Regulations · Deel 2

AREI Book 1 · Part 2

Begrippen en definities

Version 07 · K.B. 13.08.2026 · applicable from 01/11/2026 · Official source language: Dutch · Open official PDF source

2.1Inleiding

Verschillende technische begrippen worden bepaald in dit deel in de gevallen waarvoor deze begrippen algemeen zijn.

Al deze bepalingen zijn van toepassing in dit Boek.

Andere definities, deze van begrippen die specifiek van toepassing zijn op een deel van het Boek, zijn in het betrokken deel opgenomen.

Tenzij anders vermeld gelden in dit Boek de aanduidingen inzake spanning zowel voor gelijkspanning als voor wisselspanning.

2.2Kenmerken van de installaties

2.2.1Algemene kenmerken

2.2.1.1Algemene begrippen

Elektrische installatie: een geheel bestaande uit elektrische machines, toestellen en leidingen.

Wooneenheid: een huis of een appartement dat als woning dient voor één of meerdere personen die in familieverband of als gemeenschap leven.

Residentieel geheel: een geheel van wooneenheden, van gemeenschappelijke delen en van technische lokalen.

Gemeenschappelijke delen van een residentieel geheel: lokalen van een residentieel geheel andere dan de wooneenheden en de technische lokalen; het betreft onder andere de gangen, de trappenhuizen, de tuinen, de parkings…

Technische lokalen van een residentieel geheel: lokalen specifiek aan het technisch beheer van het residentieel geheel zoals de stookplaats, het machinewerk van liften…

Huishoudelijke elektrische installatie (gewoonlijk huishoudelijke installatie genoemd) : elektrische installatie ondergebracht in een wooneenheid of een in de volgende alinea bedoelde ruimte.

Indien de elektrische installatie van een ruimte geen deel uitmaakt van een regime van mede-eigendom, wordt de elektrische installatie van deze voor privégebruik bestemde ruimte die niet voor activiteiten van een onderneming wordt gebruikt, beschouwd als een huishoudelijke installatie.

Niettegenstaande het voorgaande worden als niet-huishoudelijke elektrische installatie beschouwd ( gewoonlijk niet-huishoudelijke installatie genoemd) :

  • de gemeenschappelijke delen en de technische lokalen van een residentieel geheel;

  • elke andere elektrische installatie die niet beantwoordt aan de definitie van een elektrische huishoudelijke installatie.

Vaste installatie (ook blijvende installatie genoemd): installatie die niet beantwoordt aan de definitie van een tijdelijke installatie, noch aan de definitie van een mobiele of verplaatsbare installatie.

Tijdelijke installatie: installatie die enkel een beperkte duur heeft zoals:

  • hetzij een installatie die voor inrichtingen van beperkte duur bestemd is, die buiten het voorziene toepassingsgebied van ruimten vallen hetzij een installatie die zich regelmatig herhaalt (bijvoorbeeld, foorinstallaties bedoeld in hoofdstuk 7.11. );

  • hetzij een installatie die voor de uitvoering van bouwwerken van gebouwen en dergelijke bestemd is (bij- voorbeeld, werfinstallaties bedoeld in hoofdstuk 7.4. ).

Mobiele of verplaatsbare installatie: installatie die kan worden verplaatst, al dan niet onder spanning, hetzij door zijn eigen middelen hetzij door de gebruiker (bijvoorbeeld, voertuigen of aanhangwagens voor wegvervoer bedoeld in hoofdstuk 7.101. , werfketen, …).

Plaats: een niet-noodzakelijk overdekte ruimte en niet-noodzakelijk begrensd door wanden of omheiningen.

Lokaal: een overdekte ruimte begrensd door scheidingswanden, te weten door een vloer, wanden en een zoldering; deze scheidingswanden zijn vol of bevatten slechts openingen die geen doorgang verlenen aan een lange rechte draad van 1 mm diameter.

Omheinde plaats: een niet noodzakelijk overdekte ruimte begrensd hetzij door een of meer scheidingswanden, hetzij door hindernissen ter afsluiting van een ruimte.

Ruimte van de elektrische dienst: een lokaal of een omheinde plaats die hoofdzakelijk of exclusief dient voor de uitbating van elektrische installaties.

Dienstplaatsen: de plaatsen, gelegen binnen ruimten van de elektrische dienst, waarvan de toegang nodig is voor de uitbating van de elektrische installaties (bijvoorbeeld toezicht, bediening, regeling sturing...).

Onderhoudsplaatsen: de plaatsen, gelegen binnen ruimten van de elektrische dienst, waarvan de toegang nodig is, hoofdzakelijk voor het normaal onderhoud van de elektrische installaties (bijvoorbeeld vervanging van smeltzekeringen, het in goede staat houden...).

Functionele opening: opening die voor het lokaal of de omheinde plaats de functie mogelijk maakt die het moet vervullen. Het betreft voornamelijk toegangsdeuren, verluchtingsopeningen, doorgangsopeningen voor leidingen, mechanisch bedieningsmaterieel...

Gewone ruimte: een lokaal of een plaats die geen ruimte van de elektrische dienst is.

Voor het publiek toegankelijke ruimte (lokaal of plaats): een ruimte die, zonder voorafgaande toestemming, voor iedereen toegankelijk is, ongeacht of de toegang permanent of tijdelijk is, dan wel aan voorwaarden gekoppeld wordt.

Normaal bedrijf : een situatie waarin elektrische en niet-elektrische installaties binnen de ontwerpparameters worden gebruikt.

2.2.1.2Netsystemen van de elektrische installaties

  1. a.

    Algemeen

    In dit boek worden enkel de geaarde netsystemen in aanmerking genomen die een bijdrage leveren tot de bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking door automatische onderbreking van de voeding.

    De geaarde netsystemen worden elk gekenmerkt door een code bestaande uit ten minste twee letters, en eventueel uit drie of vier letters:

    • de eerste letter geeft de relatie aan tussen het net en de aarde:

      • T: rechtstreekse verbinding van ten minste een punt met de aarde;

      • I: hetzij isolatie van alle actieve delen ten overstaan van de aarde; hetzij verbinding van een punt met de aarde via een voldoende grote impedantie;

    • de tweede letter geeft de relatie aan tussen de massa’s van de elektrische installatie en de aarde:

      • T: massa’s verbonden met een aarding die verschillend en elektrisch onafhankelijk is van een eventuele aarding van het net;

      • N: massa’s verbonden met een punt van een geaarde actieve geleider van het net (N-, M-, L-, L + - of L - geleider);

    • de eventuele derde of vierde letter, door een koppelteken gescheiden van de eerste twee en eventueel van elkaar, geven de uitvoering aan van de beschermingsgeleider:

      • S: de functie van beschermingsgeleider wordt verzekerd door een geleider die uitsluitend hiervoor bestemd is;

      • C: eenzelfde geleider vervult zowel de functie van beschermingsgeleider als van actieve geleider van het net (N-, M-, L-, L+- of L--geleider) zijnde de PEN-, PEM- of PEL-geleider.

  2. b.

    Beschrijving van de geaarde netsystemen in wisselstroom

    De volgende types van geaarde netsystemen worden in aanmerking genomen in het kader van dit Boek:

    • het TN-netsysteem met zijn drie varianten (TN-S, TN-C en TN-C-S);

    • het TT-netsysteem;

    • het IT-netsysteem.

    Wanneer een punt van het net rechtstreeks of onrechtstreeks wordt geaard, wordt het nulpunt bij voorkeur geaard.

    1. b.1

      TN-netsysteem

      Bij het TN-netsysteem is ten minste een punt van het net (N of L) rechtstreeks geaard en zijn de massa’s van de elektrische installatie met dit punt verbonden door middel van beschermingsgeleiders.

      De beschermingsgeleider wordt op minstens een punt geaard.

      Naargelang de uitvoering van de geaarde actieve geleider en de beschermingsgeleider worden drie varianten van het TN-netsysteem in aanmerking genomen, namelijk:

      • TN-S-netsysteem waarbij de geaarde actieve geleider en de beschermingsgeleider afzonderlijke geleiders zijn;

        1. (1)

          Massa

        2. (2)

          Aardverbinding van het net

      • TN-C-netsysteem waarbij de geaarde actieve geleider en de beschermingsgeleider worden gecombineerd tot een enkele geleider;

      Figuren 2.2. TN-C-netsysteem

      1. (1)

        Massa

      2. (2)

        Aardverbinding van het net

        • TN-C-S-netsysteem waarbij de geaarde actieve geleider en de beschermingsgeleider worden gecombineerd tot een enkele geleider in een deel van de elektrische installatie.

        Figuren 2.3. TN-C-S-netsysteem

      3. (1)

        Massa’s (2) Aardverbinding van het net

    2. b.2

      TT-netsysteem

      Bij een TT-netsysteem is ten minste een punt van het net (N of L) rechtstreeks geaard en zijn de massa’s van de elektrische installatie hetzij individueel, hetzij in groepen, hetzij gezamenlijk verbonden met één of meer aardverbindingen die verschillend en elektrisch onafhankelijk zijn van deze van het net.

      Figuren 2.4. TT-netsysteem

      1. (2)

        Aardverbinding van het net

      2. (3)

        Aardverbinding van de massa

    3. b.3

      IT-netsysteem

      Bij een IT-netsysteem is er geen enkel punt van het net (N of L) rechtstreeks geaard of is er een verbinding van een punt van het net (N of L) met de aarde via een voldoende grote impedantie, terwijl de massa’s van de elektrische installatie wel geaard zijn, hetzij individueel, hetzij in groepen, hetzij gezamenlijk. Gelijktijdig genaakbare massa’s worden echter met dezelfde beschermingsgeleider verbonden.

      Figuren 2.5. IT-netsysteem

      1. (4)

        Aardverbinding van de massa

        Bij gebruik van een kunstmatig nulpunt mag dit geaard worden indien de impedantie tussen dit kunstmatig nulpunt en de aarde een voldoende grote waarde heeft.

  3. c.

    Beschrijving van de geaarde netsystemen in gelijkstroom

    1. c.1

      Algemeen

      De geaarde netsystemen in gelijkstroom worden uitgevoerd met twee of drie actieve geleiders.

      Figuur 2.6Geaard netsysteem in gelijkstroom met twee actieve geleiders
      Figuur 2.7Geaard netsysteem in gelijkstroom met drie actieve geleiders

      Wanneer een punt van het net rechtstreeks of onrechtstreeks wordt geaard, wordt het middelpunt bij voorkeur geaard.

    2. c.2

      Beschrijving van de geaarde netsystemen

      De volgende types van geaarde netsystemen worden in aanmerking genomen in het kader van dit Boek:

      • het TN-netsysteem met zijn drie varianten (TN-S, TN-C en TN-C-S);

      • het TT-netsysteem;

      • het IT-netsysteem.

        1. c.2.1

          TN-netsysteem

          Bij het TN-netsysteem is ten minste een punt van het net (M, L+ of L-) rechtstreeks geaard en zijn de massa’s van de elektrische installatie met dit punt verbonden door middel van beschermingsgeleiders.

          De beschermingsgeleider wordt op minstens een punt geaard.

          Naargelang de uitvoering van de geaarde actieve geleider en de beschermingsgeleider worden drie varianten van TN-netsystemen, in aanmerking genomen, namelijk:

      • het TN-S-netsysteem met twee actieve geleiders waarbij de geaarde actieve geleider en de beschermingsgeleider afzonderlijke geleiders zijn;

      Figuur 2.8TN-S-netsysteem met twee actieve geleiders
      1. (1)

        Massa

      2. (2)

        Aardverbinding van het net

        • het TN-S-netsysteem met drie actieve geleiders waarin de geaarde actieve geleider en de beschermingsgeleider afzonderlijke geleiders zijn;

        Figuur 2.9TN-S-netsysteem met drie actieve geleiders
      3. (1)

        Massa (2) Aardverbinding van het net

        • het TN-C-netsysteem met twee actieve geleiders waarbij de geaarde actieve geleider en de beschermingsgeleider worden gecombineerd tot een enkele geleider;

        Figuur 2.10TN-C-netsysteem met twee actieve geleiders
      4. (2)

        Aardverbinding van het net

        • het TN-C-netsysteem met drie actieve geleiders waarbij de geaarde actieve geleider en de beschermingsgeleider worden gecombineerd tot een enkele geleider;

        Figuur 2.11TN-C-netsysteem met drie actieve geleiders
      5. (2)

        Aardverbinding van het net

        • het TN-C-S-netsysteem met twee actieve geleiders waarbij de geaarde actieve geleider en de beschermingsgeleider worden gecombineerd tot een enkele geleider in een deel van de elektrische installatie;

        Figuur 2.12TN-C-S-netsysteem met twee actieve geleiders
      6. (1)

        Massa

      7. (2)

        Aardverbinding van het net

        • het TN-C-S-netsysteem met drie actieve geleiders waarbij de geaarde actieve geleider en de beschermingsgeleider worden gecombineerd tot een enkele geleider in een deel van de elektrische installatie.

        Figuur 2.13TN-C-S-netsysteem met drie actieve geleiders
      8. (1)

        Massa

      9. (2)

        Aardverbinding van het net

        1. c.2.2

          TT-netsysteem

          Bij het TT-netsysteem is ten minste een punt van het net (M, L+ of L-) rechtstreeks geaard en zijn de massa’s van de elektrische installatie hetzij individueel, hetzij in groepen, hetzij gezamenlijk verbonden met één of meer aardverbindingen die verschillend en elektrisch onafhankelijk zijn van deze van het net.

          Figuren 2.14. TT-netsysteem met twee en drie actieve geleiders

      10. (2)

        Aardverbinding van het net

      11. (3)

        Aardverbinding van de massa

        1. c.2.3

          IT-netsysteem

          Bij een IT-netsysteem is er geen enkel punt van het net (M, L+ of L-) rechtstreeks geaard of is er een verbinding van een punt van het net (M, L+ of L-) met de aarde via een voldoende grote impedantie, terwijl de massa’s van de elektrische installatie wel geaard zijn, hetzij individueel, hetzij in groepen, hetzij gezamenlijk. Gelijktijdig genaakbare massa’s worden echter met dezelfde beschermingsgeleider verbonden.

          Figuren 2.15. IT-netsysteem met twee en drie actieve geleiders

2.2.2Grootheden en eenheden

De eenheden en symbolen, verder in dit Boek gebruikt, zijn bepaald door het Koninklijk besluit van 4 oktober 1977, dat wijzigingen bevat van het koninklijk besluit van 14 september 1970 dat betrekking heeft op het gedeeltelijk in uitvoering brengen van de wet van 16 juni 1970 op de meeteenheden, de meetstandaarden en de meetwerktuigen en tot vaststelling van de wettelijke meeteenheden en van de standaarden en regels ter reproductie van deze eenheden.

