie 2- of categorie 3-apparatuur.

In afwijking van het eerste en het tweede lid, mogen de elektrische machines en apparaten en de beveiligingssystemen die reeds vóór 30 juni 2003 in de Europese Unie voor de eerste maal in de handel werden gebracht, niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van het koninklijk besluit van 22 juni 1999 mits zij aan elk van de drie volgende voorwaarden voldoen:

  • de geïnstalleerde elektrische machines en apparaten en de beveiligingssystemen beantwoorden aan de voorschriften van het koninklijk besluit van 12 augustus 1981 tot vaststelling van de veiligheidswaarborgen die het elektrisch materieel, bestemd voor gebruik in explosieve omgeving, evenals de stopcontacten voor huishoudelijk gebruik en de voedingsinrichtingen voor elektrische afsluitingen moeten bieden;

  • de risico-evaluatie toont aan dat ze veilig gebruikt kunnen worden;

  • de risico-evaluatie is goedgekeurd door een erkend organisme dat eveneens geaccrediteerd is voor de controles van elektrische installaties in zones met explosiegevaar.

Het elektrisch materieel moet karakteristieken hebben die aangepast zijn aan de aanwezige uitwendige invloeden.

Het elektrisch materieel wordt zo gekozen dat de maximale oppervlaktetemperatuur van hun onderdelen geen aanleiding kan geven tot de ontsteking van de eventueel aanwezige stoflaag.

Bijzondere aandacht moet worden verleend aan mogelijke reacties van het elektrisch materieel ten opzichte van aanwezige scheikundige producten.

Bij de keuze van elektrisch materieel wordt rekening gehouden met de indicaties op de signalisatieplaat en met de gebruiksaanwijzing vermeld (volgens de datum van het op de markt brengen) hetzij in het koninklijk besluit van 22 juni 1999 hetzij in het koninklijk besluit van 21 april 2016, bijvoorbeeld de letters G (gas) en D (stof), de gasgroepen IIA-IIB-IIC, de temperatuurklasse T1 tot T6.

Op elke elektrische machine en toestel en elk beveiligingssysteem dienen, goed leesbaar en onuitwisbaar, ten minste de volgende gegevens te zijn aangebracht:

  • de naam van de fabrikant;

  • de CE-markering, gevolgd door de identificatie van de fabrikant en eventueel van de aangemelde instantie;

  • de specifieke explosiebeveiligingsmarkering gevolgd door het symbool van de apparatengroep en de categorie, gevolgd voor apparaten van groep II door de letter «G» voor explosieve omgevingen te wijten aan de aanwezigheid van gas, damp of nevel en/of de letter «D» voor explosieve omgevingen te wijten aan de aanwezigheid van stof; voorbeelden:

  • de onmisbare gegevens voor de gebruiksveiligheid; voorbeelden:

    • EEx de IIB, T4

    • ExtD 22 T 135°C

    • «NIET OPENEN ONDER SPANNING»

Wanneer verschillende brandbare producten worden gebruikt in hetzelfde lokaal of in eenzelfde deel ervan, wordt rekening gehouden met de strengste graad voor elke parameter.

Indien de explosieve atmosfeer te wijten is aan de aanwezigheid van geleidend stof (soortelijke weerstand  103 m) dienen de elektrische apparaten ten minste van de categorie 2D te zijn.

De uitbater moet aan de met toezicht belaste ambtenaren en aan het erkend organisme belast met de gelijkvormigheidscontrole vóór de ingebruikname de nodige documenten kunnen voorleggen zodat nagegaan kan worden of het elektrisch materieel aangepast is aan de gebruiksomstandigheden en zonder gevaar kan worden gebruikt.

Het betreft onder andere:

  • voor elektrisch materieel waarvan het certificaatnummer wordt gevolgd door het achtervoegsel X, de documenten die de gebruiksvoorwaarden en/of installatiespecificaties bevatten;

  • voor intrinsiek veilige systemen waarvoor geen certificaat bestaat voor de volledige stroombaan, een systeembeschrijving opgesteld door de systeemontwerper;

  • de hierboven vermelde gebruiksaanwijzing.

7.102.8Installeren van elektrisch materieel

7.102.8.1Algemeenheden

Het installeren en onderhouden van elektrische machines of toestellen, gebouwd volgens één van de in afdeling 7.102.7. vermelde categorieën dient te geschieden door gewaarschuwd (BA4) of vakbekwaam (BA5) personeel dat de bijzondere vereisten voor installatie en onderhoud eigen aan dit materieel kent.

Elektrisch materieel moet zo geïnstalleerd worden dat de dissipatie van de warmte, bij normaal gebruik voortgebracht door het elektrisch materieel, niet gehinderd wordt.

Elektrisch materieel moet worden geïnstalleerd volgens de in afdeling 7.102.7. vermelde gebruiksaanwijzing.

Bijzondere aandacht moet worden geschonken aan het thermisch vermogen gedissipeerd door materieel zoals transformatoren, weerstanden, klemmenstroken, lampen, smeltzekeringen...

Indien natuurlijke verluchting niet volstaat om een gevaarlijke warmteconcentratie te vermijden moet een gepast koelsysteem voorzien worden. Als voor het elektrisch materieel de toelaatbare temperaturen overschreden worden moet dit materieel buiten spanning gesteld worden.

Motoren die bij variabele frequentie en spanning worden gevoed, moeten aan een van de volgende eisen voldoen:

  1. a)

    ofwel is de motor voorzien:

    • van een beveiligingsinrichting die de motor uitschakelt vóór de toelaatbare oppervlaktetemperatuur overschreden wordt, door middel van temperatuursensoren die in de motor ingebouwd zijn en in de documentatie ervan gespecificeerd worden;

    • of van andere efficiënte middelen om zijn oppervlaktetemperatuur te beperken tot een waarde die de toelaatbare oppervlaktetemperatuur niet overtreft.

    • In deze gevallen hoeft de combinatie van de motor en de omvormer niet samen beproefd te worden;

  2. b)

    ofwel maakt het geheel gevormd door de motor, de omvormer en de beveiligingsinrichting het voorwerp uit van een verklaring van overeenstemming.

