Regulations · Deel 8

AREI Book 1 · Part 8

Bijzondere voorschriften met betrekking tot bestaande elektrische installaties

Version 07 · K.B. 13.08.2026 · applicable from 01/11/2026 · Official source language: Dutch · Open official PDF source

8.1Inleiding

8.1.1Definities

Voor de toepassing van het Deel 8 , verstaat men onder:

Oud AREI: Algemeen Reglement op de Elektrische installaties, goedgekeurd bij de koninklijke besluiten van 10/03/1981 en 2/09/1981 en zijn wijzigingen.

Bestaande elektrische installatie: iedere elektrische installatie of elk gedeelte van een elektrische installatie waarvan de aanleg was aangevat vóór de datum van inwerkingtreding van dit Boek en die (dat) niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een gelijkvormigheidscontrole overeenkomstig hoofdstuk 6.4. van dit Boek.

Worden als bestaande elektrische installaties beschouwd:

  • iedere oude huishoudelijke elektrische installatie of elk gedeelte van een oude huishoudelijke elektrische installatie waarvan de aanleg was aangevat vóór 1/10/1981 en die (dat) al dan niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een controlebezoek overeenkomstig het oud AREI (in dit Boek “oude huishoudelijke elektrische installatie” genoemd);

  • iedere oude niet-huishoudelijke elektrische installatie of elk gedeelte van een oude niet-huishoudelijke elektrische installatie, waarvan de aanleg was aangevat:

    1. a)

      ten laatste op 1/10/1981 voor de elektrische installaties van de inrichtingen die geen elektriciteitsdienst hebben die bestaat uit gewaarschuwde (BA4) of vakbekwame (BA5) personen;

    2. b)

      ten laatste op 1/01/1983 voor de andere installaties.

      • (in dit Boek “oude niet-huishoudelijke elektrische installatie” genoemd);

  • iedere huishoudelijke elektrische installatie of elk gedeelte van een huishoudelijke elektrische installatie die (dat) het voorwerp heeft uitgemaakt van een gelijkvormigheidsonderzoek overeenkomstig het oud AREI (in dit Boek “huishoudelijke elektrische installatie oud AREI” genoemd);

  • iedere niet-huishoudelijke elektrische installatie of elk gedeelte van een niet-huishoudelijke elektrische installatie die (dat) het voorwerp heeft uitgemaakt van een gelijkvormigheidsonderzoek overeenkomstig het oud AREI (in dit Boek “niet-huishoudelijke elektrische installatie oud AREI” genoemd).

De bestaande elektrische installaties (oude installaties en installaties oud AREI) in de technische lokalen en de gemeenschappelijke delen van een residentieel geheel en in de lokalen die voorbehouden zijn om er werken in uit te voeren (vroeger huishoudelijke werkeenheid in het oud AREI genoemd) waarin geen personen worden tewerkgesteld die onder toepassing vallen van artikel 2 van de wet op het welzijn op het werk van 4/08/1996, worden in dit Boek als bestaande niet-huishoudelijke elektrische installaties beschouwd.

8.1.2Bestaande elektrische installaties, die op basis van het oud AREI gecontroleerd werden

Als een bestaande elektrische installatie, die op basis van het oud AREI door het erkend organisme gecontroleerd werd, inbreuken op het oud AREI bevat, moet de eigenaar, de beheerder of de uitbater van de elektrische installatie deze inbreuken oplossen. De voorschriften van onderafdeling 9.1.3.2. zijn van toepassing.

Het eerste controlebezoek overeenkomstig afdeling 6.5.2. voor een bestaande elektrische installatie, die op basis van het oud AREI door een erkend organisme gecontroleerd werd, wordt uitgevoerd binnen de termijn die is voorgeschreven in het laatste verslag dat volgens de voorschriften van het oud AREI opgesteld werd.