Nominale waarde: waarde die gebruikt wordt om materieel aan te duiden door een kenmerkende grootheid (stroom, spanning...). Deze waarde is meestal gelijkaardig aan de toegekende waarde van dit materieel.

Toegekende waarde: waarde van een grootheid, meestal bepaald door de constructeur voor een gespecificeerde werking van een onderdeel van een inrichting of uitrusting.

Effectieve waarde: voor een tijdsafhankelijke grootheid is het de positieve vierkantswortel van de gemiddelde waarde van het kwadraat van de grootheid over het gegeven tijdsinterval (ook genoemd rms-waarde  root mean square ).

Rimpelfactor: verhouding van de effectieve waarde van de periodische component van de stroom of de spanning tot de absolute waarde van hun gelijkspanningscomponent.

Joule-integraal: integraal van het kwadraat van de stroom in een gegeven tijdsinterval ( t = t 1 – t 0):

t 1 I ² ti ² d tt 0

2.2.3Diverse Installaties

Veiligheidsverbruiker: uitrusting of systeem die/dat gedurende een bepaalde tijd om veiligheidsredenen voor personen in dienst moet blijven.

Veiligheidsinstallatie: elektrische installatie samengesteld uit de veiligheidsvoeding en de veiligheidsverbruiker.

Veiligheidsvoeding: voorziene voeding om het functiebehoud van de veiligheidsverbruikers te garanderen. Ze is samengesteld uit de veiligheidsbron en de veiligheidsstroombaan.

Veiligheidsbron: elektrische bron deel uitmakend van de veiligheidsvoeding.

Kritische verbruiker: uitrusting of systeem waarvoor het functiebehoud is vereist om andere redenen dan deze van de veiligheid van personen.

Kritische installatie: elektrische installatie samengesteld uit de kritische verbruiker, zijn stroombaan en zijn eventuele vervangingsbron.

Vervangingsbron: elektrische bron voorzien om de voeding van een elektrische installatie of gedeelten van deze installatie of een toestel, om anderen redenen dan deze van de veiligheid van personen, bij het uitvallen van de normale bron te garanderen. Ze kan voor de voeding van de kritische installaties gebruikt worden.

Verbruiker met positieve veiligheid: een verbruiker waarvan de veiligheidsfunctie bij het uitvallen van de normale voeding in de tijd behouden blijft. Voorbeeld van een verbruiker met positieve veiligheid: een branddeur die door een elektromagneet in open positie wordt gehouden en die bij het uitvallen van de voeding mechanisch en automatisch sluit.

Normale bron: elektrische hoofdbron van een elektrische installatie onder normale gebruiksvoorwaarden.

2.3Spanningen

2.3.1Algemene begrippen

Nominale spanning van elektrisch materieel: spanning die gegeven wordt door de kenmerken van het elektrisch materieel en waardoor de beproevingsvoorwaarden en de spanningsgrenzen van dit materieel vastgelegd worden.

Nominale spanning van een elektrische installatie: spanning die gegeven wordt door de kenmerken van een elektrische installatie en waardoor de beproevingsvoorwaarden en de spanningsgrenzen van deze installatie vastgelegd worden. Deze waarde houdt geen rekening noch met voorbijgaande overspanningen bijvoorbeeld veroorzaakt door schakelen, noch met tijdelijke abnormale spanningsveranderingen, bijvoorbeeld wegens fouten in het voedingsnet.

Periodische spanning: spanning met een waarde die zich herhaalt met gelijke tussentijden, perioden genoemd.

Wisselspanning: periodische spanning waarvan de gemiddelde waarde per periode nul is; bij uitbreiding, in dit Boek, elke spanning die tijdens elke periode van teken verandert.

Gelijkspanning: spanning met een waarde die zich ieder ogenblik herhaalt of een periodische spanning die niet van teken verandert tijdens de periode.

Gelijkspanning met rimpel: spanning met een rimpelfactor die groter is dan 0,1.

Gelijkspanning zonder rimpel: spanning met een rimpelfactor kleiner dan of gelijk aan 0,1; nochtans wordt de maximale effectieve waarde van de periodische component vastgesteld op:

  • 3 V voor gelijkspanningen kleiner dan of gelijk aan 30 V;

  • 6 V voor gelijkspanningen groter dan 30 V maar kleiner dan of gelijk aan 60 V;

  • 12 V voor gelijkspanningen groter dan 60 V maar kleiner dan of gelijk aan 120 V.

Laagspanning (LS): spanning waarvan de waarde bepaald is in afdelingen 2.3.2 en 2.3.3 .

Zeer lage spanning (ZLS): spanning waarvan de waarde bepaald is in afdelingen 2.3.2 en 2.3.3 .

Zeer lage veiligheidsspanning (ZLVS): zeer lage spanning waarvan de waarde beperkt blijft:

  • in normale bedrijfsomstandigheden, en

  • in foutomstandigheden, met inbegrip van aardfouten in andere stroombanen, tot deze van de conventionele absolute spanningsgrens bepaald in afdeling 2.4.1 .

Zeer lage beschermingsspanning (ZLBS): zeer lage spanning waarvan de waarde beperkt blijft:

  • in normale bedrijfsomstandigheden, en

  • in foutomstandigheden, met uitzondering van aardfouten in andere stroombanen, tot deze van de conventionele absolute spanningsgrens bepaald in afdeling 2.4.1 .

De ZLBS verschilt van de ZLVS door het feit dat een punt van de stroombaan op ZLBS met de aarde mag worden verbonden.

Zeer lage functionele spanning (ZLFS): zeer lage spanning waarvan de waarde beperkt blijft:

  • in normale bedrijfsomstandigheden, tot deze van de conventionele absolute spanningsgrens bepaald in afdeling 2.4.1 .

Beschermingsscheiding op ZLS en LS: een scheiding tussen de actieve delen op ZLS en LS die een isolatiedoorslagvastheid heeft gelijkwaardig aan deze van de dubbele isolatie.

2.3.2Spanningsgebieden in wisselstroom

Voor wisselspanningen worden de effectieve waarden aangegeven.

De indeling van een elektrische installatie in één van de spanningsgebieden geschiedt in functie van haar nominale spanning U tussen actieve geleiders volgens tabel 2.1.

Tabel 2.1 Spanningsgebieden in wisselstroom

Spanningsgebieden in
wisselstroom(V)
Zeer lage spanning U50
Laasannin1e categorie 50 < U500
gpg
2e categorie
500 < U1000
Hoosannin1e categorie 1000 < U50000
gpg
2e categorie
U > 50000

Bovendien wordt, wanneer de spanning tussen een van de actieve geleiders en een vreemd geleidend deel de in de tabel vermelde waarden overschrijdt, deze spanning gebruikt om de indeling van de elektrische installatie te bepalen.

2.3.3Spanningsgebieden in gelijkstroom

Voor gelijkspanningen worden de gemiddelde waarden aangegeven.

De indeling van een elektrische installatie in één van de spanningsgebieden geschiedt in functie van haar nominale spanning U tussen actieve geleiders volgens tabel 2.2.

Tabel 2.2 Spanningsgebieden in gelijkstroom

_Spanningsg _
ebieden(V)
in gelijkstroom
met rimpel
in gelijkstroom
zonder rimpel
Zeer lage spanning U75 U120
Laasannin
1e categorie
75 < U750 120 < U750
gpg
2e categorie
750 < U1500 750 < U1500
Hoogspanning U > 1500 U > 1500

Bovendien wordt, wanneer de spanning tussen een van de actieve geleiders en een vreemd geleidend deel de in de tabel vermelde waarden overschrijdt, deze spanning gebruikt om de indeling van de elektrische installatie te bepalen.

2.4Bescherming tegen elektrische schokken

2.4.1Algemene begrippen

Elektrische schok: fysiopathologisch verschijnsel veroorzaakt door een elektrische stroom in het menselijk lichaam.

Rechtstreekse aanraking: aanraking door personen van actieve delen van elektrisch materieel.

Onrechtstreekse aanraking: aanraking door personen van toevallig onder spanning staande massa’s.

Schokstroom: de stroom die door het menselijk lichaam vloeit en die een elektrische schok veroorzaakt.

Actieve geleider: geleider bestemd voor het overbrengen van elektrische energie. De lijn- en nulgeleiders, zelfs indien deze geleiders gebruikt worden als beschermingsgeleider (PEN-, PEM- of PEL-geleider) beantwoorden eveneens aan deze definitie.

Lijngeleider: actieve geleider of actief deel (L) dat zorgt voor de verdeling van elektrische energie met uitzondering van de nulgeleider.

L+-geleider: lijngeleider (L+) met het hoogste potentiaal bij gelijkstroom.

L--geleider: lijngeleider (L-) met het laagste potentiaal bij gelijkstroom.

M-geleider: geleider (M) die bij gelijkstroom is verbonden met het middelpunt en kan bijdragen aan de verdeling van elektrische energie.

N-geleider: geleider (N) die bij wisselstroom is verbonden met het nulpunt en kan bijdragen aan de verdeling van elektrische energie.

Nulgeleider: de N-geleider bij wisselstroom of de M-geleider bij gelijkstroom.

PEL-geleider: geleider (PEL) die bij wissel- of gelijkstroom gelijktijdig de functie van lijngeleider en geaarde beschermingsgeleider vervult.

PEM-geleider: geleider (PEM) die bij gelijkstroom gelijktijdig de functie van M-geleider en geaarde beschermingsgeleider vervult.

PEN-geleider: geleider (PEN) die bij wisselstroom gelijktijdig de functie van N-geleider en geaarde beschermingsgeleider vervult.

Actieve delen:
  • geleiders en geleidende delen van het elektrisch materieel die bij normaal gebruik spanningvoerend zijn met inbegrip van de geleidende delen die galvanisch (elektrisch) verbonden zijn met de nulgeleider. Niettemin worden de PEN-, PEM- en PEL-geleiders bij conventie niet als actieve delen beschouwd;

  • delen van sommige elektrische machines of toestellen (bijvoorbeeld in verband met ontstoringsmaatregelen) indien de desbetreffende bijzondere voorschriften dit voorzien of indien de installatie- en gebruiksvoorwaarden zodanig zijn dat deze geleidende delen in normale omstandigheden op een spanning kunnen gebracht worden die groter is dan de maximumwaarde van de zeer lage spanning. Dit geldt, bij elektrisch materieel van de klasse II (bepaald bij afdeling 2.4.3 .), eveneens voor geleidende delen die enkel van de actieve delen geïsoleerd zijn door een basisisolatie.

Gelijktijdig genaakbare delen of stukken: geleiders of geleidende blanke delen die gelijktijdig door een persoon kunnen aangeraakt worden, dit wil zeggen die zich op een afstand van elkaar bevinden die gegeven wordt door de volgende formule:

d = 2,50 + 0,01 ( U N – 20)

met een minimum van 2,50 m. Hierin is U N de nominale spanning, uitgedrukt in kV, tussen deze delen of stukken.

Kunnen beschouwd worden als gelijktijdig genaakbare delen of stukken:

  • actieve delen;

  • massa’s;

  • geleidende delen, vreemd aan de elektrische installatie;

  • beschermingsgeleiders, equipotentiale geleiders;

  • aardelektroden;

  • de grond en geleidende vloeren.

Intermediair deel: niet-genaakbaar en geleidend deel van elektrisch materieel dat in normale omstandigheden niet onder spanning staat, maar dat bij een fout onder spanning kan komen.

Massa: genaakbaar geleidend deel dat geen actief deel is maar dat bij een fout onder spanning kan komen.

De term massa beduidt hoofdzakelijk genaakbare metalen delen van elektrisch materieel, normaal geïsoleerd van de actieve delen maar die er toevallig mee in aanraking kunnen komen als gevolg van een tekortkoming in de schikkingen, genomen om hun isolatie te verzekeren. Deze tekortkoming kan het gevolg zijn van het in gebreke blijven van de basisisolatie, de bevestigings- of bescherminrichtingen.

Onder massa wordt namelijk verstaan:

  • genaakbare metalen delen van elektrisch materieel, enkel van de actieve delen gescheiden door een basisisolatie;

  • vreemde geleidende delen, elektrisch verbonden of in aanraking met het geleidend of isolerend uitwendig oppervlak van elektrisch materieel dat slechts een basisisolatie omvat.

Dit is met name ook het geval voor metalen deurlijsten gebruikt als doorgang voor elektrische leidingen, als steun voor elektrische toestellen met basisisolatie of geplaatst in contact met het uitwendig omhulsel van deze toestellen.

Uit de bepaling van massa volgt eveneens dat:

  • genaakbare metalen delen van elektrisch materieel dat niet van de klasse II is, metalen wapening van kabels en bepaalde metalen buizen massa’s zijn;

  • geen enkel deel van elektrisch materieel van de klasse II als massa beschouwd wordt.

Met de term massa wordt eveneens elk metalen voorwerp bedoeld dat door gewilde plaatsing of als gevolg van een bestaande toestand, elektrisch verbonden of in aanraking is met het uitwendig oppervlak van elektrisch materieel met basisisolatie.

In de ruimere betekenis moeten alle metalen voorwerpen in de nabijheid van niet-geïsoleerde actieve delen als massa beschouwd worden indien er een groot risico bestaat dat ze in elektrisch contact komen met deze actieve delen als gevolg van onvolkomenheden van de bevestigingsmiddelen (zoals loskomen van verbindingen, breuk van geleider...).

Geleidend deel, vreemd aan de elektrische installatie (afgekort: vreemd geleidend deel): geleidend deel dat niet tot de elektrische installatie behoort en dat een potentiaal, de aardpotentiaal inbegrepen, kan overbrengen.

Deze vreemde geleidende delen zijn namelijk:

  • metalen delen gebruikt in de constructie van gebouwen;

  • metalen leidingen voor gas, water, verwarming... en de niet-elektrische toestellen die erop aangesloten zijn (radiatoren, niet-elektrische fornuizen, metalen gootstenen...);

  • niet-isolerende vloeren en wanden.

Fout: toevallige elektrische verbinding tussen twee punten op verschillende potentialen. De verbinding kan rechtstreeks zijn of een zekere impedantie vertonen.

Impedantie van de foutlus: totale impedantie die de foutstroom bepaalt.

Foutstroom: stroom die ontstaat door een fout.

Aardfoutstroom: foutstroom die naar de aarde vloeit.

Lekstroom: stroom die in een foutloze elektrische stroombaan naar de aarde of naar de vreemde geleidende delen vloeit.

Foutspanning: spanning die bij een isolatiefout ontstaat tussen een massa en een punt waarvan de potentiaal niet veranderd wordt door het onder spanning brengen van de massa.

Contactspanning: spanning die, in het raam van de bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking, bij een isolatiefout bestaat of kan ontstaan tussen gelijktijdig genaakbare delen, met uitzondering van actieve delen.