7.102.8.2Installeren en onderhouden van elektrische machines en toestellen

Elektrische machines en toestellen zijn zodanig opgesteld of afgeschermd dat de stofnederzetting zoveel mogelijk wordt beperkt en dat de reiniging gemakkelijk kan worden uitgevoerd.

Het installeren en onderhouden zijn volgens de regels van goed vakmanschap uitgevoerd met naleving van de bepalingen van de gebruiksaanwijzing. Een bijzondere aandacht wordt besteed aan de hieronder vermelde punten.

  1. a.

    Beschermingsmethode «d»

    De drukvaste verbindingen (flenzen) tussen de drukvaste behuizingen (EExd) en hun verwijderbare delen (deksels) moeten zijn beschermd tegen corrosie.

    Het gebruik van pakkingen is enkel toegelaten wanneer de documentatie bij het materieel hierin voorziet.

    Vervanging van onderdelen (bv. lampen, bouten, kogellagers...) mag enkel geschieden d.m.v. onderdelen met dezelfde kenmerken.

  2. b.

    Beschermingsmethode «e»

    Voor kooiankermachines en synchrone machines die niet door een frequentieregelaar of door een softstarter zijn bestuurd moeten de keuze en de regeling van de beschermingsinrichtingen in functie van de maximale opwarmingstijd « t E» en de aanloopstroomverhouding I A/ I N aangegeven op de identificatieplaat uitgevoerd worden.

    > Als de tijd t E niet kan gerespecteerd worden, dienen geschikte alternatieve beschermingsmiddelen te worden toegepast.

  3. c.

    Beschermingsmethode «i»

    Intrinsiek veilige stroombanen dienen derwijze te worden geïnstalleerd dat de in het systeem opgeslagen energiewaarde geen aanleiding kan geven tot een ontsteking van de aanwezige explosieve atmosfeer. De bescherming tegen het binnendringen van energie vanuit de omgeving wordt gewaarborgd.

    De parameters van de samenstellende delen van intrinsiek veilige stroombanen (EExi) dienen op elkaar te zijn afgestemd ten einde de vrijwaring van de beschermingswijze te waarborgen. De maximum toegelaten waarden worden ontleend aan de bij het materieel behorende documentatie.

    Wanneer meerdere intrinsiek veilige stroombanen galvanisch met elkaar tot een systeem verbonden worden, moet ook het samenstel van elektrische parameters voldoen aan de eisen van intrinsieke veiligheid.

    De ontwerper stelt een beschrijvend document op over het systeem waarin de onderdelen van elektrisch materieel en de elektrische parameters van het systeem, met inbegrip van de elektrische leidingen, worden beschreven.

    Bijhorend materieel van intrinsiek veilige stroombanen moet bij voorkeur buiten de gevaarlijke ruimten worden aangebracht, zo niet moet het uitgerust zijn met een andere beschermingswijze.

    De aarding van de omhulsels en de intrinsiek veilige stroombanen dient te worden uitgevoerd overeenkomstig de regels van goed vakmanschap.

  4. d.

    Beschermingsmethode «p»

    De aanvoer- en afvoerkanalen van beschermingsgassen ten behoeve van elektrische machines en toestellen uitgevoerd volgens de beschermingswijze door interne overdruk (EExp) zijn ontworpen voor een overdruk van:

    • ofwel 1,5 maal de door de fabrikant van het materieel opgegeven maximale overdruk onder normaalbedrijf;

    • ofwel de maximale overdruk die de overdrukbron kan bereiken wanneer alle uitgangen zijn gesloten en dit met een minimum van 200 Pa (2 mbar).

    De voor de kanalen gebruikte materialen zijn bestand tegen de uitwerking van zowel het gebruikte beschermingsgas als de gassen of dampen aanwezig in de beschouwde gevaarlijke ruimten.

    De plaatsen waar het beschermingsgas in de aanvoerkanalen wordt aangezogen moeten zich buiten de gevaarlijke ruimten bevinden.

    De aanzuigkanalen waarvan de druk van het beschermingsgas lager is dan de atmosferische druk moeten hermetisch zijn.

    De afvoerkanalen die uitmonden in een zone 1 moeten voorzien zijn van een vonkenvanger.

    Dit geldt tevens voor de afvoerkanalen in een zone 2, wanneer bij het te beschermen materieel onder normale bedrijfsomstandigheden vonken kunnen vrijkomen.

    Ter plaatse samengebouwde overdruksystemen (EExp) dienen veiligheidswaarborgen te bieden gelijkwaardig aan de bijzondere voorschriften van de desbetreffende door de Koning bekrachtigde normen of komen overeen met bepalingen die een ten minste gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.

  5. e.

    Beschermingsmethode «o»

    Maatregelen zijn genomen (opstelling, zuiverheid) opdat het oliepeil van de niveauaanwijzer op een correcte en veilige wijze kan worden afgelezen.

7.102.8.3Herstelling van elektrische machines en toestellen

Elke herstelling van elektrische machines of toestellen wordt uitgevoerd door:

  • hetzij de fabrikant;

  • hetzij een gespecialiseerde werkplaats onder toezicht van de fabrikant of het erkend organisme bedoeld in hoofdstuk 6.3 .

Wanneer de herstelling geen wijziging van de beschermingskenmerken voor gevolg heeft van de herstelde elektrische machine of het herstelde toestel, levert de hersteller een document af dat deze niet-wijziging bevestigt.

Wanneer de herstelling een wijziging van de beschermingskenmerken voor gevolg heeft, zal de herstelde elektrische machine of toestel worden onderworpen aan een nieuw conformiteitsonderzoek volgens de procedure bepaald in bijlage 9 (volgens de datum van het op de markt brengen) hetzij van het koninklijk besluit van 22  juni 1999 hetzij van het koninklijk besluit van 21 april 2016 keuring per eenheid.

7.102.8.4Installeren van elektrische leidingen

In de mate van het mogelijke dienen elektrische leidingen die niet geassocieerd zijn aan uitrustingen onderbracht in explosiegevaarlijke ruimten te worden geweerd uit deze ruimten.

Voor vaste aanleg moeten de elektrische leidingen en de bijbehoren zo zijn geïnstalleerd dat zij niet worden blootgesteld aan mechanische (schokken, trillingen...) thermische of chemische (corrosie...) invloeden.