8.2Afwijkende beschikkingen voor bestaande huishoudelijke

elektrische installaties

8.2.1Bestaande gedeelten van oude huishoudelijke elektrische installaties

De volgende afwijkende beschikkingen zijn van toepassing op de bestaande gedeelten van oude huishoudelijke elektrische installaties waarvan de uitvoering ter plaatse was aangevat vóór 1 oktober 1981 en die al dan niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een controlebezoek overeenkomstig het oud AREI:

  1. 1.

    Conformiteit van het elektrisch materieel in de elektrische installatie

    Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van onderafdeling 5.1.3.1. , elektrisch materieel in een elektrische installatie, waaronder met name de aftakdozen, elektrische leidingen, beschermingsinrichtingen,… dat gebouwd werd in overeenstemming met de regels van het goed vakmanschap op het ogenblik van zijn installatie, in dienst te laten, op voorwaarde dat de kenmerken van het elektrisch materieel beantwoorden aan de voorschriften van de huishoudelijke installaties van dit Boek, onder voorbehoud van de toepassing van de afwijkingen van deze afdeling. Het elektrisch materieel brengt de veiligheid van personen niet in gevaar, bij een correcte installatie en correct onderhoud en bij gebruik volgens zijn bestemming. Het gebruikte elektrisch materieel is ofwel door zijn constructie ofwel door een bijkomende bescherming, aangepast aan de aanwezige en de redelijkerwijze te verwachten uitwendige invloeden en gebruiksomstandigheden. Er wordt rekening gehouden met de eventuele instructies van de fabrikant van het elektrisch materieel, met betrekking tot de installatie, het onderhoud en het veilig gebruik van dit materieel.

  2. 2.

    Keuze van differentieelstroombeschermingsinrichtingen

    Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van:

    • punt a.3. van onderafdeling 5.3.3.1. , aan het begin van de elektrische installatie, een differentieelstroombeschermingsinrichting in dienst te laten waarvan de scheidingsfunctie wordt verzekerd door een algemene scheidingsinrichting geplaatst in het hoofdbord en die zich stroomopwaarts van de differentieelstroombeschermingsinrichting bevindt;

    • punt a. van onderafdeling 5.3.5.3. , de differentieelstroombeschermingsinrichtingen met een nominale stroomsterkte kleiner dan 40 A in dienst te laten;

    • punt e. van onderafdeling 5.3.5.5. , de differentieelstroombeschermingsinrichtingen met een nominale stroomsterkte kleiner dan 40 A die niet de specifieke markering “3000 A, 22,5 kA²s” dragen, in dienst te laten.

  3. 3.

    Keuze van de beschermingsinrichtingen tegen overstroom

    Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van punt e. van onderafdeling 5.3.5.5. , de beschermingsinrichtingen tegen overstroom die niet de markering voor energiebeperkingsklasse 3 dragen, in dienst te laten.

    Wat betreft de normalisatie van de beschermingsinrichtingen tegen overstroom, dienen de houders van smeltzekeringen, evenals de pensmeltzekeringen met een nominale stroomsterkte van 6 A en de kleine vermogensschakelaars met pennen van maat 12, of met een nominale stroom van 10 A, opdat zou zijn voldaan aan de voorwaarde van niet-verwisselbaarheid voorzien bij punt a. van onderafdeling 5.3.5.5. , te beantwoorden aan volgende voorwaarden:

    • Eisen voor de houders van smeltzekeringen en kleine vermogensschakelaars met penafstand van 20 mm

    De houders voor smeltzekeringen en kleine vermogensschakelaars met penafstand van 20 mm conform de norm NBN C 61-144-1:1982 beantwoorden onder meer:

    1. a)

      buiten de in tabel 2 van punt 6.2. van bedoelde norm beschreven kalibrering, aan de voorschriften van tabel 8.1. :

      Tabel 8.1 Houders voor smeltzekeringen (6 A) en kleine vermogensschakelaars met penafstand van 20 mm (maat 12 of 10 A) – Minimumdoorsnede en kalibreer-element