Verplaatsingsoppervlak: vast oppervlak waarop personen zich in normale omstandigheden bevinden of zich verplaatsen; dit oppervlak wordt begrensd door zijn eigen schikking of door één of meer materiële elementen.

Genaakbaarheidsgabarit: volume dat gelegen is rond een verplaatsingsoppervlak en dat begrensd is zoals vermeld in de figuren 2.16. t.e.m. 2.19 .

Figuur 2.16Genaakbaarheidsgabarit: het verplaatsingsoppervlak is natuurlijk begrensd
Figuur 2.17Genaakbaarheidsgabarit: het verplaatsingsoppervlak is begrensd door een materieel element

L = leuning (handgreep), materieel element

Figuur 2.18Genaakbaarheidsgabarit: materiële elementen die het verplaatsingsoppervlak begrenzen hebben openingen die geen doorgang verlenen aan een lange staaf van 12 mm diameter
Figuur 2.19Genaakbaarheidsgabarit: materiële elementen die het verplaatsingsoppervlak begrenzen hebben openingen die geen doorgang verlenen aan een lange staaf van 12 mm diameter

S : verplaatsingsoppervlak d 1, d 2, d 3: afstanden in meter volgens onderstaande formule:

d 1 = 2,50 + 0,01 ( U N - 20) met minimum 2,5 m d 2 = 1,25 + 0,01 ( U N - 20) met minimum 1,25 m d 3 = 0,75 + 0,01 ( U N - 20) met minimum 0,75 m waarin U N, uitgedrukt in kV, de nominale spanning van de elektrische installatie is.

De verplaatsingsoppervlakken, alsmede de materiële elementen waarvan de samenstelling zodanig is dat de eventuele openingen geen doorgang verlenen aan een lange rechte staaf van 12 mm diameter, begrenzen het genaakbaarheidsgabarit.

Veiligheidsslot: Wordt niet als veiligheidsslot beschouwd:

  • sloten die met een universele sleutel kunnen geopend worden;

  • sloten die gemakkelijk met behulp van een handgereedschap (tang, schroevendraaier, …) kunnen geopend worden.

Voorbeelden van sloten die niet als veiligheidsslot beschouwd worden: dubbelbaardslot, driekantslot, vierkantslot, …

Niet-geleidende ruimten : bij laagspanning en bij zeer lage spanning, worden als niet-geleidende ruimten beschouwd de droge lokalen en plaatsen waarvan de vloeren en de wanden isolerend zijn en een weerstand hebben ten minste gelijk aan:

  • 50 kΩ/m² indien de nominale spanning van de installatie niet groter is dan 500 V (300 V ten opzichte van de aarde);

  • 100 kΩ/m² indien de nominale spanning van de installatie deze waarde overschrijdt.

Isolerende vloeren en wanden : vloeren en wanden met voldoende grote weerstand om de foutstroom tot een ongevaarlijke waarde te beperken.

Worden als niet-isolerend beschouwd:

  1. 1.

    vloeren en muren van gewapend beton zonder verdere bekleding;

  2. 2.

    de vloerbedekkingen in natuursteen, baksteen, cement, tegels in ceramiek of cement die rechtstreeks geplaatst worden op vloerplaten van gewapend beton, op ruw metselwerk, op beton of in volle grond;

  3. 3.

    metalen bekledingen.

    Worden als isolerend of niet-geleidend beschouwd:

  4. 1.

    houten parketvloer;

  5. 2.

    bekledingen uit niet-geleidende rubber, linoleum of kunststof;

  6. 3.

    wanden bekleed met een bepleistering, zoals droge plaaster;

  7. 4.

    droge muren van baksteen of plaasteren panelen;

  8. 5.

    tapijten en vaste vloerbekleding zonder metalen elementen.

    In de hierboven niet aangehaalde gevallen moeten, indien nodig, elektrische weerstandsproeven de categorieen bepalen waartoe ze behoren. In geval van twijfel, moeten de wanden en vloeren beschouwd worden als geleidende voorwerpen.

    Beschermingsgraden gegeven door omhulsels: de beschermingsgraad inzake de door omhulsels verwezenlijkte bescherming tegen het binnendringen van vreemde vaste voorwerpen en vloeistoffen alsmede tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking met actieve delen gelegen binnen de omhulsels wordt bepaald door een code die beantwoordt hetzij aan de door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde norm hetzij aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig niveau bieden als dit bepaald in deze norm.

    Deze code is samengesteld uit de letters IP , gevolgd door twee getallen waarvan het eerste de beschermingsgraad tegen de aanraking van actieve delen binnen het omhulsel of achter de hindernis en tegelijk de beschermingsgraad tegen het binnendringen van vreemde vaste voorwerpen voorstelt en het tweede de beschermingsgraad tegen binnendringen van vloeistoffen voorstelt.

    Wanneer één van deze getallen niet is bepaald, wordt het vervangen door de letter X.

    De bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking met actieve delen, binnen het omhulsel of achter de hindernis, wordt bepaald door een letter die van de getallen is gescheiden door een streepje. De bijkomende letters worden slechts gebruikt indien de werkelijke bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking hoger is dan deze aangegeven door het eerste kenmerkend getal of indien enkel de bescherming tegen aanraking van actieve delen is vermeld.

    De letters A , B , C en D hebben betrekking op de verhindering van de aanraking met de actieve delen door een kaliber met een doormeter van respectievelijk 50, 12, 2,5 en 1 mm.

    Beschermingsgraden gegeven door hindernissen: de beschermingsgraad inzake de door hindernissen verwezenlijkte bescherming tegen het binnendringen van vreemde vaste voorwerpen en vloeistoffen, alsmede de bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking van actieve delen achter de hindernissen wordt op een analoge wijze bepaald als bij de beschermingsgraden van omhulsels (zie hoger ).

Conventionele spanningsgrenzen
  1. a)

    Conventionele absolute spanningsgrens U L

    De conventionele absolute spanningsgrens ( U L) hangt af van de weerstand van het menselijk lichaam die, met name, functie is van de huidvochtigheid.

    Om de uitwendige invloed van de huidvochtigheid te bepalen wordt een code gebruikt die samengesteld is uit de letters BB gevolgd door een cijfer gaande van 1 tot 3.

    Bij conventie werden aldus drie weerstanden van het menselijk lichaam, naargelang de huidvochtigheid, bepaald met drie overeenkomstige niet-gevaarlijke spanningen, conventionele spanningsgrenzen genoemd, zoals aangeduid in tabel 2.3 .

    Tabel 2.3 Conventionele absolute spanningsgrens UL

    Cd Toestand van het Conventionele absolute spannin
    gsgrens UL in V
    oe menselijk lichaam Wisselspanning Gelijkspanning
    met rimpel
    Gelijkspanning
    zonder rimpel
    BB1 Volledig droge huid of
    vochtigdoor transpiratie
    50 V 75 V 120 V
    BB2 Natte huid 25 V 36 V 60 V
    BB3 In water onder-
    gedompelde huid
    12 V 18 V 30 V
  2. b)

    Conventionele relatieve spanningsgrens U L (t)

    De conventionele relatieve spanningsgrens is een spanning die niet kan behouden blijven op een waarde groter dan de spanning U L( t ), gedurende een tijd langer dan t , aangegeven in tabel 2.4 .

    Tabel 2.4 Conventionele relatieve spanningsgrens UL(t)

    Maximale wer- Conven tionele relatieve _spanningsgrens U_L (t) in V
    kingsduur (t) in
    seconden
    B
    B1
    BB
    2
    Wisselspanning Gelijkspanning Wisselspanning Gelijkspanning
    < 50 < 120 < 25 < 60
    5 50 120 25 60
    1 72 155 43 89
    0,5 87 187 50 105
    0,2 207 276 109 147
    0,1 340 340 170 175
    0,05 465 465 227 227
    0,03 520 520 253 253
    0,02 543 543 263 263
    0,01 565 565 275 275

    De groep curven, opgesteld aan de hand van de waarden van de conventionele relatieve spanningsgrens U L( t ) in functie van de tijd, wordt verder in dit Boek veiligheidscurve genoemd.

2.4.2Isolaties

Isolatie: het geheel der isoleringen (vaste, vloeibare, gasvormige) die bij het vervaardigen van elektrisch materieel of een elektrische installatie gebruikt worden om de actieve delen te isoleren. De isolatie moet gedurende een minuut weerstaan aan een proefspanning op industriële frequentie waarvan de waarde wordt bepaald:

  • hetzij in de desbetreffende normen bekrachtigd door de Koning of geregistreerd door het NBN;

  • hetzij in bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen;

  • hetzij door Besluiten van de Ministers die respectievelijk Energie en het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk onder hun bevoegdheid hebben en dit ieder voor wat hem betreft;

  • hetzij op uitdrukkelijke wijze in het raam van dit Boek.

Basisisolatie: een isolatie die noodzakelijk is voor een normale werking van elektrisch materieel en elektrische installaties en die de fundamentele bescherming tegen elektrische schokken verzekert.

Dubbele isolatie: een isolatie waarin buiten de basisisolatie een onafhankelijke bijkomende isolatie wordt voorzien. De dubbele isolatie wordt gecontroleerd door typeproeven; zij moet gedurende een minuut een proefspanning doorstaan op industriële frequentie waarvan de waarde wordt bepaald:

  • hetzij in de desbetreffende normen, bekrachtigd door de Koning of geregistreerd door het NBN;

  • hetzij in bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen ;

  • hetzij bij Besluiten van de Ministers die respectievelijk Energie en het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk onder hun bevoegdheid hebben en dit ieder voor wat hem betreft;

  • hetzij op uitdrukkelijke wijze in het raam van dit Boek.

Het elektrisch materieel met dubbele isolatie moet het volgende symbool dragen, van buiten zichtbaar:

Totale isolatie: wordt toegepast bij geprefabriceerde schakel- en verdeelinrichtingen. Zij wordt uitgevoerd overeenkomstig hetzij de voorschriften van de desbetreffende door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde norm hetzij de bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze norm, en inzonderheid:

  1. a)

    het elektrisch materieel moet volledig met een isolerend materiaal omhuld zijn. Het omhulsel moet het volgende symbool dragen, van buiten zichtbaar:

    • ;

  2. b)

    de geprefabriceerde schakel- en verdeelinrichtingen moeten inwendig op een zichtbare wijze het volgende symbool dragen:

    Bijkomende isolatie: een isolatie die bij het installeren wordt aangebracht over de basisisolatie van elektrisch materieel teneinde voor dit materieel een veiligheid te bekomen die gelijkwaardig is met deze van de dubbele isolatie. Zij moet aan volgende voorwaarden voldoen:

  3. a)

    bij bedrijfsklaar elektrisch materieel bevinden de intermediaire delen zich in een isolerend omhulsel dat ten minste een beschermingsgraad IPXX-B biedt;

  4. b)

    het isolerend omhulsel kan weerstaan aan de te verwachten mechanische, elektrische, scheikundige en thermische invloeden;

  5. c)

    deklagen van verf, vernis en gelijkaardige stoffen voldoen meestal niet aan deze voorschriften met uitzondering van de omhulsels die de typeproeven hebben ondergaan en die bedekt zijn met een dergelijke laag indien hun gebruik toegelaten is door de desbetreffende regels en de isolerende bedekkingen beproefd zijn volgens de overeenkomstige beproevingsvoorwaarden;

  6. d)

    het isolerend omhulsel mag niet doorboord worden door metalen delen die een potentiaal zouden kunnen overbrengen. Het omhulsel mag geen schroeven uit isolerend materiaal bevatten waarvan de vervanging door een metalen schroef de isolatie die het omhulsel biedt in gevaar brengt. Wanneer mechanische verbindingen door het omhulsel gaan (bijvoorbeeld bedieningsorganen van ingesloten toestellen) moeten deze zo geschikt worden dat de bescherming tegen elektrische schokken niet in het gedrang komt;

  7. e)

    indien deuren of deksels zonder sleutel of gereedschap kunnen geopend worden moeten alle geleidende delen die genaakbaar worden als de deur of het deksel open is, zich achter een isolerende hindernis bevinden die ten minste een beschermingsgraad IPXX-B heeft om te beletten dat personen in aanraking komen met dergelijke delen. Deze isolerende hindernis mag slechts kunnen weggenomen worden met behulp van een sleutel of gereedschap;

  8. f)

    het volgende symbool moet op een zichtbare wijze aangebracht zijn op de buitenwand van het omhulsel:

    Versterkte isolatie: bestaat uit een bedekking van actieve delen met een enkelvoudige isolatie die zodanige mechanische en elektrische eigenschappen heeft dat ze een bescherming tegen elektrische schokken verzekert die gelijkwaardig is met deze van een dubbele isolatie. Ze is slechts toegelaten als het om constructieve redenen onmogelijk is een dubbele isolatie aan te brengen. Ze moet voldoen aan de voorwaarden van punten b. tot f.) van hierboven bepaalde Bijkomende isolatie.

2.4.3Indeling van het materieel met betrekking tot de bescherming tegen elektrische schokken

Klassen van elektrisch materieel: in verband met de bescherming tegen elektrische schokken wordt het elektrisch materieel voor lage en zeer lage spanning ingedeeld volgens drie criteria:

  • de isolatie tussen actieve en genaakbare delen;

  • de al dan niet bestaande mogelijkheid om genaakbare geleidende delen te verbinden met een beschermingsgeleider;

  • de toelaatbare spanningen.

Het elektrisch materieel wordt in volgende klassen ingedeeld:

  1. a)

    klasse 0: elektrisch materieel waarbij de bescherming tegen elektrische schokken enkel berust op de basisisolatie; dat wil zeggen dat niets voorzien is om eventueel genaakbare geleidende delen te verbinden met een beschermingsgeleider.

    • Elektrisch materieel van de klasse 0 heeft hetzij een omhulsel uit isolerend materiaal dat een deel of het geheel van de basisisolatie uitmaakt, hetzij een metalen omhulsel dat van de actieve delen door een gepaste isolatie gescheiden is. Indien elektrisch materieel, met een omhulsel uit isolerend materiaal, middelen bevat om inwendige delen te verbinden met een beschermingsgeleider moet het beschouwd worden als zijnde van de klasse I of 0I;

  2. b)

    klasse 0I: elektrisch materieel met ten minste een basisisolatie voor al zijn delen en met een beschermingsklem (of massaklem), maar uitgerust met een voedingskabel zonder beschermingsgeleider;

  3. c)

    klasse I: elektrisch materieel waarbij de bescherming tegen elektrische schokken niet uitsluitend berust bij de basisisolatie, maar waarbij de genaakbare geleidende delen verbonden moeten worden met een beschermingsgeleider zodat deze delen niet gevaarlijk kunnen worden door het in gebreke blijven van de basisisolatie. Bij elektrisch materieel gevoed via een soepele elektrische leiding, moet deze leiding een beschermingsgeleider omvatten;

  4. d)

    klasse II: elektrisch materieel waarbij de bescherming tegen elektrische schokken berust op:

    • hetzij de dubbele isolatie;

    • hetzij de versterkte isolatie.