Voor draagbare of verplaatsbare machines en toestellen zijn gebruikt:

  • kabel met een versterkte polychloropreenmantel;

  • kabel met een versterkte mantel uit synthetisch elastomeer;

  • kabel met een versterkte rubbermantel;

  • kabel met een gelijkwaardige mechanische bescherming.

In de explosieve stofzones, zijn de leidingaanlegsystemen (kabelbanen, kabelkanalen...) zodanig opgesteld of afgeschermd dat de stofophoping zoveel mogelijk wordt beperkt en dat de reiniging gemakkelijk kan worden uitgevoerd.

Constructieve en/of organisatorische maatregelen worden genomen tegen de accumulatie van gas en/of stof en de uitbreiding van explosiegevaarlijke gebieden via doorgaande leidingen (installatiebuizen, kokers, kabelgoten of -kanalen) en om te vermijden dat explosiegevaarlijke gas en/of stof er zich kunnen in opstapelen of doorgang verkrijgen.

De doorgaande leidingen zijn voorzien van afdichtingsmiddelen op de plaatsen waar deze een gevaarlijke ruimte binnengaan of verlaten.

Met uitzondering van de onafhankelijke beschermingsgeleiders (PE), mogen geïsoleerde geleiders niet worden toegepast voor actieve geleiders, tenzij deze worden ondergebracht in schakel- en verdeelborden, behuizingen of systemen opgebouwd uit installatiebuizen rekening houdend met de bepalingen van punt g. van onderafdeling 5.2.9.3 .

Indien stof zich in laagvorm op elektrische leidingen kan afzetten en de warmteafgifte van de elektrische leidingen kan verstoren moet de onder normale bedrijfsomstandigheden vooropgestelde maximum toelaatbare stroomsterkte I z worden verlaagd tot 0,8 I z.

Wanneer voor draagbaar en verplaatsbaar materieel een metalen buigzame wapening of afscherming in de kabel is geïntegreerd, mag dit niet de enige beschermingsgeleider zijn.

De geïsoleerde geleiders en kabels moeten aan de eisen van onderafdeling 5.2.7.3. beantwoorden, met uitzondering van de geïsoleerde geleiders en kabels bedoeld in onderafdelingen 5.2.7.1.

De toegepaste aansluittechnieken alsmede de aansluittoebehoren van elektrische leidingen (kabels en installatiebuizen) op elektrische machines en toestellen zijn derwijze gekozen dat de desbetreffende beschermingswijze en beschermingsgraad van de behuizing gewaarborgd blijven.

Ongebruikte openingen voor de invoer van elektrische leidingen moeten zijn afgesloten met afsluitmiddelen die aangepast zijn aan de desbetreffende beschermingswijze en beschermingsgraad.

Uitgezonderd voor intrinsiek veilig elektrisch materieel moeten de afsluitmiddelen enkel met behulp van gereedschappen kunnen worden verwijderd.

De leidinginvoeren in behuizingen gebruikt in de beschermingswijze drukvast (EExd) en verhoogde veiligheid (EExe) dienen te zijn gecertificeerd.

Om de maximale oppervlaktetemperatuur van de weerstandsverwarmingskabels te beperken, moeten deze en hun temperatuurbeveiligingstoestellen worden geïnstalleerd volgens de aanwijzingen vervat in de bijbehorende documentatie.

  1. a.

    Beschermingsmethode «d»

    Nadat de geleiders of kabels in de installatiebuizen zijn aangebracht, moeten de afdichtingen worden gevuld met een dichtingmassa die bij het uitharden niet krimpt en niet gasdoorlatend wordt. Deze afdichtingen moeten binnen een afstand van 450 mm van alle drukvaste omhulsels worden voorzien.

    Wanneer een omhulsel specifiek is ontworpen om op een elektrische leiding in buis te worden aangesloten, maar moet worden aangesloten op kabels, mag een drukvast verloopstuk met een buislengte van niet meer dan 150 mm met de buisinvoer van het omhulsel worden verbonden.

  2. b.

    Beschermingsmethode «e»

    De in behuizingen met de beschermingswijze verhoogde veiligheid (EExe) gebruikte aansluitklemmen dienen gecertificeerd te zijn.

    Niet-gebruikte geleiders dienen op vrije klemmen te worden aangesloten.

    Het aansluiten van meer dan één geleider op een aansluitklem is slechts toegestaan wanneer de documentatie bij het materieel hierin voorziet. Bijzondere aandacht dient te worden besteed bij het aansluiten van geleiders met verschillende doorsnede.

  3. c.

    Beschermingsmethode «i»

    Om het kortsluitrisico tussen aangrenzende geleiders tot een minimum te beperken moet de isolatie van elke geleider tot aan het metaal van de aansluitklemmen in stand gehouden zijn.

    Installaties met intrinsiek veilige stroombanen (EExi) moeten derwijze worden geïnstalleerd dat hun intrinsiek veilige eigenschappen niet nadelig worden beïnvloed door uitwendige elektrische of magnetische velden.

    Intrinsiek veilige elektrische leidingen zijn ruimtelijk gescheiden aangelegd van de niet-intrinsiek veilige elektrische leidingen.

    Deze bepaling geldt niet wanneer:

    • tussen de intrinsiek veilige en niet-intrinsiek veilige elektrische leidingen geaarde metalen schermen aanwezig zijn;

    • de intrinsiek veilige en niet-intrinsiek veilige elektrische leidingen door een geaard metalen tussenschot zijn gescheiden.

    Geleiders van intrinsiek veilige stroombanen en niet-intrinsiek veilige stroombanen mogen niet gemeenschappelijk ondergebracht worden in eenzelfde kabel.

    Indien schermen van intrinsiek veilige elektrische leidingen geaard zijn mag dit enkel in een punt van het scherm verwezenlijkt worden bij voorkeur in het niet-gevaarlijk gebied.

    Hiervan mag worden afgeweken indien:

    • er bijzondere redenen bestaan wegens de kenmerken van het scherm;

    • tussen elk uiteinde van de stroombaan een galvanische verbinding tot stand gebracht is met de plaatselijk aanwezige bijkomende potentiaalvereffeningsgeleider;

    • de aarding gebeurt via kleine condensatoren met een totale capaciteit van maximaal 10 nF.