      Minimumdoorsnede van de te beschermen
      elektrische leiding in mm²
      Kleur van het kalibreer-element
      1 Rood
    2. b)

      buiten de in tabel 3 van punt 7.1.1. van bedoelde norm gegeven normale afmetingen van de verschillende samenstellende delen, aan de voorschriften van tabel 8.2. :

      Tabel 8.2 Houders voor smeltzekeringen (6 A) en kleine vermogensschakelaars met penafstand van 20 mm (maat 12 of 10 A) – Minimumdoorsnede en normalisatiebladen

      Minimumdoorsnede van de te beschermen
      elektrische leiding in mm²
      Normalisatiebladen
      1 C 61-144C’

      waarbij het normalisatieblad C 61-144 C’ een kopie is van het normalisatieblad C 61-144 C dat als volgt werd aangepast:

      • kalibreer-element: 1 mm²

      • kleur: rood;

    3. c)

      buiten de in tabel 4 van punt 7.1.2. van bedoelde norm behandelde vaste verbindingen met inbegrip van de aansluitklemmen, aan de voorschriften van tabel 8.3. :

      Tabel 8.3 Houders voor smeltzekeringen (6 A) en kleine vermogensschakelaars met penafstand van 20 mm (maat 12 of 10 A) – Grootte van de houder en doorsnede van de geleiders

      Grootte van de houder Doorsnede van degeleiders in mm²
      I + II 1
      III + IV 1
Aanduiding van een stroombaan met een doorsnede kleiner dan 1,5 mm²

De aanwezigheid van een stroombaan met een doorsnede kleiner dan 1,5 mm² wordt aangeduid door middel van een rechthoekig etiket dat ten minste 8 cm breed en 5 cm hoog is met daarop het pictogram van figuur 8.1. in het rood op een witte achtergrond en roodomlijnd:

Figuur 8.1Aanduiding van een stroombaan met een doorsnede kleiner dan 1,5 mm²

6 A
1 mm²
10 A

Dit etiket wordt aangebracht op de deur van het schakel- en verdeelbord waarin dergelijke stroombanen voorkomen. Het mag niet gemakkelijk kunnen worden verwijderd.

4.Keuze van de algemene lastscheidingsschakelaar

Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van punt b. van onderafdeling 5.3.5.1. , een algemene lastscheidingsschakelaar met een nominale stroomsterkte van ten minste 25 A in dienst te laten.

  1. 5.

    Keuze van de elektrische leidingen

    Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van:

    • punt b. van onderafdeling 4.3.3.5. en van punt a. van onderafdeling 4.3.3.7. , elektrische leidingen die geen vooropgestelde brandreactie hebben, in dienst te laten;

    • onderafdeling 5.2.1.2. , de elektrische leidingen in dienst te laten waarvan de geïsoleerde geleiders een doorsnede hebben die kleiner is dan 2,5 mm² maar ten minste gelijk is aan 1 mm². De geleiders van 1 mm² worden beschermd tegen overbelasting hetzij door smeltzekeringen met een nominale intensiteit van ten hoogste gelijk aan 6 A, hetzij door vermogensschakelaars van ten hoogste maat 12 of met een nominale stroom van ten hoogste 10 A;

    • onderafdeling 5.2.1.2. , stroombanen, die niet toegekend zijn voor de voeding van de elektrische machines of toestellen bedoeld in de laatste alinea, in dienst te laten.

  2. 6.

    Contactdozen

    Het is toegelaten om:

    1. a)

      in afwijking van de voorschriften van onderafdeling 5.1.3.1. en van onderafdeling 5.3.5.2. , a. , de contactdozen die vóór 1 oktober 1981 geïnstalleerd waren en die beantwoorden aan de voorschriften van boek 1 van toepassing vóór 01/03/2025, in dienst te laten;

    2. b)

      in afwijking van de voorschriften van onderafdeling 5.3.5.2. , b. :

      • de contactdozen in dienst te laten die geen aardcontact hebben indien de elektrische leiding geen beschermingsgeleider heeft, op voorwaarde dat deze contactdozen door een differentieelstroombeschermingsinrichting met een grote of zeer grote gevoeligheid worden beschermd;

      • per eindstroombaan meer dan acht enkelvoudige of meervoudige contactdozen in dienst te laten op voorwaarde dat het vermogen van de aangesloten vaste en vast opgestelde toestellen het toelaatbare vermogen in de elektrische leiding niet overtreft.