    Het elektrisch materieel van de klasse II moet het volgende symbool dragen, van buiten zichtbaar:

    Deze maatregelen bevatten geen mogelijkheid tot aansluiting van een beschermingsaarding en hangen niet af van de wijze van installeren. Dergelijk materieel kan van één van de volgende types zijn:

    1. d.1

      klasse II met omhullende isolatie waarbij een duurzaam en nagenoeg continu omhulsel van isolerend materiaal alle metalen delen omsluit, behalve kleine delen zoals kenplaten, schroeven en klinknagels die van de actieve delen zijn gescheiden door een isolatie, ten minste gelijkwaardig met de versterkte isolatie;

    2. d.2

      klasse II met metalen omhulsel waarbij het nagenoeg continu metalen omhulsel de actieve delen omsluit en waarbij overal hetzij dubbele isolatie wordt aangebracht, hetzij een versterkte isolatie omdat een dubbele isolatie absoluut niet te verwezenlijken is.

    3. d.3

      klasse II die een samenstelling is van elektrisch materieel met omhullende isolatie en met metalen omhulsel. Indien elektrisch materieel in al zijn delen voorzien is van een dubbele isolatie en/of een versterkte isolatie, maar een uitwendige beschermingsklem bezit, wordt het aanzien als zijnde van de klasse l of 0I;

  5. e)

    klasse III: elektrisch materieel waarbij de bescherming tegen elektrische schokken bekomen wordt door voeding op zeer lage veiligheidsspanning en waarin geen spanningen, andere dan de zeer lage veiligheidsspanning voorkomen.

    Elektrisch materieel met een veiligheid gelijkwaardig met deze van toestellen van de klasse II: elektrisch materieel met een veiligheid gelijkwaardig met deze van toestellen van de klasse II is materieel dat bij zijn toepassingen beschouwd mag worden als zijnde van de klasse II alhoewel het niet volledig beantwoordt aan de bepaling van de klasse II. Vermits deze toestellen onderworpen worden aan zeer strenge proeven waardoor verzekerd wordt dat de mogelijkheid van het onder spanning komen van genaakbare delen klein is, worden ze beschouwd als toestellen met een veiligheid gelijkwaardig met deze van materieel van de klasse II.

    De Ministers die respectievelijk Energie en het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk onder hun bevoegdheid hebben en dit ieder voor wat hem betreft, leggen bij besluit de voorwaarden vast waaraan elektrisch materieel moet voldoen om beschouwd te worden als elektrisch materieel met een veiligheid gelijkwaardig met deze van toestellen van de klasse II.

2.5Aardingen

Aardingsinstallatie: geheel bestaande uit één of meerdere met elkaar verbonden aardverbindingen, de bijbehorende aardgeleiders en de beschermingsgeleiders.

Figuren 2.20. Aardingsinstallatie in wisselstroom en in gelijkstroom

  1. (1)

    hoofdpotentiaalvereffeningsverbinding

  2. (2)

    bijkomende potentiaalvereffeningsverbinding

  3. (3)

    beschermingsgeleider

  4. (4)

    aardverbinding van het net (5) hoofdbeschermingsgeleider (6) hoofdaardingsklem (7) aardingsonderbreker (8) aardgeleider

  5. (9)

    aardverbinding van de massa’s van de elektrische installatie (10) massa (11) gebinte (12) afvoer (13) verwarming (14) water

  6. (15)

    gas

    Aarde: vakterm die de aarde aanduidt niet alleen als plaats maar ook als geleidende stof, bv. het type grond, humus, teelaarde, zand, grind of rots.

    Aardelektrode: in de grond aangebracht geleidend deel, dat een elektrische verbinding verzekert met de aarde.

    Hulpaardelektrode: tijdelijke aardelektrode die bij het meten van de spreidingsweerstand van een aardelektrode doorlopen wordt door de meetstroom.

    Sonde: tijdelijke aardelektrode die bij het meten van de spreidingsweerstand van een aardelektrode in de bodem wordt aangebracht in de gemeenschappelijke neutrale zone van deze elektrode en van de hulpaardelektrode.

    Geometrische doorsnede van een geleider: fysische doorsnede van een geleider die meetbaar is met behulp van een toestel voor het meten van lengten.

    Gelijkwaardige elektrische doorsnede: doorsnede toegekend aan een geleider die aan de stroomdoorgang een weerstand biedt die gelijk is aan deze die geboden wordt door een koperen geleider met voormelde doorsnede als geometrische doorsnede en waarvan de weerstand bij 20 °C 1,83 /km bedraagt bij een doorsnede van 10 mm².

    Verlood koper: geleider die samengesteld is uit een vertinde koperen kern met een gelijkwaardige elektrische door-snede van minimaal 10 mm² die omgeven is met lood.

    Verkoperde stalen staaf: ronde stalen staaf bedekt met een laag koper welke een gemiddelde dikte heeft die ten minste gelijk is aan 250 micron.

    Gegalvaniseerd staal: warm gegalvaniseerd staal waarbij de dikte van de zinklaag ten minste 0,1 mm bedraagt.

    Nuttig deel van de aardelektrode: deel van de aardelektrode onder de vriesgrens (60 cm onder het maaiveld).

    Aardverbinding: één of meerdere aardelektroden die met elkaar blijvend verbonden zijn.

    Elektrisch gescheiden aardverbindingen: aardverbindingen die voldoende ver van elkaar verwijderd zijn zodat de maximale stroom, die door één ervan vloeit, de potentiaal van de andere niet gevoelig verandert.

    Aarding: aansluiting van een actief deel, een massa of een vreemd geleidend deel aan één of meerdere aardverbindingen.

    Beschermingsgeleider: geleider gebruikt bij het nemen van bepaalde beschermingsmaatregelen tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking en die massa’s verbindt met hetzij:

    • andere massa’s;

    • vreemde geleidende delen;

      • een aardverbinding;

    • een met de aarde verbonden geleider;

    • een met de aarde verbonden actief deel.

    Hoofdbeschermingsgeleider: geleider die enerzijds verbonden is met de aardgeleider(s) en anderzijds met de beschermingsgeleiders van de massa’s en zo nodig met deze van de vreemde geleidende delen en eventueel met de nulgeleider.

    Aardgeleider: beschermingsgeleider die de hoofdaardingsklem met de aardverbinding verbindt, waarbij de eventuele aardingsscheider geacht wordt deel uit te maken van deze aardgeleider.

    Aardgeleider van het middelpunt en/of van de M-geleider: geleider die bij gelijkstroom het middelpunt en/of een punt van de M-geleider verbindt met een aardverbinding.

    Aardgeleider van het nulpunt en/of van de N-geleider: geleider die bij wisselstroom het nulpunt en/of een punt van de N-geleider verbindt met een aardverbinding.

    Met uitzondering van de voorschriften van toepassing op deze geleider hetzij bij wisselstroom hetzij bij gelijkstroom, verwijst de term “aardgeleider van het nulpunt en/of van de nulgeleider” in dit Boek naar “de aardgeleider van het nulpunt en/of van de N-geleider en de aardgeleider van het middelpunt en/of van de M-geleider.

    Hoofdaardingsklem: verbindingsklem van de aardgeleider(s), van de hoofdbeschermingsgeleider(s) en van de hoofdequipotentiale geleider(s).

    Aardingsklem of beschermingsklem: verbindingsklem van de beschermingsgeleider van elektrisch materieel.

    Equipotentiaalzone of potentiaalvereffeningszone: ruimte waarin in geval van een fout in een elektrische installatie geen gevaarlijke potentiaalverschillen kunnen ontstaan.

    Equipotentiaalverbinding of potentiaalvereffeningsverbinding: afzonderlijke elektrische verbinding, voorzien om massa’s en/of vreemde geleidende delen op dezelfde of nagenoeg dezelfde potentiaal te brengen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen:

    • de hoofdequipotentiaalverbinding of de hoofdpotentiaalvereffeningsverbinding;

    • de bijkomende equipotentiaalverbinding of de bijkomende potentiaalvereffeningsverbinding;

    • plaatselijke, niet-geaarde equipotentiaalverbindingen of plaatselijke, niet-geaarde potentiaalvereffeningsverbindingen.

    Equipotentiaalgeleider of potentiaalvereffeningsgeleider: geleider bestemd om de equipotentiaalverbinding of de potentiaalvereffeningsverbinding te verwezenlijken.

    Neutrale zone of neutrale (referentie) aarde: deel van de aarde, buiten de beïnvloedingszone van een aardverbinding, waarin, tussen gelijk welke twee punten, geen waarneembaar potentiaalverschil kan voorkomen ten gevolge van een aardfoutstroom.

    Spreidingszone (van een aardverbinding): zone gelegen omheen de aardverbinding en buiten de neutrale zone.

    > Aardingsweerstand R E: (aardverspreidingsweerstand van een aardverbinding): weerstand tussen de aardverbinding en de referentieaarde.

    > Aardingsimpedantie Z E: impedantie tussen de aardingsinstallatie eventueel verbonden met andere aardingsinstallaties, en de referentieaarde.

    > Lusimpedantie van een aardverbinding Z EB: impedantie van de kring gevormd door de weerstand R E van de

    > aardverbinding in serie met de impedantie Z B van alle andere terugwegen naar de aarde.

2.6Elektrische stroombanen

2.6.1Algemene begrippen

Elementaire stroombaan: deel van een elektrische installatie tussen twee opeenvolgende beschermingsinrichtingen tegen overstroom (hoofdstroombaan) of deel na de laatste beschermingsinrichting (eindstroombaan).

Exclusief toegekende stroombaan (in dit Boek ook toegekende stroombaan genoemd) : elementaire stroombaan (hoofdstroombaan of eindstroombaan) bedoeld voor de exclusieve voeding van een of meerdere verbruikstoestellen bestemd voor een specifiek doel.

Stroombaan: geheel dat bestaat uit een of meerdere elementaire stroombanen.

Begin van een stroombaan: onder begin van een stroombaan wordt verstaan, hetzij het begin van de elektrische leiding, hetzij de plaats waar de doorsnede, aard of samenstelling van de elektrische leiding of haar plaatsingswijze verandert.

Veiligheidsstroombaan: stroombaan die de veiligheidsbron met de veiligheidsverbruiker(s) verbindt.

Kritische stroombaan: stroombaan die de normale bron en/of de vervangingsbron met de kritische verbruiker(s) verbindt.

2.6.2Stromen

Periodische stroom: stroom met een waarde die zich herhaalt met gelijke tussentijden, perioden genoemd.

Wisselstroom: periodische stroom waarvan de gemiddelde waarde per periode nul is; bij uitbreiding, in dit Boek, elke stroom die tijdens elke periode van teken verandert.

Gelijkstroom: stroom met een waarde die zich ieder ogenblik herhaalt of een periodische stroom die niet van teken verandert tijdens de periode.

Nominale stroom: conventionele waarde van de stroom die de werkingsvoorwaarden van de beschermingsinrichting bepaalt. De instelstroom moet aanzien worden als de nominale stroom voor de regelbare beschermingstoestellen ( I n).

Toelaatbare stroom in een geleider: de constante stroom die onder de gegeven omstandigheden door een geleider kan vloeien zonder dat de permanente regimetemperatuur van de geleider hoger wordt dan de opgegeven waarde ( I Z).

Bedrijfsstroom van een stroombaan: de stroomsterkte waarmee rekening moet worden gehouden bij het vastleggen van de vereiste kenmerken voor de bestanddelen van de stroombaan ( I B). In doorlopend bedrijf komt de bedrijfsstroom overeen met de grootste stroomsterkte die in normale omstandigheden in de stroombaan vloeit. In onderbroken bedrijf moet men de thermisch gelijkwaardige stroom in rekening brengen die bij doorlopend bedrijf de samenstellende delen van de stroombaan op dezelfde temperatuur zou brengen.

Overstroom: bij een elektrische machine of toestel, iedere stroomsterkte die groter is dan de nominale stroom; bij een geleider, iedere stroomsterkte die groter is dan de toelaatbare stroom I Z.

Kortsluiting: rechtstreekse fout of fout met een te verwaarlozen impedantie.

Kortsluitstroom: overstroom die ontstaat door een kortsluiting.

Overbelastingsstroom: overstroom in een foutloze elektrische stroombaan.

Residuele differentieelstroom: algebraïsche som van de ogenblikkelijke waarden van de stromen doorheen alle actieve geleiders van een stroombaan in een punt van de elektrische installatie ( I n).

Werkelijke kortsluitstroom: waarde van de berekende of gemeten kortsluitstroom, rekening houdend met het beperkend vermogen van de beschermingsinrichting en met alle impedanties in de stroombaan die stroomopwaarts van de fout gelegen zijn.

2.6.3Transformatoren en omvormers

Scheidingstransformator: transformator waarvan de primaire en secundaire wikkelingen elektrisch gescheiden zijn met het oog op het beperken van de gevaren bij toevallig gelijktijdig contact met de massa en de actieve delen of de delen die actief kunnen worden bij een isolatiefout. De isolatie tussen de primaire en secundaire wikkelingen verzekert een graad van bescherming die gelijkwaardig is met deze van een basisisolatie ( afdeling 2.4.2. ).

Beschermingstransformator: transformator waarvan de primaire en secundaire wikkelingen elektrisch gescheiden zijn met het oog op het beperken van de gevaren bij toevallig gelijktijdig contact met de massa en de actieve delen of de delen die actief kunnen worden bij een isolatiefout. De isolatie tussen de primaire en secundaire wikkelingen verzekert een graad van bescherming die gelijkwaardig is met deze van een dubbele isolatie ( afdeling 2.4.2. ).

Veiligheidstransformator: beschermingstransformator bestemd voor het voeden van een of meerdere stroombanen op ZLVS.

Omvormer: toestel dat een spanning U1 en/of een frequentie f1 omzet in een spanning U2 en/of een frequentie f2 (unidirectioneel) of in omgekeerde zin (bidirectioneel).

DC-DC omvormer (ook onder meer hakker, adapter genoemd): U1 en U2 zijn gelijkspanningen.

AC-DC omvormer (ook onder meer gelijkrichter, adapter genoemd): U1 is een wisselspanning en U2 is een gelijkspanning.

DC-AC omvormer (ook onder meer wisselrichter, invertor genoemd): U1 is een gelijkspanning en U2 is een wisselspanning.