    De wapening van de kabels moet met de aarde galvanisch verbonden worden. Aandacht dient hierbij geboden aan het voorkomen van circulatiestromen:

    • hetzij van een ontstekingsgevaarlijk niveau;

    • hetzij ontstekingsgevaarlijke vonken ter hoogte van de behuizinginvoersystemen.

    Intrinsiek veilige stroombanen zijn derwijze gemerkt dat ze duidelijk te onderscheiden zijn van niet-intrinsiek veilige stroombanen.

    Indien voor de markering een kleur wordt gebruikt moet dit de lichtblauwe kleur zijn.

    Wanneer door de aanwezigheid van andere blauwe geleiders of kabels het risico voor verwarring bestaat tussen de intrinsiek veilige en de niet-intrinsiek veilige stroombanen moeten alternatieve maatregelen met betrekking tot de markering worden genomen.

    De aansluitklemmen van de intrinsiek veilige stroombanen moeten duidelijk aangeduid zijn.

    De aansluitklemmen van de intrinsiek veilige stroombanen zijn gescheiden van de aansluitklemmen van nietintrinsiek veilige stroombanen door een tussenruimte van minimum 50 mm of door een isolerende scheidingsplaat of door een niet-isolerende, met de aarde verbonden scheidingsplaat.

    De afstanden:

    • tussen de blanke geleidende delen van de aansluitklemmen van intrinsiek veilige stroombanen;

    • tussen de blanke geleidende delen van de aansluitklemmen van intrinsiek veilige stroombanen en de blanke geleidende delen van de andere geleiders;

    • tussen de blanke geleidende delen van de aansluitklemmen van intrinsiek veilige stroombanen en de metalen geleidende delen die met de aarde zijn verbonden,

    • zijn zodanig dat elke mogelijkheid van contact wordt vermeden.

7.102.8.5Beschermingstoestellen tegen foutstromen

Het gebruik van een toestel voor automatische wederinschakeling voor beschermingsinrichtingen (vermogensschakelaar en differentieelstroombeschermingsinrichting) onder foutomstandigheden is verboden. Deze bepaling geldt niet voor het toestel voor automatische wederinschakeling gekoppeld met een vermogensschakelaar:

  • voor de stroombanen ondergebracht in een zone 22; of

  • als de noodzakelijke vertragingstijd voor de automatische wederinschakeling van de beschermingsinrichting rekening houdt met de veilige temperatuur van de elektrische machine of toestel.

Maatregelen zijn genomen om de werking van driefasige motoren bij het ontbreken van een lijngeleider te voorkomen.

7.102.8.6Elektrische noodonderbreking

Buiten de explosiegevaarlijke zones, zijn op doelmatig gekozen plaatsen inrichtingen voor elektrische noodonderbreking geplaatst, zoals voorzien in punt c. van onderafdeling 5.3.3.1., die in noodgevallen toelaten de voeding naar de zone te onderbreken.

Elektrisch materieel waarvan de werking moet worden gewaarborgd om extra gevaar te voorkomen, mag niet zijn aangesloten op de nooduitschakelaars.

7.102.9Bescherming tegen temperatuurverhoging en vonkvorming

7.102.9.1Algemeenheden

Constructieve maatregelen zijn genomen om te vermijden dat in ontploffingsgevaarlijke gebieden elektrische installaties oorzaak zijn van het ontstaan van gevaarlijke temperatuurverhogingen of vonken te wijten aan:

  • hetzij lek- of foutstromen;

  • hetzij zwerfstromen;

  • hetzij galvanisch contact met actieve delen;

  • hetzij elektrostatische ontladingen;

  • hetzij ontladingen veroorzaakt door kathodische beschermingsinstallaties.

Binnen een stofexplosiegevaarlijk gebied dient het insteken of uittrekken van stekkers spanningsloos te gebeuren.

7.102.9.2Lek- en foutstromen

Met betrekking tot de lek- of foutstromen zijn de hierna vermelde maatregelen genomen:

  1. a)

    de aanwending van een TN-C-netsysteem is verboden in eender welke zone van een ontploffingsgevaarlijk gebied;

  2. b)

    de aanwending van een TT-netsysteem is verboden in de zone 0 en 20 en toegelaten in de zones 1, 2, 21 en 22 mits toepassing van een differentieelstroombeschermingsinrichting. De differentiële aanspreekstroom van de differentieelstroombeschermingsinrichting is bepaald volgens de regels van goed vakmanschap met een waarde van maximum 300 mA en een niet-vertraagde uitschakeltijd;

  3. c)

    bij aanwending van een TN-S-netsysteem dient dit in eender welke zone te worden beschermd door een differentieelstroombeschermingsinrichting. De differentiële aanspreekstroom van de differentieelstroombeschermingsinrichting is bepaald volgens de regels van goed vakmanschap met een waarde van maximum 300 mA en een niet-vertraagde uitschakeltijd. In een TN-S-netsysteem is het toegelaten geen differentieelstroombeschermingsinrichting te plaatsen voor de laagspanningsstroombanen voor zover:

    • een bijkomende equipotentiale verbinding wordt geïnstalleerd met in dit geval een minimale doorsnede van 10 mm²; en

    • de verbindingspunten van de bijkomende equipotentiale verbinding en een massa van buitenuit zichtbaar zijn.

  4. d)

    bij aanwending van een IT-netsysteem worden de stroombanen permanent bewaakt in eender welke zone door een toestel overeenkomstig de voorschriften van punt d.2. van onderafdeling 4.2.3.4. dat, bij iedere eerste massa- of aardfout waarbij het isolatieniveau onder het toegelaten niveau daalt:

    • de elektrische voeding onmiddellijk uitschakelt in zone 0 en 20;

    • een waarschuwingssignaal activeert wanneer het isolatieniveau, bij de toegekende spanning, daalt onder een isolatieweerstand van minder dan 50 /V in de zones 1, 2, 21 en 22, totdat de nodige maatregelen zijn genomen om de eerste massa- of aardfout op te sporen. Zodra dit toestel het bestaan van deze fout meldt, worden zonder uitstel de noodzakelijke maatregelen getroffen om de foutieve toestand te verhelpen.