      Contactdozen met aardcontact die geen daadwerkelijke galvanische verbinding vormt met de aardverbinding van de elektrische installatie zijn verboden.

  3. 7.

    Eendraadsschema’s en situatieplannen

    Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van punt a. van de onderafdelingen 3.1.2.2. en 3.1.2.3. over vereenvoudigde eendraadsschema’s en situatieplannen te beschikken.

    De eendraadsschema(‘s) bevat(ten) minstens:

    • het adres van de elektrische installatie;

      • de nominale spanning van de elektrische installatie;

    • de doorsnede van de voedingskabel van het hoofdschakel- en verdeelbord;

    • het type en de doorsnede van de verschillende vertrekken;

    • de differentieelstroombeschermingsinrichting(en) met haar (hun) karakteristieken;

    • de beschermingsinrichtingen met hun karakteristieken.

    De situatieplan(nen) bevat(ten) minstens (de markering is niet noodzakelijk):

    • de contactdozen;

    • de schakelaars;

    • de lichtpunten;

    • de vaste of vast opgestelde toestellen of de vaste of vast opgestelde machines.

    De overeenkomst tussen de eendraadsschema’s en de situatieplannen wordt niet vereist. Ze maken integraal deel uit van het dossier van de elektrische installatie bedoeld in afdeling 9.1.2.

  4. 8.

    Markering en aanduiding

    Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van de afdelingen 3.1.3. en 5.1.6. , alleen aan de volgende bepalingen betreffende de markering en de aanduiding te voldoen:

    • het elektrisch materieel in de schakel- en verdeelborden wordt op een duidelijke, goed zichtbare en onuitwisbare wijze gemarkeerd door middel van individuele markeringen, tenzij iedere mogelijkheid tot vergissen uitgesloten is;

    • de vaste machines en toestellen worden op een duidelijke, goed zichtbare en onuitwisbare wijze gemarkeerd door middel van individuele markeringen, tenzij iedere mogelijkheid tot vergissen uitgesloten is of tenzij deze vaste machines en toestellen op de eendraadsschema’s en de situatieplannen worden aangeduid.

  5. 9.

    Verslag van gelijkvormigheidscontrole

    Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van afdeling 9.1.2. , de afwezigheid van het verslag van de gelijkvormigheidscontrole van de elektrische installatie in het elektrisch dossier te dulden bij het controlebezoek.

  6. 10.

    Kleurcode van de geleiders van kabels en van geïsoleerde geleiders

    In afwijking van de voorschriften van onderafdeling 5.1.6.2. is het toegelaten de volgende elementen in dienst te laten:

    • een beschermings-, aard-, of equipotentiaalgeleider die niet gemarkeerd is door de groene en gele kleurcombinatie;

    • actieve of beschermingsgeleiders waarvan de isolatie met groene of gele kleur is uitgevoerd.

    Het gebruik van geïsoleerde actieve geleiders gemarkeerd door de groene en gele kleurcombinatie zoals bepaald door de norm, is verboden.

  7. 11.

    Aardgeleider

    In afwijking van de voorschriften van onderafdeling 5.4.2.2. is het toegelaten een koperen aardgeleider in dienst te laten waarvan de doorsnede ten minste gelijk is aan 6 mm².

  8. 12.

    Beschermingsgeleider

    In afwijking van de voorschriften van punt a. van onderafdeling 4.2.4.3. is het toegelaten, in de droge lokalen gekenmerkt door de uitwendige invloeden AD1, BB1 en BC1, de massa’s van vaste verlichtingstoestellen van de klasse I, met lamphouders die niet over een beschermingsgraad van ten minste IPXX-B beschikken, niet te verbinden met de beschermingsgeleider van de elektrische leiding.