AC-AC omvormer (ook onder meer transformator genoemd): U1 en U2 zijn wisselspanningen.

Frequentie-omvormer of -regelaar: U1, f1 worden omgezet in U2, f2.

2.6.4Kenmerken van de beschermingsinrichtingen

Differentiële aanspreekstroom: waarde van de residuele differentiële stroom die de werking van een beschermingsinrichting veroorzaakt.

Naargelang de gevoeligheid van het toestel worden differentieelstroombeschermings-inrichtingen ingedeeld in vier categorieën, te weten:

  • toestellen met lage gevoeligheid, bij dewelke de differentiële aanspreekstroom hoger is dan 1000 mA;

  • toestellen met middelmatige gevoeligheid, bij dewelke de differentiële aanspreekstroom hoger is dan 30 mA in wisselstroom of gelijkstroom met rimpel en 80 mA in gelijkstroom zonder rimpel en lager dan of gelijk aan 1000 mA;

  • toestellen met hoge gevoeligheid, bij dewelke de differentiële aanspreekstroom hoger is dan 10 mA in wisselstroom of gelijkstroom met rimpel en 20 mA in gelijkstroom zonder rimpel en ten hoogste 30 mA in wisselstroom of gelijkstroom met rimpel en 80 mA in gelijkstroom zonder rimpel;

  • toestellen met zeer hoge gevoeligheid, bij dewelke de differentiële aanspreekstroom ten hoogste 10 mA is in wisselstroom of gelijkstroom met rimpel en 20 mA in gelijkstroom zonder rimpel.

Conventionele aanspreekstroom: de bepaalde waarde van de stroom vanaf dewelke en waarboven het beschermingstoestel werkt binnen een bepaalde tijd ( I f).

Onderbrekingsvermogen: waarde van de stroom die het beschermingstoestel kan onderbreken op een welbepaalde spanning en onder voorgeschreven gebruiks- en werkingsvoorwaarden.

Conventionele niet-aanspreekstroom: de aangeduide stroom die gedurende een zekere tijd door een beschermingsinrichting kan vloeien, zonder dat deze laatste in werking treedt ( I nf).

Bij de smeltzekeringen wordt deze stroom de conventionele niet-doorsmeltstroom genoemd.

Bij de vermogensschakelaars wordt deze stroom de conventionele niet-uitschakelstroom genoemd, waarbij deze stroom groter is dan de nominale stroom of de ingestelde stroom terwijl de aanspreektijd, die volgens type en nominale stroom kan verschillen, ten minste gelijk is aan 1 uur.

Aanspreek-joule-integraal: met betrekking tot een stroombaan beschermd door een smeltzekering of een vermogensschakelaar moet de Joule-integraal over de aanspreektijd van de smeltzekering of van de vermogensschakelaar beschouwd worden als een soortelijke energie, dit wil zeggen de energie die in warmte wordt omgezet in een gedeelte van een stroombaan met een weerstand van 1 Ω.

Joule-integraal eigen aan een zekering: grafiek die de waarde van I ² t aangeeft (voor de boog of bij aanspreekwaarde) in functie van de te verwachten stroom en onder welbepaalde werkingsvoorwaarden.

Joule-integraal eigen aan een vermogensschakelaar: grafiek die de maximale waarde van I ²t aangeeft (over de onderbreektijd), gemeten in de meest ongunstige voorwaarden van de onderbreking van de kortsluiting, in functie van de te verwachten stroom en onder welbepaalde werkingsvoorwaarden.

Snijpuntstroom: grootste waarde van de overstroom waarbij in een serieschakeling van een beschermingsinrichting en een vermogensschakelaar, deze beschermingsinrichting niet aanspreekt, doordat de vermogensschakelaar de stroombaan eerder afschakelt.

2.7Leidingen

2.7.1Algemene begrippen

Elektrische geleider (in dit Boek geleider genoemd): een blank of geïsoleerd lichaam bestemd om een elektrische stroom te voeren.

Elektrische leiding: samenstel van één of meerdere elektrische geïsoleerde geleiders, kabels, draden of railstellen en de elementen die zijn bestemd voor de bevestiging ervan en, zo nodig, hun mechanische bescherming.

Onder elektrische leiding met een veiligheid gelijk aan deze van de klasse II wordt verstaan:

  • hetzij een elektrische kabel van de klasse II die geen enkele geleidende bekleding omvat, ongeacht het gaat om een mantel, een wapening of elke andere bekleding, of deze bekleding uitwendig is of zelf vervat is in een isolerende mantel;

  • hetzij een elektrische leiding die niet beantwoordt aan de maatstaven van de klasse II, maar een voldoende veiligheid biedt wegens het bijzonder gebruik ervan.

De Ministers die respectievelijk Energie en het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk onder hun bevoegdheid hebben en dit ieder voor wat hem betreft, kunnen bij besluit, de elektrische leidingen als hebbende een veiligheid die gelijkwaardig is met deze toestellen van de klasse II klasseren.

Geïsoleerde geleider: het geheel van de kern, zijn isolerende bekleding en zijn eventuele schermen.

Joule-integraal eigen aan een geïsoleerde geleider bij kortsluiting: waarde van de Joule-integraal overeenstemmend met de hoeveelheid energie die nodig is om de temperatuur van de geleider vanaf zijn regimetemperatuur op te voeren tot de toegelaten grenstemperatuur door adiabatische verwarming als gevolg van een kortsluiting. Deze waarde hangt af van de overeenstemmende waarden voor de beschermingsinrichting tegen kortsluiting (smeltzekeringen, vermogensschakelaars) en verandert in functie van de aard van het metaal en de isolatie.

Kabel: samenstel van een of meer geïsoleerde geleiders, hun eventuele individuele mantel, de bescherming van de samenstelling en de beschermende laag of lagen. Additionele ongeïsoleerde geleiders kunnen in de kabel zijn omvat.

Eenaderige kabel: kabel met één enkele geïsoleerde geleider.

Mantel (van een kabel): doorlopende en eenvormige externe bekleding uit metalen of niet-metalen materiaal, meestal geëxtrudeerd.

Verbinding: algemene term die elke elektrische verbinding aanduidt die bestemd is om de elektrische continuïteit te verzekeren tussen twee of meerdere geleidende systemen (geleiders, geleidende delen, toestellen, uitrustingsmaterieel).

Koppeling: verbinding van twee uiteinden van geleiders.

Aftakking: verbinding van één of meerdere elektrische leidingen (elektrische aftakkingsleidingen genoemd) met een punt van een andere elektrische leiding (elektrische hoofdleiding genoemd).

Wapening van een kabel: een gedeelte van de bekleding, bestaande uit metalen banden of draden, bedoeld om de kabel te beschermen tegen uitwendige mechanische inwerking.

Scherm: geleidende mantel die een of meer geïsoleerde geleiders omhult. Deze geleidende mantel moet een lineair geleidingsvermogen hebben dat bepaald wordt door de desbetreffende door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde norm.

Kabelsleuf: in een terrein gemaakte uitgraving om kabels in te leggen waarna de uitgraving gedempt wordt.

Telecommunicatielijn of -kabel: onder telecommunicatielijnen of -kabels wordt verstaan lijnen of kabels die uitsluitend dienen voor telefoon-, telegraaf-, telesignalisatie-, afstandsbedienings- en teledistributieverbindingen (met inbegrip van de voeding der versterkers) en in het algemeen voor de overdracht van gegevens of informaties, alsook voor elk telecommunicatiesysteem van welke aard ook.

Luchtlijn: het geheel van een installatie bestemd voor transmissie van elektrische energie en bestaande uit steunen, energiegeleiders die eventueel aan isolatoren zijn bevestigd en eventueel aardgeleiders of waakdraden.

Driestel: geheel van de drie lijngeleiders van een driefasige luchtlijn; een luchtlijn kan een of meerdere driestellen omvatten.

Steun: paal uit hout, beton of profielijzer; buisvormige metalen mast; vakwerkmast in hoekijzers of buizen; draagijzers en verder elk element dat de geleiders draagt, eventueel door middel van isolatoren.

Isolator: onderdeel dat dient om de geleiders te dragen en om ze onderling en ten opzichte van de aarde elektrisch te isoleren.

Ankersteun: steun die in staat is de kabels in een spanwijdte vast te houden, ook bij toevallige breuk van alle kabels in de naastliggende spanwijdte.

Eindsteun: steun die in staat is de laatste draagwijdte van een lijn te ondersteunen (t.t.z. zonder de aangrenzende spanwijdte).

Tuikabel: mechanisch element dat door zijn samenstelling enkel op tractie kan belast worden en dat de steun verbindt met een vast punt, zoals bijvoorbeeld een nabijgelegen constructie of een zwaar verankeringsmassief, teneinde de stabiliteit van de steun te verhogen.

Voorgebundelde leiding: een geheel van geleiders dat een verhoogde isolatie met grote weerstand tegen weersinvloeden bezit. De voorgebundelde leiding voor netten is samengesteld uit lijngeleiders, een dragend deel dat als nulgeleider kan dienen en eventueel geleiders voor de openbare verlichting. De lijngeleiders en de geleiders voor openbare verlichting zijn getwijnd rond de drager die zich in het centrum van de bundel bevindt. De voorgebundelde leiding voor aansluitingen is samengesteld uit:

  • meerdere getwijnde geleiders waarvan één kan dienen als nulgeleider;

  • eventueel een dragend deel.

Dragend deel: een draad of een geheel van in elkaar gedraaide draden, al of niet geïntegreerd in een voorgebundelde leiding, dat op zichzelf de mechanische trekvastheid van deze voorgebundelde leiding verzekert.

Connector: een geheel bestemd om een elektrische machine of toestel dat niet vast werd opgesteld elektrisch te verbinden met een soepele elektrische leiding. Het bestaat uit twee delen:

  • een koppelcontactstop die vast deel uitmaakt van de soepele elektrische voedingsleiding of bestemd is om ermee verbonden te worden;

  • een toestelcontactdoos ingebouwd in of bevestigd op het verplaatsbaar gebruikstoestel of machine.

Kabel of geïsoleerde geleider afzonderlijk geïnstalleerd: een kabel of een geïsoleerde geleider die op een afstand groter dan of gelijk aan 20 mm van elke andere kabel of geïsoleerde geleider is geïnstalleerd.

Kabel of geïsoleerde geleider in bundel of in laag geïnstalleerd : een kabel of een geïsoleerde geleider die niet afzonderlijk is geïnstalleerd.

2.7.2Plaatsingswijzen

Holle blok: plaatsingsmateriaal bestaande uit delen in vast materiaal (zoals beton) waarin holten vrijgelaten blijven voor de doorgang van kabels.

Figuur 2.21Plaatsingswijze «holle blok»

Kabelkanaal: gracht of kanaal gelegen onder het peil van de grond of de vloer en waarvan de afmetingen niet toelaten erin te bewegen. Wanneer hij gesloten kan worden moeten de kabels bereikbaar zijn over hun totale lengte.

Figuur 2.22Plaatsingswijze «kabelkanaal»

Kabelrek: plaatsingsmateriaal in volle of geperforeerde profielelementen, om de kabels op hun weg te ondersteunen.

Figuur 2.23Plaatsingswijze «kabelrek»

Buis: plaatsingsmateriaal dat een doorlopende bescherming voor de geleiders toelaat in niet-opengaande buisvormige elementen.

Figuur 2.24Plaatsingswijze «buis»

Overtrek (of huls): deel rond een elektrische leiding, dat een bijkomende bescherming geeft aan de elektrische leiding voor de doorgang van wanden (muurschot, vloer, plafond) of van ondergrondse stukken.

Koker: ruimte boven grondniveau met afmetingen die niet toelaten zich erin te bewegen en die zodanig is uitgevoerd dat de kabels bereikbaar zijn over heel hun lengte. Een koker kan al dan niet deel uitmaken van het bouwwerk zelf.

Galerij: ruimte waarvan de afmetingen zodanig zijn dat personen zich erin kunnen bewegen.

Kabelbaan: plaatsingsmateriaal met volle of geperforeerde geprofileerde wanden, voorzien om geleiders of kabels te bevatten, en gesloten met behulp van een afneembaar deksel.

Figuur 2.25Plaatsingswijze «kabelbaan»

Haak: in een wand aan één van zijn uiteinden vastgezet stuk, dat op onderbroken wijze de kabel draagt.

Figuur 2.26Plaatsingswijze «haak»

Goot: plaatsingsmateriaal, met volle of geperforeerde geprofileerde wanden, geopend aan de bovenzijde om de kabels over horizontale trajecten te dragen.

Figuur 2.27Plaatsingswijze «goot»

Lijst: plaatsingsmateriaal bestaande uit een basis, voetstuk genoemd, dat gleuven bevat waarin geleiders kunnen geplaatst worden, en dat afgesloten wordt met een afneembaar deksel. Deze kan ter versiering geprofileerd zijn.

Figuur 2.28Plaatsingswijze «lijst»

Gegroefde plinten of lijsten: plint (of lijst) met gleuven waarin geleiders of eventueel kabels kunnen geplaatst worden en die afgesloten worden met een afneembaar deksel.

Figuur 2.29Plaatsingswijze «gegroefde plinten of lijsten»

Gleuf: lange smalle inkerving aangebracht in een materiaal en bereikbaar over haar totale lengte.

Groef: lange smalle opening aangebracht in een bouwmateriaal, teneinde er buizen of bepaalde typen van elektrische leidingen in te plaatsen en die na het plaatsen weer afgedicht wordt.

Kraagstuk: plaatsingsmateriaal bestaande uit een in een verticale wand aangebrachte doorlopende horizontale steun, waarop de kabels gelegd worden.

Figuur 2.30Plaatsingswijze «kraagstuk»

Holle constructieruimte: ruimte tussen de wanden van gebouwen en slechts op bepaalde plaatsen toegankelijk (tussen muren, achter normale lijsten, tussen wanden, vloeren en plafonds).

Aan de wand bevestigde elektrische leiding: aan een wand of er vlak naast geplaatste elektrische leiding, waarbij de wand dienst doet als bevestigingsmiddel en eventueel een bescherming vormt.

2.8Materieel

2.8.1Algemene begrippen

Elektrische machine of elektrisch toestel: apparaat dat dient voor productie, omvorming, distributie of gebruik van elektrische energie.

Elektrisch materieel: de elektrische machines, toestellen en leidingen.

Een geheel bestaande uit elektrische machines, toestellen en leidingen conform de normen voor apparatuur onder omhulsel, bekrachtigd door de Koning of geregistreerd door het Bureau voor Normalisatie (NBN) wordt eveneens als elektrisch materieel aanzien.

Laagspanningsschakel- en verdeelinrichting: combinatie van één of meerdere laagspanningsverbindingstoestellen met bijbehorend materieel voor besturing, meting, signalering, beveiliging, regeling..., volledig samengebracht, met al hun inwendige elektrische en mechanische verbindingen en hun structuurelementen.