7.102.9.3Potentiaalvereffening

De massa’s en de vreemde geleidende delen ondergebracht in explosiegevaarlijke ruimten moeten zijn aangesloten op een bijkomende potentiaalvereffeningsverbinding.

Massa’s van intrinsiek veilig materieel moeten niet verbonden zijn met de potentiaalvereffeningsverbinding, tenzij de installatievoorschriften van dit materieel het verplichten.

De bijkomende potentiaalvereffeningsverbinding (zie onderafdeling 4.2.3.2. ) , beantwoordt aan de eisen van onderafdeling 5.4.4.2 ., wat betreft de verwezenlijking.

7.102.9.4Galvanisch contact

Maatregelen zijn getroffen om ieder ongewild contact met actieve delen die niet-intrinsiek veilig zijn te voorkomen.

Werkzaamheden voor opstelling, afregeling, onderhoud en herstelling aan of in de nabijheid van onder spanning staande actieve delen mogen enkel worden uitgevoerd indien:

  • de nominale spanning van de delen in kwestie 1000 V wisselspanning en 1500 V gelijkspanning niet overschrijdt,

  • voorafgaandelijk maatregelen zijn getroffen om de werkzaamheden zonder gevaar te laten verlopen en

  • de werkzaamheden van dringende aard zijn en beperkt blijven tot werkzaamheden in de zones 1, 2, 21 of 22.

Deze bepalingen gelden niet voor intrinsiek veilige installaties.

7.102.9.5Elektrostatische ontladingen

Met betrekking tot de elektrostatische ontladingen zijn maatregelen getroffen om de accumulatie van statische ladingen te voorkomen.

In dit opzicht:

  • wordt de oppervlakteweerstand van elektrische machine- en toestelbehuizingen en leidingen in kunststof zodanig gekozen dat geen gevaarlijke elektrostatische oplading te vrezen valt (R  109 );

  • is de waarde van de weerstand tussen de metalen machine- en toestelbehuizingen en de in hun nabijheid aanwezige vreemde geleidende delen kleiner dan of gelijk aan 106 .

7.102.9.6Kathodische bescherming

Kathodische beschermde metalen delen die zich bevinden in gevaarlijke ruimten, worden geassimileerd met geleidende delen vreemd aan de installatie, die als potentieel gevaarlijk moeten worden beschouwd.

Er mag geen kathodische bescherming worden toegepast op metalen delen in zone 0 tenzij deze speciaal voor deze toepassing zijn ontworpen.

De isolerende elementen die voor de kathodische bescherming vereist zijn, moeten worden geplaatst buiten het gevaarlijke gebied. Indien dat niet mogelijk is, zijn constructieve maatregelen getroffen om vonkvorming als gevolg van een toevallige overbrugging te voorkomen.

De overgangsplaatsen, tussen de kathodisch en de niet kathodisch beschermde buisleidingen welke deel uitmaken van een laadinrichting van ontvlambare vloeistoffen of gassen, zijn aangebracht in het vast gedeelte van de verlaadinrichting.

7.102.10Uitzonderingen in verband met de keuze van het materieel

Onder tijdelijke en bijzondere bedrijfsomstandigheden, zoals onderhoud, herstelling, wijziging van de installaties, mag elektrisch materieel gebruikt worden dat niet aan de hoger vermelde voorschriften voldoet op voorwaarde dat de uitbater of zijn afgevaardigde de specifieke risico’s identificeert en evalueert die voortvloeien uit deze bedrijfsomstandigheden en uit het gebruik van dit elektrisch materieel.

Op grond van deze risico-evaluatie worden veiligheidsmaatregelen vastgelegd, zodat de werkzaamheden op een veilige wijze kunnen worden uitgevoerd.

Deze maatregelen moeten ervoor zorgen dat tijdens het gebruik van dit elektrisch materieel geen explosieve atmosfeer aanwezig kan zijn.

Daartoe worden er doeltreffende controlemetingen uitgevoerd zodat de afwezigheid van een explosieve atmosfeer op een betrouwbare wijze vastgesteld kan worden op alle plaatsen waar dit materieel wordt gebruikt.

De controlemetingen worden uitgevoerd door middel van gekalibreerde meettoestellen die worden gekozen in functie van de oorspronkelijke gevarenzone en van de kenmerken van de explosieve atmosfeer.

De controlemetingen worden uitgevoerd vóór de aanvang van de werkzaamheden en, indien uit de risicobeoordeling blijkt dat dit noodzakelijk is, ook tijdens de werkzaamheden.

Het identificeren en beoordelen van de risico’s, het vastleggen van de veiligheidsmaatregelen en het uitvoeren van de controlemetingen die hierboven vermeld zijn, moeten onder de verantwoordelijkheid van de beheerder van de installaties worden uitgevoerd door een bevoegd persoon.

7.103Industriële accumulatorbatterijen

7.103.1Toepassingsgebied

De algemene voorschriften van de andere delen van dit Boek zijn van toepassing op de bijzondere installaties en ruimten behandeld in dit hoofdstuk 7.103. De voorschriften van dit hoofdstuk vullen deze algemene eisen aan.

De bijzondere voorschriften van dit hoofdstuk zijn van toepassing op:

  • de accumulatorenbatterijen waarvan de nominale capaciteit groter is dan of gelijk is aan 300 Wh bij een ontladingstijd van 5 uren;

  • de accumulatorenbatterijen waarvan de nominale spanning groter is dan 120 V;

  • de laadinrichtingen waarvan het nominaal vermogen groter is dan of gelijk is aan 200 VA;

  • de gehelen omvattende één of meerdere van de hoger vermelde elementen.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de accumulatoren en hun laadinrichtingen, gebruikt in huishoudelijke installaties.

7.103.2Begrippen en definities

Accumulator: elektrochemisch systeem dat de toegevoerde elektrische energie opstapelt onder chemische vorm en deze terug kan geven door omgekeerde werking.

Cel: een geheel van elektroden en elektrolyt dat de basiseenheid vormt van een accumulator.

Accumulatorenbatterij: twee of meerdere met elkaar verbonden cellen die gebruikt worden als energiebron.

Accumulatorenbatterij met open cellen of cellen met ontluchting: accumulatorenbatterij waarvan de cellen een deksel hebben dat voorzien is van een opening waarlangs de ontstane gassen kunnen ontsnappen. Deze opening kan voorzien zijn van een ontluchtingsdop.