    In afwijking van de voorschriften van onderafdeling 5.2.1.3. en de laatste alinea van onderafdeling 5.4.3.6. is het toegelaten elektrische leidingen in dienst te laten die geen beschermingsgeleider bevatten op voorwaarde dat zij niet bestemd zijn om een vast of vast opgesteld toestel van de klasse I te voeden.

    Het is eveneens toegelaten een beschermingsgeleider in dienst te laten die zich buiten de elektrische leiding bevindt.

    Het is toegelaten de beschermingsgeleider te installeren buiten de elektrische leidingen, daar waar het niet mogelijk is deze beschermingsgeleider in de bestaande buizen te trekken.

  9. 13.

    Equipotentiaalverbindingen

    In afwijking van de voorschriften van punt a.5 van onderafdeling 4.2.3.4. is het ontbreken van de hoofdequipotentiale verbinding toegelaten.

  10. 14.

    Verlichtingsstroombaan

    In afwijking van de voorschriften van punt b. van onderafdeling 5.3.5.2. is het toegelaten over slechts één enkele verlichtingsstroombaan per elektrische installatie te beschikken.

  11. 15.

    Bescherming van ruimten die een badkuip en/of een douche bevatten

    15.1. De in onderafdeling 6.5.8.1. , 3. bedoelde afwijkingen zijn van toepassing.

    15.2. In afwijking van onderafdeling 7.1.4.4. , onderafdeling 7.1.4.5. en van onderafdeling 7.1.5.2. , e. , is het toegelaten, op voorwaarde dat de afstand van het volume 2 op 1 m wordt gebracht,:

    • elektrische leidingen in dienst te laten die niet beantwoorden aan voormelde voorschriften;

    • niet te beschikken over de bijkomende potentiaalvereffeningsverbinding;

    in de vloer verzonken verwarmingsweerstanden in dienst te houden die niet beantwoorden aan de voorschriften van onderafdeling 7.1.4.5 of de voorschriften betreffende hun installatie indien zij niet kunnen worden verbonden met de bijkomende potentiaalvereffeningsverbinding waarvan sprake in het tweede streepje.

  12. 16.

    Bescherming tegen elektrische schokken door onrechtstreekse aanraking

    Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van de 5de alinea van punt b. van onderafdeling 4.2.4.3. , de in de punten 1 en 2 bedoelde stroombanen niet door een differentieelstroombeschermingsinrichting met een grote of zeer grote gevoeligheid te beschermen. Deze afwijking is ook van toepassing op elke niet belangrijke wijziging of uitbreiding die op deze stroombanen wordt aangebracht.

    Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van de 6de alinea van punt b. van onderafdeling 4.2.4.3. , meer dan acht eindstroombanen per differentieelstroombeschermingsinrichting met een grote of zeer grote gevoeligheid in dienst te laten.

    Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van de 10de alinea van punt b. van onderafdeling 4.2.4.3. , een differentieelstroombeschermingsinrichting met een grote of zeer grote gevoeligheid voor het geheel van de verlichtingsstroombanen en een differentieelstroombeschermingsinrichting met een grote of zeer grote gevoeligheid voor elke andere stroombaan of groep van stroombanen die ten hoogste zestien enkelvoudige of meervoudige contactdozen bevat in dienst te laten.

8.2.2Bestaande gedeelten van huishoudelijke elektrische installaties oud AREI

De volgende afwijkende beschikkingen zijn van toepassing op de bestaande gedeelten van huishoudelijke elektrische installaties oud AREI waarvan de uitvoering ter plaatse was aangevat vanaf 1 oktober 1981 en die het voorwerp hebben uitgemaakt van een gelijkvormigheidsonderzoek overeenkomstig het oud AREI. Sommige afwijkende beschikkingen zijn alleen van toepassing tot een uiterste datum van uitvoering ter plaatse zoals bepaald in de betrokken afwijkende beschikkingen:

  1. 1.