Schakelinrichtingssysteem: volledige reeks mechanische en elektrische componenten (omhulsels, railstellen, functionele eenheden, …) zoals beschreven door de oorspronkelijke fabrikant, die aan de hand van de aanwijzingen van de oorspronkelijke fabrikant in elkaar worden gezet om schakelinrichtingen te produceren.

Steunen voor ontladingslampen: staven en bevestigingsbeugels die bestemd zijn om lampen of buizen te dragen. De delen die dienen als steun voor de voeding van de lampen zijn evenwel uitgesloten.

2.8.2Verplaatsingsmogelijkheden

Verplaatsbaar toestel of verplaatsbare machine: elektrisch toestel dat of elektrisch machine die verplaatst wordt tijdens zijn werking, of, wanneer het verbonden is met een voedingsstroombaan, gemakkelijk kan verplaatst worden, hetzij door eigen middelen, hetzij door de gebruiker en dit ongeacht of het toestel of de machine onder spanning staat of niet.

Draagbaar toestel of draagbare machine: verplaatsbaar toestel dat of verplaatsbare machine die werd opgevat, om tijdens het normaal gebruik, met de hand te worden gedragen en waarvan de werking de voortdurende manuele tussenkomst ter ondersteuning of geleiding vereist.

Vast toestel of vaste machine: toestel dat of machine die op een vaste plaats werd opgesteld of niet gemakkelijk kan verplaatst worden.

Vast opgesteld toestel of vast opgestelde machine: elektrische machine die of elektrisch toestel die vast verzegeld is of opgesteld werd en dit op een welbepaalde plaats.

Verplaatsbaar toestel of verplaatsbare machine met vaste standplaats: vast toestel dat of vaste machine die niet behoort tot de vast opgestelde toestellen. Het zijn elektrische machines of toestellen zoals een keukenfornuis, koelkast, afwasmachine en dergelijke die toevallig verplaatst worden bijvoorbeeld bij het reinigen van het lokaal waar ze staan opgesteld. Een elektrische radiator voorzien van wielen of een verplaatsbare lamphouder zijn echter als verplaatsbare toestellen te beschouwen.

Trolley: een hulpmiddel dat de elektrische voeding van een verplaatsbaar toestel of verplaatsbare machine via sleepcontacten mogelijk maakt.

2.9Scheiding en besturing

Omnipolaire onderbreking: onderbreking van alle actieve geleiders van een stroombaan, de nulgeleider inbegrepen.

Veiligheidsonderbreking: maatregelen tot scheiding bij niet-automatische sturing, die worden aangewend om het gevaar voor personen die werken aan elektrisch gevoede machines of toestellen te vermijden of uit te schakelen.

Scheider: systeem bestemd om een hele installatie of een gedeelte ervan spanningsloos te stellen door de installatie te scheiden van iedere elektrische energiebron. Op deze wijze wordt de veiligheid van personen verzekerd die werken aan of in de nabijheid van delen die een gevaar betekenen bij rechtstreekse aanraking.

Scheiding voor mechanisch onderhoud: systeem bestemd om de voeding van gedeelten van het elektrisch gevoed materieel te onderbreken. Dit wordt verwezenlijkt om ongevallen te voorkomen die weliswaar niet te wijten zijn aan elektrische schokken of boogontladingen maar die bij het niet-elektrisch onderhoud zouden kunnen voorkomen.

Elektrische noodafschakeling: systeem bestemd om zo spoedig mogelijk de gevaren uit te schakelen die onvoorzien kunnen optreden. Wanneer deze maatregel wordt getroffen om een gevaarlijke beweging te stoppen wordt deze noodstop genoemd.

Functionele bediening: systeem bestemd om het sluiten, openen of regelen van de elektrische voeding te verzekeren. Dit kan geschieden voor een gedeelte van de elektrische installatie, een elektrisch gebruikstoestel of een elektrische machine teneinde op deze wijze de bediening voor normale werking te verwezenlijken.

Handbediening: sturing van een werkingsgang door rechtstreekse menselijke tussenkomst.

Automatische sturing: sturing van een werkingsgang verwezenlijkt zonder menselijke tussenkomst op het ogenblik dat vooraf bepaalde voorwaarden vervuld zijn.

2.10Uitwendige invloeden

2.10.1Algemeenheden

De classificatie van uitwendige invloeden vormt een zo volledig mogelijke inventaris van alle uitwendige omstandigheden die een invloed kunnen hebben op de elektrische installatievoorschriften.

Om de classificatie van de verschillende parameters te vergemakkelijken, werd een alfanumerieke code opgesteld.

De verschillende parameters van uitwendige invloeden zijn volgens hun rol ingedeeld in 3 grote categorieën:

  • de omgevings omstandigheden die onafhankelijk zijn van de aard van de installaties en van de ruimten en betrekking hebben op uitwendige verschijnselen afkomstig van de atmosfeer, het klimaat, de omgevingstoestand en andere omstandigheden in de ruimte waar de elektrische installatie zich bevindt;

  • de gebruiks omstandigheden van de betrokken ruimten en van de elektrische installaties zelf;

  • de gevolgen van de bouwwijze van de gebouwen , hun structuur en de aard van de gebruikte materialen.

Tabel 2.5 Categorieën van uitwendige invloeden

Eerste letter van de code Categorie
A Omgevingsomstandigheden
B Gebruik
C Constructie vande gebouwen

2.10.2Omgevingstemperatuur (AA)

Om de uitwendige invloed “omgevingstemperatuur” aan te duiden wordt een code gebruikt die samengesteld is uit de letters AA gevolgd door een cijfer gaande van 1 tot 6, zoals aangeduid in tabel 2.6 .

Tabel 2.6 Uitwendige invloeden Omgevingstemperatuur (AA)

Code Omgevingstemperatuur Voorwaarden Voorbeelden
AA1 Uiterst koud -60 °C tot +5 °C Diepvriesruimten …
AA2 Zeer koud -40 °C tot +5 °C Koelruimten …
AA3 Koud -25 °C tot +5 °C Openlucht omgeving…
AA4 Gematigd -5 °C tot +40 °C Gematigde omgeving…
AA5 Warm +5 °C tot +40 °C Ingesloten lokalen …
AA6 Zeer warm +5 °C tot +60 °C Ketelhuizen,machinezalen …

Onder bijzondere voorwaarden mag een andere code gebruikt worden, zie tabel 2.7.

 Tabel 2.7. Uitwendige invloeden Omgevingstemperatuur (AA) Bijzondere voorwaarden

Code Omgevingstemperatuur Voorwaarden Voorbeelden
AA7 Koud -15 °C tot +25 °C Buiten de lokalen …
AA8 Gematigd +5 °C tot +30 °C Gewoonlijk verwarmde lokalen …

Een lokaal of een plaats kan gekarakteriseerd worden door samenstelling van 2 of 3 temperatuurklassen. Dit is bijvoorbeeld het geval voor installaties in openlucht: AA3+5 (-25 °C tot +40 °C) en voor gieterijen: AA4+6 (- 5 °C tot +60 °C).

2.10.3Aanwezigheid van water (AD)

Om de uitwendige invloed “ aanwezigheid van water” aan te duiden wordt een code gebruikt die samengesteld is uit de letters AD gevolgd door een cijfer van 1 tot 8, zoals aangegeven in tabel 2.8 .

Tabel 2.8 Uitwendige invloeden Aanwezigheid van water (AD)

Code Aanwezigheid van water Voorwaarden Voorbeelden
AD1 Te verwaarlozen
aanwezigheid van water
Over het algemeen geen sporen van
vochtigheid
Droge ruimten, bv. woonkamers,
kamers,burelen ...
AD2 Tijdelijk vochtig Verticaal vallende waterdruppels.
Toevallige vorm van condensatie
van vocht of toevallige aanwezig-
heid van waterdamp
Tijdelijk vochtige ruimten, bv.
bepaalde keukens, kelders, over-
dekte terrassen, wc’s, individue-
legarages ...
AD3 Vochtig Vloeien van water langs wanden of
over vloeren. Besprenkeling met
water. Water in de vorm van regen
(max. 60° t.o.v. de verticale)
Vochtige ruimten, bv. vuilnis-
lokalen, bijstations van stoom of
warm water ...
AD4 Nat Vloeien en spatten van water in alle
richtingen
Natte ruimten, bv. werven, sau-
na’s,koelkamers ...
AD5 Besproeid Waterstralen onder druk en in alle
richtingen
Blootgestelde ruimten bv. stort-
baden,stallen,slagerijen ...
AD6 Inwerking van
watermassa’s
Wassen met waterstraal en water-
massa’s
Pieren, kaaien, stranden …
AD7 Overstroomd Diepte van het water 1 m. Ondiepe baden, bijvoorbeeld
deze van fonteinen …
AD8 Ondergedompeld Diepte van het water > 1 m. Diepe baden …

2.10.4Aanwezigheid van vreemde vaste lichamen (AE)

Om de uitwendige invloed “ aanwezigheid van vreemde vaste lichamen” aan te duiden wordt een code gebruikt die samengesteld is uit de letters AE gevolgd door een cijfer van 1 tot 4, zoals aangegeven in tabel 2.9 .

Tabel 2.9 Uitwendige invloeden Aanwezigheid van vreemde vaste lichamen (AE)

Code Vreemde vaste lichamen
AE1 Grote afmetingen
AE2 Kleinste afmeting2,5 mm
AE3 Kleinste afmeting1 mm
AE4 Stofdeeltjes

2.10.5Aanwezigheid van corrosieve en vervuilende stoffen (AF)

Om de uitwendige invloed “ aanwezigheid van corrosieve en vervuilende stoffen” aan te duiden wordt een code gebruikt die samengesteld is uit de letters AF gevolgd door een cijfer gaande van 1 tot 4 zoals aangegeven in tabel 2.10 .

Tabel 2.10 Uitwendige invloeden Aanwezigheid van corrosieve of vervuilende stoffen (AF)

Code Corrosieve en
vervuilende stoffen
Voorwaarden Voorbeelden
AF1 Verwaarloosbaar Geen enkele invloed van corro-
sieve of vervuilende stoffen
zowel door hun aard als door hun
eigenschappen
Huishoudelijke lokalen, voor het publiek toe-
gankelijke lokalen, en in het algemeen alle
lokalen waarin chemische of corrosieve stof-
fen noch bewerkt noch opgeslagen worden …
AF2 Van atmosferische
oorsprong
Nabijheid van de zee of van
bedrijven die belangrijke hoe-
veelheden vervuilende stoffen
voortbrengen
Gebouwen in de nabijheid van scheikundige
bedrijven, cementfabrieken ...
AF3 Afwisselend of
toevallig
Kortstondige of toevallige inwer-
king van scheikundige of corro-
sieve producten voor normaal
gebruik
Fabriekslaboratoria, onderwijslaboratoria,
garages, ketelhuizen ...
AF4 Bestendig Bestendige inwerking van schei-
kundige, corrosieve of vervuilen-
de producten
Scheikundige industrieën, industrieën waarin
gebruik gemaakt wordt van scheikundige of
corrosieve producten (verven, verchromen,
koolwaterstoffen,kunststoffen...)…

2.10.6Mechanische belastingen veroorzaakt door schokken (AG)

Om de uitwendige invloed “mechanische belastingen veroorzaakt door schokken” aan te duiden wordt een code gebruikt die samengesteld is uit de letters AG gevolgd door een cijfer gaande van 1 tot 3 overeenkomstig hetgeen volgt:

  • AG1: de belasting stemt overeen met een schokenergie van maximaal 1 J en de overeenkomstige schokweerstandsgraad is IP XX-4. Dergelijke belasting bestaat in normale gebruiksvoorwaarden bij materieel voor huishoudelijk en daarmee gelijkgesteld gebruik.

  • AG2: de belasting stemt overeen met een schokenergie van maximaal 6 J en de overeenkomstige schokweerstandsgraad is IP XX-7. Dergelijke belasting bestaat in normale gebruiksvoorwaarden bij materieel voor industrieel gebruik.

  • AG3: de belasting stemt overeen met een schokenergie van maximaal 60 J en de overeenkomstige schokweerstandsgraad is IP XX-11. Dergelijke belasting bestaat in zware gebruiksvoorwaarden bij materieel voor industrieel gebruik.

2.10.7Mechanische belastingen veroorzaakt door trillingen (AH)

Om de uitwendige invloed “ mechanische belastingen veroorzaakt door trillingen” aan te duiden wordt een code gebruikt die samengesteld is uit de letters AH gevolgd door een cijfer gaande van 1 tot 3, zoals aangegeven in tabel 2.11 .

Tabel 2.11 Uitwendige invloeden Mechanische belastingen veroorzaakt door trillingen (AH)

Code Trillingen Voorwaarden Voorbeelden
AH1 Zwak Geen enkele trilling Huishoudelijke lokalen en, in het alge-
meen,vast materieel zonder motor …
AH2 Middelmatig Zwakke trillingen Materieel dat motoren of bewegende
delen bevat …

Nabijheid van trilzeven of triltoestellen …

AH3 Belangrijk Belangrijke trillingen Nabijheid van trilzeven of triltoestellen …

2.10.8Aanwezigheid van flora en/of schimmelvorming (AK) en fauna (AL)

Om de uitwendige invloed “ aanwezigheid van flora en/of schimmelvorming en fauna” aan te duiden wordt een code gebruikt die samengesteld is uit de letters AK respectievelijk AL gevolgd door het cijfer 1 of 2, zoals aangegeven in tabel 2.12 .

Tabel 2.12 Uitwendige invloeden Aanwezigheid van flora en/of schimmelvorming (AK) en fauna (AL)

Code Flora en fauna Voorwaarden Voorbeelden
A anwezigheid van flora en
/of schimmelvorming
AK1 Verwaarloosbaar Geen gebruiks-
beperkingen
Afwezigheid van schadelijke inwerking te wijten
aan de flora of aan schimmels
AK2 Mogelijk Speciale bescherming
Aanwezigheid
Schadelijke of overmatige ontwikkeling van plan-
ten
vanfauna
AL1 Verwaarloosbaar Geen gebruiks-
beperkingen
Afwezigheid van schadelijke inwerking te wijten
aan de fauna
AL2 Mogelijk Speciale bescherming Aanwezigheid van insecten, dieren of vogels in
schadelijke hoeveelheden of van agressieve aard

2.10.9Elektromagnetische, elektrostatische of ioniserende invloeden (AM)

Om de uitwendige invloed “ elektromagnetische, elektrostatische of ioniserende invloeden” aan te duiden wordt een code gebruikt die samengesteld is uit de letters AM gevolgd door een cijfer van 1 tot 6, zoals aangegeven in tabel 2.13 .