Accumulatorenbatterij met dichte cellen met regelventiel: accumulatorenbatterij waarvan de cellen onder normale omstandigheden gesloten zijn, doch voorzien zijn van een inrichting die het ontsnappen van gassen toelaat wanneer de inwendige druk een vooraf ingestelde waarde overtreft. Aan het elektrolyt van de cellen kan normaal geen toevoeging gebeuren.

Accumulatorenbatterij met gasdichte cellen: accumulatorenbatterij die bij normale werking noch gassen noch vloeistoffen laat ontsnappen voor zover ze gebruikt wordt binnen de door de constructeur voorgeschreven belastings- en temperatuurgrenzen.

De cellen kunnen voorzien zijn van een beveiligingsinrichting bestemd om gevaarlijk hoge inwendige druk te vermijden.

Het bijvullen van elektrolyt is niet noodzakelijk en de cel is ontworpen om gedurende haar levensduur te werken in de oorspronkelijke dichtheidstoestand.

Accumulatorenbatterij met hermetisch gesloten cellen: accumulatorenbatterij met gasdichte cellen zonder beveiligingsinrichting tegen gasontsnapping.

Vaste accumulatorenbatterij: accumulatorenbatterij die ondergebracht is in een daartoe voorbehouden en geschikte standplaats en permanent verbonden is aan een laad- en ontlaadinrichting.

Verplaatsbare accumulatorenbatterij: accumulatorenbatterij die geen vaste accumulatorenbatterij is.

Ruimte voor vaste accumulatorenbatterijen: een ruimte voorbehouden tot de werking (laden en ontladen) van vaste accumulatorenbatterijen, eventueel samen met hun laadinrichting.

Batterijkast: een kast waarin één of meerdere vaste gelijkstroomproductie-eenheden, eventueel samen met hun laadinrichting, zijn opgesteld.

Batterijtrog: een trog met volle wanden die meerdere accumulatorenbatterijen kan bevatten.

Laadruimte voor verplaatsbare accumulatorenbatterijen: een ruimte uitsluitend bestemd voor het laden van verplaatsbare accumulatorenbatterijen.

Gelijkstroomproductie-eenheid: de gelijkstroomproductie-eenheid, in de zin van dit hoofdstuk, omvat de voedingsstroombaan van de accumulatorenbatterijen, de accumulatorenbatterijen en de gelijkstroombanen, aangesloten op deze accumulatorenbatterijen tot aan de algemene beveiligingsinrichting(en).

Voedingsstroombaan: de voedingsstroombaan omvat de eventuele secundaire wikkeling van de transformator, de eventuele gelijkrichter en hun aansluitingen tot op de accumulatorenbatterijen.

7.103.3Bescherming tegen elektrische schokken

7.103.3.1Algemeenheden

De gegroepeerde vaste gelijkstroomproductie-eenheden met een totale energie-inhoud van meer dan 20 000 VAh moeten zijn opgesteld in batterijkasten of in exclusieve ruimten van de elektrische dienst, uitsluitend voor deze doeleinden bestemd.

De accumulatorenbatterijen zijn elektrisch geïsoleerd van de vloer en/of van de wanden van hun opstellingsplaats. Deze isolatie is onder andere bestand tegen de corrosieve inwerking van het elektrolyt.

De ladingsstroombaan voor het laden van verplaatsbare accumulatorenbatterijen is gevoed door:

  • hetzij een stroombaan op zeer lage veiligheidsspanning;

  • hetzij een veilig gescheiden stroombaan.

De aansluitinrichtingen in de gelijkstroombanen voor verplaatsbare accumulatorenbatterijen:

  • mogen niet voorzien zijn van beschermingscontacten;

  • verhinderen de omwisseling van polariteit, en ze verhinderen de koppeling en de ontkoppeling van de stroombaan onder belasting;

  • laten geen verwarring toe tussen de verschillende nominale spanningen.

In de ruimten voor vaste accumulatorenbatterijen en in de laadruimten voor verplaatsbare accumulatorenbatterijen mogen zich geen andere voorwerpen bevinden dan die welke voor het laden, de bediening, de controle en het onderhoud van de accumulatorenbatterijen nodig zijn.

De opstelling van de vaste of verplaatsbare gelijkstroomproductie-eenheden moet hun toezicht, hun vervanging, hun onderhoud en hun herstelling in alle veiligheid toelaten.

Wanneer vaste accumulatorenbatterijen opgesteld zijn in een batterijruimte of in een batterijkast, zijn op de toegangen duidelijke, goed zichtbare en onuitwisbare aanduidingen aangebracht, met vermelding van:

  • de nominale spanning van de accumulatorenbatterijen;

  • het toegangsverbod voor niet-gemachtigde personen;

  • de elektrische gevaren, aangebracht onder de vorm van een waarschuwingsbord, zoals bepaald in afdeling 9.4.1 .

De vaste accumulatorenbatterijen, geplaatst in gewone lokalen toegankelijk voor het publiek, zijn ondergebracht in omhulsels die een beschermingsgraad van ten minste IP 2X hebben en gesloten kunnen worden door middel van een veiligheidssleutel.

De ruimte voorbehouden voor het laden van verplaatsbare accumulatorenbatterijen is duidelijk afgebakend. Daartoe zijn materiële inrichtingen van voldoende mechanische weerstand (veiligheidsrails, in de grond verankerde drempels...) geplaatst om elke beschadiging te voorkomen van zowel de accumulatorenbatterijen als van hun laadinrichting.

Het personeel dat instaat voor de behandeling, het toezicht, het onderhoud en de herstelling is uitgerust met de persoonlijke beschermingsmiddelen (handschoenen, gezichtsscherm...) tegen elektrische gevaren overeenkomstig de reglementaire bepalingen ter zake.

Wanneer in een ruimte voor vaste accumulatorenbatterijen of een laadruimte voor verplaatsbare accumulatorenbatterijen, accumulatorenbatterijen met een verschillend elektrolyt zijn gevuld, zijn voorzorgsmaatregelen genomen om beschadiging van deze accumulatorenbatterijen te voorkomen omwille van hun verschil.