    Conformiteit van het elektrisch materieel in de elektrische installatie

    Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van onderafdeling 5.1.3.1. , elektrisch materieel in een elektrische installatie, waaronder met name de aftakdozen, elektrische leidingen, beschermingsinrichtingen … dat gebouwd werd in overeenstemming met de regels van het goed vakmanschap op het ogenblik van zijn installatie, in dienst te laten, op voorwaarde dat de kenmerken van het elektrisch materieel beantwoorden aan de voorschriften van de huishoudelijke installaties van dit Boek, onder voorbehoud van de toepassing van de afwijkingen van deze afdeling. Het elektrisch materieel brengt de veiligheid van personen niet in gevaar, bij een correcte installatie en correct onderhoud en bij gebruik volgens zijn bestemming. Het gebruikte elektrisch materieel is ofwel door zijn constructie ofwel door een bijkomende bescherming, aangepast aan de aanwezige en de redelijkerwijze te verwachten uitwendige invloeden en gebruiksomstandigheden. Er wordt rekening gehouden met de eventuele instructies van de fabrikant van het elektrisch materieel, met betrekking tot de installatie, het onderhoud en het veilig gebruik van dit materieel.

  2. 2.

    Keuze van de differentieelstroombeschermingsinrichtingen

    Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van:

    • punt a.3. van onderafdeling 5.3.3.1. , aan het begin van de elektrische installatie, waarvan de uitvoering ter plaatse is aangevangen vóór 2 juli 2003, een differentieelstroombeschermingsinrichting in dienst te laten waarvan de scheidingsfunctie wordt verzekerd door een algemene scheidingsinrichting geplaatst in het hoofdbord en die zich stroomopwaarts van de differentieelstroombeschermingsinrichting bevindt;

    • punt a. van onderafdeling 5.3.5.3. , de differentieelstroombeschermings-inrichtingen met een nominale stroomsterkte kleiner dan 40 A in dienst te laten voor elektrische installaties waarvan de uitvoering ter plaatse is aangevangen vóór 16 september 1991;

    • punt e. van onderafdeling 5.3.5.5. , de differentieelstroombeschermingsinrichtingen met een nominale stroomsterkte kleiner dan 40 A die niet de specifieke markering “3000 A, 22,5 kA²s” dragen in dienst te laten voor elektrische installaties waarvan de uitvoering ter plaatse is aangevangen vóór 7 mei 2000 of die conform zijn met de NBN 819.

  3. 3.

    Keuze van de beschermingsinrichtingen tegen overstroom

    Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van punt e. van onderafdeling 5.3.5.5. , de beschermingsinrichtingen tegen overstroom die niet de markering voor energiebeperkingsklasse 3 dragen in dienst te laten voor elektrische installaties waarvan de uitvoering ter plaatse is aangevangen vóór 31 december 2007.

  4. 4.

    Keuze van de algemene lastscheidingsschakelaar

    Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van punt b. van onderafdeling 5.3.5.1. , een algemene lastscheidingsschakelaar met een nominale stroomsterkte van ten minste 25 A in dienst te laten voor elektrische installaties waarvan de uitvoering ter plaatse is aangevangen vóór 16 september 1991.

  5. 5.

    Keuze van de elektrische leidingen

    Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van:

    • punt b. van de onderafdelingen 4.3.3.4 . en 4.3.3.5. en van punt a. van onderafdeling 4.3.3.7. de volgende gevallen in dienst te laten voor elektrische installaties waarvan de uitvoering ter plaatse is aangevangen vanaf 4 september 2013:

      • elektrische leidingen in bouwwerken die een brandreactie hebben zoals aangeduid in tabel 4.7. ;

      • geïsoleerde geleiders geïnstalleerd in laag of in bundel die het kenmerk F1 of de klasse Eca hebben in ruimten gekenmerkt door de uitwendige invloeden BE1, CA1 en CB1;

      • geïsoleerde geleiders en kabels ten minste van het type met versterkte isolatie voor de plaatsing onder sierlijsten, holle plinten en lijsten;