Tabel 2.13 Uitwendige invloeden Elektromagnetische, elektrostatische of ioniserende invloeden (AM)

Code Elektromagnetische, elektrostatische of ioniserende invloeden
AM1 Afwezigheid van schadelijke invloeden veroorzaakt door zwerfstromen,
elektromagnetische stralingen,ioniserende stralingen of inductiestromen
AM2 Schadelijke aanwezigheid van zwerfstromen
AM3 Schadelijke aanwezigheid van elektromagnetische stralingen
AM4 Schadelijke aanwezigheid van ioniserende stralingen
AM5 Schadelijke elektrostatische invloeden
AM6 Schadelijke aanwezigheid van inductiestromen

2.10.10Zonnestraling (AN)

Om de uitwendige invloed “ zonnestraling” aan te duiden wordt een code gebruikt die samengesteld is uit de letters AN gevolgd door het cijfer 1 of 2, zoals aangegeven in tabel 2.14 .

Tabel 2.14 Uitwendige invloeden Zonnestraling (AN)

Code Zonnestraling
AN1 Te verwaarlozen
AN2 Schadelijke zonnestralingdoor de duur of intensiteit

2.10.11Bekwaamheid van personen (BA)

Om de uitwendige invloed “ bekwaamheid van personen” aan te duiden wordt een code gebruikt die samengesteld is uit de letters BA gevolgd door een cijfer gaande van 1 tot 5, zoals aangegeven in tabel 2.15 .

Tabel 2.15 Uitwendige invloeden Bekwaamheid van personen (BA)

Code Bekwaamheid
van personen
Voorwaarden Voorbeelden
BA1 Gewone Niet hieronder geclassificeerde personen Lokalen voor huishoudelijk of analoog
gebruik, voor het publiek toegankelijke
lokalen ...
BA2 Kinderen Kinderen die zich bevinden in de voor hen
bestemde lokalen
Kinderbewaarplaatsen en kinderkrib-
ben ...
BA3 Gehandicapten Personen die niet over al hun fysische of
geestelijke vermogens beschikken
Rusthuizen voor invaliden, ouderen of
mentaal gehandicapten...
BA4 Gewaarschuwden Personen die:

ofwel voldoende onderricht werden
aangaande de elektrische risico’s ver-
bonden aan de hen toevertrouwde werk-
zaamheden;

ofwel permanent worden bewaakt door
een vakbekwaam persoon (BA5) tijdens
de hen toevertrouwde werkzaamheden,
teneinde de aan elektriciteit verbonden
risico’s tot een minimum te herleiden
Uitbatings- of onderhoudspersoneel
van elektrische installaties ...
BA5 Vakbekwamen Personen die via kennis, verkregen door
opleiding of ervaring, de gevaren verbonden
aan de uit te voeren werkzaamheden zelf
kunnen inschatten en de maatregelen kun-
nen bepalen om de daaruit voortvloeiende
specifieke risico’s te elimineren of tot een
minimum te beperken
Ingenieurs en technici belast met de
uitbating van elektrische installaties ...

2.10.12Toestand van het menselijk lichaam (BB)

Om de uitwendige invloed “ huidvochtigheid” aan te duiden wordt een code gebruikt die samengesteld is uit de letters BB gevolgd door een cijfer van 1 tot 3, zoals aangegeven in tabel 2.16 .

Tabel 2.16 Uitwendige invloeden Toestand van het menselijk lichaam (BB)

Code Toestand van het menselijk lichaam
BB1 Volledigdroge huid of vochtigdoor transpiratie
BB2 Natte huid
BB3 In water ondergedompelde huid

2.10.13Aanraking van het aardpotentiaal door personen (BC)

Om de uitwendige invloed “ aanraking van het aardpotentiaal door personen” aan te duiden wordt een code gebruikt die samengesteld is uit de letters BC gevolgd door een cijfer gaande van 1 tot 4 zoals aangegeven in tabel 2.17 .

Tabel 2.17 Uitwendige invloeden Aanraking van het aardpotentiaal door personen (BC)

Code Aanraking van het
aardpotentiaal
door personen
Voorwaarden Voorbeelden
BC1 Geen Personen die zich op niet-geleidende
plaatsen of in niet-geleidende ruim-
ten bevinden

Lokalen met geïsoleerde vloer en
wanden die geen enkel geleidend
deel bevatten
BC2 Zwak Personen die in normale omstandig-
heden niet in aanraking zijn met
geleidende delen op aardpotentiaal
Lokalen waarvan de vloer en de
wanden isolerend of geïsoleerd zijn
en weinig geleidende delen bevat-
ten zoals bijvoorbeeld: kamers,
woonkamers,kantoren ...
BC3 Veelvuldig Personen die veelvuldig in aanraking
komen met geleidende delen op
aardpotentiaal
Lokalen waarvan de vloer en de
wanden geleidend zijn en vele
geleidende delen bevatten ...
BC4 Voortdurend Personen die voortdurend in aanra-
king zijn met geleidende delen op
aardpotentiaal en voor wie de be-
wegingsvrijheid meestal beperkt is
Enge geleidende ruimten zoals
metalen vaten, stoomketels en
metalen vergaarbakken ...

2.10.14Mogelijkheden van ontruiming van personen in noodgevallen (BD)

Om de uitwendige invloed “ mogelijkheden van ontruiming van personen in noodgevallen” aan te duiden wordt een code gebruikt die samengesteld is uit de letters BD gevolgd door een cijfer gaande van 1 tot 4, zoals aangegeven in tabel 2.18 .

Tabel 2.18 Uitwendige invloeden Mogelijkheden van ontruiming van personen in noodgevallen (BD)

Ontruimings- Voorwaa
rden
Code mogelijkheden _Bezettingsgraad _ Ontruimings-
voorwaarden
Voorbeelden
BD1 Normaal Zwak Gemakkelijk Woonhuizen met een hoogte kleiner dan 25 m
…
BD2 Lang Zwak Moeilijk Gebouwen hoger dan of gelijk aan 25 m …
BD3 Overbezet Groot Gemakkelijk Gebouwen met voor het publiek toegankelijke
ruimten …
BD4 Lang en
overbezet
Groot Moeilijk Gebouwen hoger dan 25 m met voor het pu-
bliek toegankelijke ruimten …

2.10.15Aard van behandelde of opgeslagen goederen (BE)

Om de uitwendige invloed “ aard van de behandelde of opgeslagen goederen” aan te duiden wordt een code gebruikt die samengesteld is uit de letters BE gevolgd door een cijfer gaande van 1 tot 4, zoals aangegeven in tabel 2.19 .

Tabel 2.19 Uitwendige invloeden Aard van behandelde of opgeslagen goederen (BE)

Code Aard van behan-
delde of opgesla-
gen goederen
Voorwaarden Voorbeelden
BE1 Verwaarloosbaar
risico
Afwezigheid of te verwaarlozen aanwezig-
heid van ontvlambare of ontplofbare stof-
fen of van stoffen die kunnen bezoedelen
Lokalen voor huishoudelijk ge-
bruik…
BE2 Brandgevaar Opslag of behandeling van brandbare mate-
rialen of ontvlambare vloeistoffen met een
vlampunt boven 55 °C
Schuren, schrijnwerkerijen, papier-
fabrieken, ketelhuizen, parkings,
bibliotheken, archiefzalen, opslag-
magazijnen ...
BE3 Ontploffingsgevaar Opslag of behandeling van ontplofbare
stoffen of ontvlambare vloeistoffen met
een vlampunt kleiner dan of gelijk aan
55 °C evenals de aanwezigheid van stof dat
ontplofbaar is
Raffinaderijen, koolwaterstofde-
pots, brandstofdepots, munitiede-
pots, bepaalde plastiekfabrieken …
BE4 Gevaar voor
bezoedeling
Aanwezigheid van niet-beschermde voe-
dingswaren, van farmaceutische producten,
breken van lampen
Voedingsindustrieën, grote keu-
kens, farmaceutische industrieën
en laboratoria …

2.10.16Bouwmaterialen (CA)

Om de uitwendige invloed “ bouwmaterialen” aan te duiden wordt een code gebruikt die samengesteld is uit de letters CA gevolgd door het cijfer 1 of 2, zoals aangegeven in tabel 2.20 .

Tabel 2.20 Uitwendige invloeden Bouwmaterialen (CA)

Code Bouwmaterialen Voorwaarden Voorbeelden
CA1 Niet-brandbaar
materiaal
– –
CA2 Brandbaar
materiaal
Gebouwen hoofdzakelijk opgetrokken
uit brandbare materialen
Houten gebouwen ...

2.10.17Structuur van gebouwen (CB)

Om de uitwendige invloed “ structuur van de gebouwen” aan te duiden wordt een code gebruikt die samengesteld is uit de letters CB gevolgd door een cijfer, gaande van 1 tot 4, zoals aangegeven in tabel 2.21 .

Tabel 2.21 Uitwendige invloeden Structuur van gebouwen (CB)

Code Structuur van
gebouwen
Voorwaarden Voorbeelden
CB1 Verwaarloosbare
risico's
Klassieke en stabiele construc-
ties
–
CB2 Verspreiding
van het vuur
Gebouwen waarvan de vorm en
de afmetingen de verspreiding
van vuur kunnen bevorderen
Hoge gebouwen
Gebouwen met minstens een comparti-
ment met een oppervlakte:

hetzij groter dan 2500 m² op een
niveau;

hetzij groter dan 1250 m² op twee
niveaus.
…
CB3 Bewegend Risico's te wijten aan de bewe-
gingen van de constructie
Gebouwen met grote lengte of opgetrok-
ken op niet-gestabiliseerde terreinen
zodat verplaatsingen tussen verschillen-
de gedeelten van het gebouw of tussen
de grond en het gebouw mogelijk worden
…
CB4 Instabiel of
buigzaam
Zwakke constructies of deze
die onderworpen kunnen wor-
den aan bewegingen of
schommelingen
Tenten, valse zolderingen verplaatsbare
schotten, opblaasbare constructies …

2.11Werkzaamheden en controle

2.11.1Werkzaamheden aan elektrische installaties

Werkzaamheden: elke vorm van werkzaamheden die met een elektriciteitsgevaar gepaard gaan. Dit kunnen zowel elektrische en niet-elektrische werkzaamheden als exploitatiewerkzaamheden zijn.

Elektrische werkzaamheden: werkzaamheden aan, met of in de omgeving van een elektrische installatie (zoals proefnemingen, metingen, herstellingen, schoonmaken van elektrische delen, vervangingen, wijzigingen, uitbreidingen en onderhoud...) en die rechtstreeks betrekking hebben op de elektrische installatie.

Niet-elektrische werkzaamheden: werkzaamheden in de omgeving van een elektrische installatie (zoals grond-, bouw-, snoei-, reinigings-, schilderwerkzaamheden...) en die geen rechtstreekse betrekking hebben op de elektrische installatie.

Exploitatiewerkzaamheden: bedienings-, besturings- en controlewerkzaamheden aan de elektrische installaties.

Bedienings- en besturingswerkzaamheden: bediening en besturing hebben als doel de elektrische toestand van een elektrische installatie te wijzigen, om een uitrusting te gebruiken, om uitrustingen aan te sluiten, af te koppelen, in werking te stellen of stil te leggen. Hierbij behoren eveneens het afschakelen en opnieuw inschakelen van installaties ten behoeve van het uitvoeren van werkzaamheden.

Controlewerkzaamheden: de controles kunnen bestaan uit:

  • visuele controles;

  • beproevingen;

  • metingen.

Controles hebben tot doel de configuratie, de staat van onderhoud of de conformiteit van een elektrische installatie na te gaan.

De beproevingen omvatten alle activiteiten die bedoeld zijn om de werking of de elektrische, mechanische of thermische toestand van een elektrische installatie te verifiëren. De beproevingen omvatten verder ook de activiteiten die bestemd zijn om, bijvoorbeeld, de doelmatigheid van de elektrische beveiligingen en de veiligheidskringen te beproeven.

Metingen omvatten alle activiteiten bestemd om fysische grootheden te meten in een elektrische installatie.

Werkzaamheden onder spanning: werkzaamheden waarbij een persoon in aanraking komt met blanke delen onder spanning of in de zone onder spanning binnendringt, hetzij met een lichaamsdeel, hetzij met arbeidsmiddelen of uitrustingen.

Werkzaamheden in de nabijheid van delen onder spanning: werkzaamheden waarbij een persoon in de nabijheidszone binnendringt, hetzij met een lichaamsdeel, hetzij met arbeidsmiddelen of uitrustingen, zonder evenwel in de zone onder spanning binnen te dringen.

Werkzaamheden buiten spanning: werkzaamheden op elektrische installaties die noch onder spanning, noch elektrisch geladen zijn en die uitgevoerd worden nadat alle maatregelen ter voorkoming van elektriciteitsrisico genomen zijn.

Werkverantwoordelijke: persoon aangeduid om de leiding van de werkzaamheden op zich te nemen.

Installatieverantwoordelijke: persoon aangeduid om de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van de elektrische installatie op zich te nemen. Indien nodig kan die verantwoordelijkheid gedeeltelijk op andere personen worden overgedragen.

Werkzone: ruimte waarbinnen de werkzaamheden uitgevoerd worden.

Nabijheidszone: een begrensde ruimte rondom de zone onder spanning zoals bepaald in de drie onderstaande afbeeldingen en in onderstaande tabel.

Zone onder spanning: een begrensde ruimte rondom de blanke actieve delen onder spanning zoals bepaald in de figuren 2.31. t.e.m. 2.33. en in tabel 2.22.

Figuur 2.31Voorstelling van de zone onder spanning en de nabijheidszone
  1. 1.

    blank actief deel onder spanning 2. zone onder spanning 3. nabijheidszone D L: afstand die de buitengrens van de zone onder spanning aangeeft D V: afstand die de buitengrens van de nabijheidszone aangeeft

    Figuur 2.32Voorstelling van de zone onder spanning en de nabijheidszone met isolerende bescherminrichting
  2. 1.

    blank actief deel onder spanning 2. zone onder spanning 3. nabijheidszone

  3. 2.

    buitenoppervlak van de isolerende bescherminrichting dat toelaat de toegang tot de zone onder spanning en/of de nabijheidszone te vermijden

    D L: afstand die de buitengrens van de zone onder spanning aangeeft

    • D V: afstand die de buitengrens van de nabijheidszone aangeeft

    Figuur 2.33Voorstelling van de zone onder spanning en de nabijheidszone met geaarde, metalen bescherminrichting
  4. 1.

    blank actief deel onder spanning 2. zone onder spanning 3. nabijheidszone

  5. 2.

    buitenoppervlak van de geaarde metalen bescherminrichting, die integraal deel uitmaakt van de elektrische installatie, dat toelaat de toegang tot de zone onder spanning en/of de nabijheidszone te vermijden d 0: minimumafstand volgens onderafdeling 5.1.3.2. D L: afstand die de buitengrens van de zone onder spanning aangeeft D V: afstand die de buitengrens van de nabijheidszone aangeeft

    Tabel 2.22 Waarden van de afstanden DL en DV

    Nominale netspan-
    ning**_U_N [kV]
    (effectieve waarde)**
    Afstand**_D_L die de buitengrens**
    van de zone onder spanning
    **aangeeft [mm]**
    Afstand**_D_V die de buitengrens**
    van de nabijheidszone aan-
    **geeft [mm]**
    ≤1 geen aanraking 500
    3 120 1120
    6 120 1120
    10 150 1150
    15 160 1160
    … Voor hogere waa rden, zieBoek 2
    • Opmerking 1: de tussenwaarden van D L en D V kunnen door lineaire interpolatie worden berekend.