7.103.3.2Bijzondere voorschriften voor gelijkstroomproductie-eenheden, waarvan de nominale spanning kleiner is dan of gelijk aan 60 V

De aansluitinrichtingen en de verbindingen van de gelijkstroomproductie-eenheden, waarvan de nominale spanning kleiner is dan of gelijk is aan 60 V, mogen blank blijven op voorwaarde dat:

  • hetzij, de voorschriften van de zeer lage veiligheidsspanning zijn nageleefd;

  • hetzij, zij geplaatst zijn in een uitsluitend hiervoor bestemde, afgebakende ruimte; deze afbakening bevindt zich ten minste op 0,50 m, horizontaal gemeten, van de rand van die eenheden.

Door het toepassen van één van de hierboven vermelde voorschriften wordt eveneens verondersteld dat de bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking wordt verzekerd.

7.103.3.3Bijzondere voorschriften voor gelijkstroomproductie-eenheden, waarvan de nominale spanning groter is dan 60 V en kleiner is dan of gelijk aan 120 V

De gelijkstroomproductie-eenheden, waarvan de nominale spanning groter is dan 60 V en kleiner is dan of gelijk aan 120 V, bieden een bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking:

  • hetzij door middel van een omhulsel ( 4.2.2.1.b.);

  • hetzij door isolatie ( 4.2.2.1.c. );

  • hetzij door de verwijdering van de actieve delen 4.2.2.1.d .);

  • hetzij door de afscherming van de actieve delen door hindernissen ( 4.2.2.1.e .).

Door het toepassen van één van de hierboven vermelde beschermingstechnieken wordt eveneens verondersteld dat de bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking wordt verzekerd.

De voorschriften van de deze onderafdeling zijn niet van toepassing op de gelijkstroomproductie-eenheden, indien ze geplaatst zijn in een exclusieve ruimte van de elektrische dienst ( punt c. van onderafdeling 4.2.2.4 .).

7.103.3.4Bijzondere voorschriften voor gelijkstroomproductie-eenheden, waarvan de nominale spanning groter is dan 120 V en kleiner is dan of gelijk aan 750 V

De gelijkstroomproductie-eenheden, waarvan de nominale spanning groter is dan 120 V en kleiner is dan of gelijk aan 750 V, bieden een bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking:

  • hetzij door middel van een omhulsel ( 4.2.2.1.b .);

  • hetzij door isolatie ( 4.2.2.1.c .);

  • hetzij door de verwijdering van de actieve delen ( 4.2.2.1.d .);

  • hetzij door de afscherming van de actieve delen door hindernissen ( 4.2.2.1.e. ).

In de exclusieve ruimten van de elektrische dienst ( punt c. van onderafdeling 4.2.2.4 .).) kan afgeweken worden van de hierboven vermelde voorschriften, op voorwaarde dat de afstand, tussen twee genaakbare naakte delen met een potentiaalverschil dat gelijk is aan of groter is dan 120 V, gelijk is aan of groter is dan 1,25 m.

De bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking voor diezelfde gelijkstroomproductie-eenheden wordt verzekerd:

  • hetzij door het gebruik van een bijkomende of versterkte isolatie ( 4.2.3.3.b.);

  • hetzij door het gebruik van gescheiden stroombanen ( 4.2.3.3.c.) waarbij de limietspanning nochtans op 750 V wordt gebracht voor deze toepassing;

  • hetzij door het gebruik van een werkvlak op een zwevend potentiaal ( 4.2.3.3.d.);

  • hetzij door de automatische verwittiging bij een isolatiefout ( afdeling 3.2.2 . en onderafdeling 4.2.3.4. ) en hun snelle opheffing.

De vaste gelijkstroomproductie-eenheden mogen enkel in gewone lokalen zijn ondergebracht in omhulsels welke een beschermingsgraad van ten minste IP 2X hebben en gesloten kunnen worden door middel van een veiligheidssleutel.

7.103.3.5Bijzondere voorschriften voor gelijkstroomproductie-eenheden, waarvan de nominale spanning hoger is dan 750 V

De gelijkstroomproductie-eenheden waarvan de nominale spanning groter is dan 750 V, zijn ondergebracht in exclusieve ruimten van de elektrische dienst.

De installatievoorwaarden voor de gelijkstroomproductie-eenheden waarvan de nominale spanning hoger is dan 750 V moeten beantwoorden aan de regels van goed vakmanschap.

7.103.3.6Bijkomende voorschriften

De elektrische laadinstallaties van de gelijkstroomproductie-eenheden voor elektrische wegvoertuigen moeten beantwoorden aan de regels van goed vakmanschap.

7.103.4Bescherming tegen explosiegevaar

7.103.4.1Algemeenheden

De oplaadinrichting van de verplaatsbare accumulatorenbatterijen is derwijze opgevat dat de oplading automatisch wordt gestopt bij het bereiken van de volledig opgeladen toestand van de erop aangesloten accumulatorenbatterij.

De ventilatie, hetzij natuurlijk hetzij kunstmatig, van de ruimte voor vaste of van de laadruimte voor verplaatsbare accumulatorenbatterijen verzekert een voldoende verluchting van de ontsnappende elektrolyseproducten uit deze accumulatorenbatterijen. Deze verdunning heeft een minimale vorming van een ontplofbaar waterstof/luchtmengsel tot gevolg en beperkt tevens de afmetingen van de ruimte, onmiddellijk rond de accumulatorenbatterijen, waar nog een ontplofbaar mengsel bestaat. Bovendien vermijdt zij de aanwezigheid van een dergelijke ontplofbare atmosfeer in de niet-geventileerde zone.

De vaste en verplaatsbare accumulatorenbatterijen opgesteld in gewone ruimten vergen tijdens het laden een ventilatie beantwoordend aan de kenmerken van vorige alinea.

De voorkeur dient verleend aan een natuurlijke ventilatie.

Accumulatorenbatterijen ondergebracht in batterijkasten, -koffers of gelijksoortige ruimten mogen naar hun opstellingsruimte toe worden geventileerd, indien de afgevoerde producten niet meer ontplofbaar zijn.

De elektrische toestellen die tot de ontsteking van een ontplofbaar waterstof/luchtmengsel aanleiding kunnen geven (bv. vonkend materieel) zijn opgesteld:

  1. a)

    buiten het volume omschreven door een verticale cilinder waarvan de wand 0,50 m buiten de rand van het geheel van de accumulatorenbatterijen uitsteekt en die gelegen is aan de bovenkant van deze accumulatorenbatterijen met een hoogte van 0,50 m;

  2. b)

    De voorschriften van het punt a. zijn niet van toepassing op de vaste accumulatorenbatterijen ondergebracht in batterijkasten, -koffers of gelijksoortige ruimten voor zover:

    • ze geplaatst zijn in één voor hen voorbehouden compartiment; en

    • dat de scheidingswand tussen deze accumulatorenbatterijen en de elektrische toestellen geplaatst in dezelfde batterijkast, -koffer of gelijksoortige ruimte, geen enkele opening heeft waarlangs een ontplofbaar mengsel kan doorstromen.

    De aansluitleidingen tussen de laadinrichtingen en de erop aangesloten accumulatorenbatterijen moeten kortsluit- en aardsluitveilig zijn aangelegd.

    Bij gebruik van verplaatsbare aansluitleidingen moeten het middelzware polychloropreen mantelleidingen met rubberisolatie (H07RN-F) zijn of daaraan gelijkwaardig.

    De toegangen van de ruimten voor vaste accumulatorenbatterijen, van de laadruimten voor verplaatsbare accumulatorenbatterijen, van de batterijkasten, van de batterijkoffers en de gelijksoortige ruimten welke accumulatorenbatterijen bevatten, zijn voorzien van duidelijke, goed zichtbare en onuitwisbare aanduidingen met betrekking tot:

    • het rookverbod;

    • het verbod om een helle vlam te gebruiken en/of werkzaamheden te verrichten die aanleiding tot vonken kunnen geven.

    Wanneer werkzaamheden aanleiding kunnen geven tot het vormen van vonken of gebruik maken van een helle vlam zijn aangepaste maatregelen genomen om elk ontploffingsgevaar te vermijden.

7.103.4.2Ruimten voor vaste accumulatorbatterijen

  1. a.

    Ontruiming

    De deuren openen in de richting van de vluchtweg.

  2. b.

    Elektrostatische ladingen

    De aardingsweerstand van de vloeren van de batterijruimten mag maximum 108  bedragen.

7.103.4.3Voorschriften voor batterijkasten, -koffers en gelijksoortige ruimten welke accumulatorenbatterijen bevatten

De batterijkasten, -koffers en gelijksoortige ruimten welke accumulatorenbatterijen bevatten zijn voorzien van ventilatieopeningen ter hoogte van het batterijcompartiment.

De batterijkasten, -koffers en gelijksoortige ruimten alsook hun draagconstructies moeten uit onbrandbaar materiaal zijn vervaardigd.

7.112Huishoudelijke fotovoltaïsche installaties op laagspanning (≤ 10 kVA)

7.112.1Toepassingsgebied

De algemene voorschriften van de andere delen van dit Boek zijn van toepassing op de bijzondere installaties en ruimten behandeld in dit hoofdstuk 7.112. De voorschriften van dit hoofdstuk vullen deze algemene eisen aan.

De bijzondere voorschriften van dit hoofdstuk zijn van toepassing op huishoudelijke fotovoltaïsche installaties op laagspanning (≤ 10 kVA)

7.112.2Specifieke maatregelen

De volgende specifieke maatregelen zijn van toepassing:

  • het ter beschikking te houden van ieder betrokken persoon voor raadpleging de vermelde elementen in afdeling 9.1.2. inzake de huishoudelijke fotovoltaïsche installaties op laagspanning;

  • de markering van de gelijkstroomgeleiders en de actieve wisselstroomgeleiders;

  • de aanwezigheid van waarschuwingsborden die de gevaren van de elektriciteit aanduiden, aangevuld met de volgende vermeldingen: “ Niet onderbreken bij belasting ” en “ Elektrische installatie altijd onder spanning ” of hieraan gelijkwaardig, op oordeelkundig gekozen plaatsen aangebracht;

  • de aarding, behalve indien verboden door de fabrikant, van het metalen raam van de PV-modules en hun structuur door een beschermingsgeleider van een doorsnede ten minste gelijkwaardig aan deze van de beschermingsgeleider van de AC voeding, met een minimum doorsnede gelijk aan:

    • 2,5 mm² wanneer de geleiders mechanisch beschermd zijn;

  • 4 mm² wanneer de geleiders niet mechanisch beschermd zijn.

7.112.3Beproevingen en metingen

Bij de gelijkvormigheidscontrole ( hoofdstuk 6.4. ) of het controlebezoek ( hoofdstuk 6.5. ) van een huishoudelijke fotovoltaïsche installatie op laagspanning, omvatten de beproevingen en de metingen, die worden uitgevoerd door het erkend organisme bedoeld in hoofdstuk 6.3. , ook:

  • de onderbreking van het scheidingssysteem wanneer er geen netspanning is (minder dan 5 seconden) en de afwezigheid van de fotovoltaïsche productie op het net zolang de spanning op het net niet opnieuw aanwezig is;

  • de automatische onderbreking van de voeding in het kader van de bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking:

    1. a.

      controle van de werking van de differentieelstroombeschermingsinrichting via de eigen testinrichting;

    2. b.

      controle van de foutlussen en de correcte aansluiting van de differentieelstroombeschermingsinrichting via de opwekking van een foutstroom van ten minste een maal de nominale gevoeligheid van het toestel.

7.112.4Verslagen

Het verslag van de gelijkvormigheidscontrole ( onderafdeling 6.4.6.4. ) of het controlebezoek ( onderafdeling 6.5.7.2. ) van een huishoudelijke fotovoltaïsche installatie moet ook de volgende gegevens bevatten:

  • het aantal en het nominaal vermogen van de geplaatste zonnepanelen;

  • het aantal, type, serienummer en maximaal a.c.-vermogen van de geplaatste omvormer(s).

Prepared presentation of the official source; it does not replace professional verification or an inspection.

Source status
Extraction status: prepared from the official source
Content SHA-256:
1a0459571f87bf4e31931bd698e5e6605e4fe7f8c6cde86865c18b5a2b14336a
PDF SHA-256:
d22895299e20a525673e1814b8694c4bfca2d6d33951c430ed97ff48873a47b5