    • Opmerking 2: voor gelijkspanningsinstallaties wordt aanbevolen om dezelfde afstanden te gebruiken onder verwijzing naar de nominale spanningswaarden van het net.

2.11.2Controle van elektrische installaties

Erkend organisme: keuringsinstelling belast met de gelijkvormigheidscontroles vóór de ingebruikname en met de controlebezoeken van de elektrische installaties.

Agent-bezoeker: de persoon, beschikkend over een bevoegdheidsverklaring van een erkend organisme, die de gelijkvormigheidscontroles vóór de ingebruikname en/of de controlebezoeken uitvoert.

Gelijkvormigheidscontrole vóór de ingebruikname: gelijkvormigheidscontrole van elektrische installaties voorzien in hoofdstuk 6.4 .

Controlebezoek: controle van de elektrische installaties voorzien in hoofdstuk 6.5 .

Ingebruikname: de eerste terbeschikkingstelling van een elektrische installatie voor bedrijfsdoeleinden.

Belangrijke wijziging of belangrijke uitbreiding: wijziging of uitbreiding van een elektrische installatie die een bijkomende impact (nog niet afgedekt door een gelijkvormigheidscontrole) op de veiligheid van personen of goederen heeft.

Voorbeelden van belangrijke wijziging of belangrijke uitbreiding: wijziging van het geaarde netsysteem, overschrijding van het toegelaten kortsluitvermogen voor het geïnstalleerd materieel, niet-identieke vervanging van een schakel- en verdeelbord, toevoeging van een kring in een huishoudelijke installatie, …

2.12Schema’s, plannen en documenten van elektrische installaties

Schema: grafische voorstelling die met behulp van lijnen en symbolen overzichtelijk weergeeft op welke wijze de verschillende delen van een installatie en onderdelen daarvan met elkaar samenhangen.

Plan: grafische voorstelling die op schaal de geografische plaats van de verschillende delen van een installatie en onderdelen daarvan weergeeft.

Functioneel schema of blokschema: schema dat de globale werking van de installatie of van onderdelen daarvan weergeeft evenals hun functionele verbondenheid.

Stroombaanschema: ééndraads- of meerdraadsschema dat de elementaire stroombanen, hun onderlinge verbindingen en het elektrisch materieel weergeeft die samen de elektrische installatie of een installatieonderdeel vormen en dat de samenstelling en de kenmerken ervan geeft.

Uitvoeringsschema: schema dat de montage en de aansluiting van de verschillende installatieonderdelen weergeeft.

Situatieplan: plan dat de plaats aangeeft van de verschillende installatieonderdelen.

Situatieplan van de aardverbindingen: plan dat de plaats aangeeft van de aardverbindingen.

Samenstellingsplan van een uitrusting: plan dat de plaats aangeeft van de verschillende samenstellende delen binnen een uitrusting (schakel- en verdeelborden, elektrische machines, cellen, …).

Document van de uitwendige invloeden: document dat de uitwendige invloeden aangeeft die in de verschillende ruimten in beschouwing te nemen te zijn.

Zoneringsplan: plan dat de ruimten aangeeft waar een ontploffingsgevaar kan bestaan. Deze ruimten zijn in overeenstemming met de voorschriften van dit Boek ingedeeld in verschillende zones.

Zoneringsverslag: document dat de gegevens vermeldt waarop de vaststelling van de zones en hun uitgestrektheid gesteund zijn, de besluiten en de verantwoording ervan.

Evacuatieplan: plan dat de indeling en de bestemming van de ruimten, de situering van de compartimentsgrenzen, de ligging van de ruimten met een verhoogd brandgevaar, de ligging van de uitgangen, nooduitgangen en verzamelplaatsen na evacuatie en het tracé van de evacuatiewegen aangeeft.

Lijst van de evacuatiewegen en de moeilijk evacueerbare ruimten: lijst die de ruimten aangeeft waarvan hun evacuatie door de vorming van rook bij brand kan beïnvloed worden.

Plan van de veiligheidsinstallaties: plan dat de lokalen en de compartimenten toont en weergeeft:

  • de plaats van de niet-geïntegreerde veiligheidsbronnen;

  • de plaats van de veiligheidsstroombanen;

  • de plaats van de veiligheidsverbruikers;

  • de compartimenten en hun brandweerstand;

  • de gevolgde weg en de lengte van de veiligheidsstroombanen per compartiment.

Plan van de kritische installaties: plan dat de lokalen toont en weergeeft:

  • de plaats van de kritische stroombanen;

  • de plaats van de kritische verbruikers;

en als bijzondere maatregelen van toepassing zijn in geval van het uitvallen van de normale bron en/of brand:

  • de plaats van de niet-geïntegreerde vervangingsbronnen;

  • de compartimenten en hun brandweerstand;

  • de gevolgde weg en de lengte van de kritische stroombanen per compartiment.

De kritische installaties mogen op het plan van de veiligheidsinstallaties weergegeven worden op voorwaarde dat de veiligheidsinstallaties en de kritische installaties aangeduid zijn op dit plan zodat iedere mogelijkheid tot vergissen uitgesloten is.

Lijst met de veiligheidsinstallaties en/of de kritische installaties: lijst die aangeeft:

  • de type van de veiligheidsinstallaties en/of de kritische installaties;

  • de tijd van functiebehoud van elke veiligheidsverbruiker en/of elke kritische verbruiker (indien van toepassing voor de kritische verbruikers);

  • de genomen maatregelen in het kader van de risicoanalyse van de veiligheidsinstallaties en/of de kritische installaties.

Plan van de ondergrondse leidingen (kabelplan): plan dat de plaats aangeeft van de ondergrondse elektrische leidingen.

2.13Grafische symbolen

Tabel 2.23 is een niet-limitatieve lijst van de symbolen die gebruikt worden om het eendraadsschema en het situatieplan van een huishoudelijke elektrische installatie op te stellen.

Tabel 2.23 Grafische symbolen

A. Algemeenheden
Beschrijving
Symbool
Gelijkstroom
Wisselstroom (algemeen symbool)
Eenfasige wisselstroom
Driefasige wisselstroom
B. Elektrische toestellen
Beschrijving
Symbool
Algemene voorstelling van een schakel- en verdeelbord
Voorbeeld van een schakel- en verdeelbord met 5 elektri-
sche leidingen
Doos
Algemeen symbool
Verbindingsdoos, aftakdoos, aansluitdoos
Aftakkast
Aardingsonderbreker
C. Elektrische leidingen
Beschrijving
Symbool
Elektrische leiding
Algemeensymbool
Ondergrondse elektrische leiding
Elektrische luchtleiding
Elektrische leiding in een buis
Voorbeeld van een bundel van zes buizen
Elektrische leiding in een wand
Elektrische leiding op een wand
C. Elektrische leidingen
Beschrijving
Symbool
Elektrische leiding geplaatst in een buis in een wand
Twee elektrische leidingen
n elektrische leidingen
Elektrische leiding met 3 geleiders
Elektrische leiding met n geleiders
Opm.: n geeft altijd het totaal aantal geleiders van de
elektrische leiding weer
Voorbeelden:
XVB-kabel Cca met 5 geleiders van 4 mm² geplaatst in
een buis in een wand
XVB-kabel Cca met 3 geleiders van 2,5 mm² op een wand
4 H07V-U-geleiders Eca waarvan de geleiders een door-
snede van 1,5 mm² hebben. Het geheel is geplaatst in
een buis in een wand
D. Beschermingstoestellen
Beschrijving
Symbool
Smeltzekering
Smeltzekering met een nominale stroomsterkte van 16 A
type gG
Automatische schakelaar of vermogensschakelaar
De hoofdletters naast dit teken, geven de werkingswijze
van de vermogensschakelaar aan. Men gebruikt voor dit
doel:
• de letter M voor het uitschakelmechanisme
bij maximumstroom;
• de letter O voor het uitschakelmechanisme
bij onderspanning;
• de letter Δ voor de gevoeligheid van de
differentieelstroombeschermingsinrichting.
Als de vermogensschakelaar voorzien is van verscheidene
uitschakelmechanismen die onder verschillende omstan-
digheden werken, scheidt men de overeenkomstige op-
schriften door het teken + (het aantal polen, beschermd
door de uitschakelmechanismen, wordt als kenmerk aan-
gegeven).
Voorbeeld: Driepolige vermogensschakelaar voorzien van
twee uitschakelmechanismen bij maximumstroom en van
één onderspanninguitschakelmechanisme.
Differentieelstroombeschermingsinrichting
(ΔIn=300mA,
type A, In=40A)
D. Beschermingstoestellen
Beschrijving
Symbool
Kleine vermogensschakelaar met een nominale stroom-
sterkte van 20A curve C
Aardelektrode, aarding
E. Schakelaars
Beschrijving
Symbool
Schakelaar
Algemeen symbool
Schakelaar met verklikkerlamp
De lamp brandt altijd en dient om de schakelaar in het
duister terugte vinden
Eenpolige schakelaar met vertraagde opening
Tweepolige schakelaar
Driepolige schakelaar
Eenpolige omschakelaar (dubbele aansteking: om twee
stroombanen afzonderlijk te sluiten of te openen op een
enkele plaats)
Eenpolige wisselschakelaar (dubbele richting: om een
stroombaan te sluiten of te openen op twee plaatsen)
Tweepolige wisselschakelaar (dubbele richting)
Kruisschakelaar (laat toe een stroombaan te sluiten of te
openen op een willekeurig aantal plaatsen in combinatie
met twee wisselschakelaars aan de twee uiteinden)
Dimmer
Eenpolige trekschakelaar
Eenpolige schakelaar met signalisatielamp
De lamp brandt als het toestel, dat door deze schakelaar
bediend wordt, werkt
E. Schakelaars Symbool
Beschrijving
Drukknop
Drukknop met verklikkerlamp
Om de drukknop in het duister terug te vinden
Drukknop met afgeschermde toegang (te breken ruit)
Tijdschakelaar
Schakelklok, tijdschakelaar
Impulsschakelaar
Thermostaat
Rondecontrole of elektrische slotvergrendelinrichting
Bewegingssensor
Algemeen symbool
* Melding gebruikte technologie: IR, radar of combinatie
Schakelaar geïnstalleerd in een schakel- en verdeelbord
F. Contactdozen
Beschrijving
Symbool
Contactdoos
Algemeen symbool
Meervoudige contactdoos (voor drie contactdozen)
Half-waterdichte, waterdichte of hermetische contact-
doos
Contactdoos met contact voor beschermingsgeleider
Contactdoos met kinderbescherming
F. Contactdozen
Beschrijving
Symbool
Contactdoos met contact voor beschermingsgeleider en
met kinderbescherming
Contactdoos met tweepolige schakelaar
Contactdoos met tweepolige vergrendelingschakelaar
Contactdoos met beschermingstransformator (bijvoor-
beeld: contactdoos voor scheerapparaat)
Datacontactdoos
Contactdoos met enkelpolige schakelaar geïnstalleerd in
een schakel- en verdeelbord
G. Gebruikstoestellen –
Verbruikstoestellen
Beschrijving
Symbool

Aansluitpunt voor een verlichtingstoestel, voorgesteld
met elektrische toevoerleiding
Lichtpunt
Aansluitpunt voor wandverlichtingstoestel
Fluorescentieverlichtingstoestel
Algemeen symbool
Verlichtingstoestel met drie fluorescentiebuizen
Projector
Algemeen symbool
Projector met weinig divergerende lichtbundel
Projector met divergerende lichtbundel
Verlichtingstoestel met ingebouwde eenpolige schakelaar
Veiligheidsverlichtingstoestel, aangesloten op een veilig-
heidsstroombaan
G. Gebruikstoestellen –
Verbruikstoestellen
Beschrijving
Autonoom veiligheidsverlichtingstoestel
Symbool
Voorschakeltoestel voor ontladingslamp
Nota: wordt enkel gebruikt wanneer dergelijk toestel niet
is ingebouwd in het verlichtingstoestel
Bel
Zoemer
Hoorn
Sirene
Horloge
Moederklok
Elektrisch (deur)slot
Ventilator (voorgesteld met elektrische leiding)
Verwarmingstoestel
Verwarmingstoestel met accumulatie
Verwarmingstoestel met accumulatie en ingebouwde
ventilator
Boiler
Boiler met accumulatie

G. Gebruikstoestellen – Symbool
Verbruikstoestellen
Beschrijving
Vast elektrisch huishoudtoestel
Algemeen symbool
Elektrisch fornuis
Elektrische kookplaat
Microgolven
Elektrische oven
Wasmachine
Droogkast
Afwasmachine
Koelkast
Diepvriezer
Motor
Laadinrichting voor elektrische wegvoertuigen
kWh-teller
H. Bronnen Symbool
Beschrijving
Transformator
Fotovoltaïsch paneel

H. Bronnen
Beschrijving
Symbool
Gelijkrichter/Omvormer AC <-> DC
Omvormer DC -> AC
Hakker DC -> DC
Opmerking:
De kenmerken van de bronnen worden ofwel op het eend
schikking gehouden in het dossier van de elektrische install
raadsschema aangeduid ofwel ter be-
atie.
J. Domotica
Beschrijving
Symbool
De sturingseenheid wordt weergegeven door een recht-
hoek die uit twee delen bestaat:
- onderste gedeelte: het basissymbool
Bv.: een schakelaar, een contactdoos met schakelaar
- bovenste gedeelte: het type sturing van de eenheid
Bv.:
Bv.:
”.

Prepared presentation of the official source; it does not replace professional verification or an inspection.

Source status
Extraction status: prepared from the official source
Content SHA-256:
fb588acf6d84ea7386fbeadd9c20ec1d6a9e7cdad51bb61567967337f00004ab
PDF SHA-256:
339f4869bb0b7d4ac424fcc5ea15f27c5d78fbf619091547111265670c28c335