      • geïsoleerde geleiders en kabels van het niet-vlamverspreidend type in holle constructieruimten;

      • kabels die niet de kenmerken SA en SD of de aanvullende verklaringen a1 en s1 hebben en hun toebehoren in de in tabel 4.10. bedoelde ruimten, behalve indien deze ruimten worden beschouwd zoals ruimten gekenmerkt met de uitwendige invloeden BD2, BD3 of BD4;

    • punt b. van de onderafdelingen 4.3.3.4. en 4.3.3.5. de volgende gevallen in dienst te laten voor elektrische installaties waarvan de uitvoering ter plaatse is aangevangen vóór 4 september 2013:

      • elektrische leidingen met een mantel uit vlamvertragend materiaal in ruimten gekenmerkt met de uitwendige invloeden BE1, CA1 en CB1 en voor alle plaatsingwijzen;

      • elektrische leidingen met specifieke bepaling of van het niet-brandverspreidende type gegroepeerd in laag of in bundel in ruimten gekenmerkt met de uitwendige BE2, BE3, CA2 of CB2;

    • punt a. van onderafdeling 4.3.3.7. , elektrische leidingen die niet de kenmerken SA en SD of de aanvullende verklaringen a1 en s1 hebben en hun toebehoren in dienst te laten voor elektrische installaties waarvan de uitvoering ter plaatse is aangevangen vóór 4 september 2013;

    • onderafdeling 5.2.1.2. , stroombanen, die niet toegekend zijn voor de voeding van de elektrische machines of toestellen bedoeld in de laatste alinea, in dienst te laten;

    • tabel 5.1. van onderafdeling 5.2.1.2. , de elektrische leidingen EMCB en EMCVB met een doorsnede van 1 mm² en de elektrische leidingen CTLB en VTLB met een doorsnede van 0,75 mm² die deel uitmaken van stroombanen zonder contactdoos, in dienst te laten voor elektrische installaties waarvan de uitvoering ter plaatse is aangevangen vóór 17 mei 1986. De beschermingsinrichtingen van deze elektrische leidingen worden aangepast voor de doorsnede van deze elektrische leidingen;

    • hoofdstuk 5.5. , nood- of veiligheidsinstallaties waarvoor het functiebehoud alleen wordt gegarandeerd door een elektrische leiding van een vuurbestendig type of beschermd door een mantel die ze dezelfde bescherming verleent, in dienst te laten, op voorwaarde dat de elektrische leiding verwijderd blijft van ruimten met de uitwendige invloeden BE2, BE3, CA2 of CB2, voor nood- of veiligheidsinstallaties waarvan de uitvoering ter plaatse is aangevangen vóór 4 september 2013;

    • onderafdeling 7.1.5.2. , kabels met een metalen wapening zoals van het type VFVB geplaatst in ruimten die een bad en/of een douche bevatten in dienst te laten voor elektrische installaties waarvan de uitvoering ter plaatse is aangevangen vóór 22 juli 1986.

  6. 6.

    Contactdozen

    Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van punt b. van onderafdeling 5.3.5.2. , per eindstroombaan meer dan acht enkelvoudige of meervoudige contactdozen in dienst te laten op voorwaarde dat het vermogen van de aangesloten vaste en vast opgestelde toestellen het toelaatbare vermogen in de elektrische leiding niet overtreft.

    Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van onderafdeling 5.1.3.1. en van onderafdeling 5.3.5.2., a. , de contactdozen die tussen 1 oktober 1981 en 31 mei 2020 geïnstalleerd waren en die beantwoorden aan de voorschriften van boek 1 van toepassing vóór 01/03/2025, in dienst te laten.

  7. 7.

    Eendraadsschema’s en situatieplannen

    Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van punt a. van de onderafdelingen 3.1.2.1. en 3.1.2.2. , de afwezigheid van de volgende informatie op de eendraadsschema’s en de situatieplannen te dulden:

    • de handtekening en de datum van de verantwoordelijke voor de uitvoering van het werk en de eigenaar van de elektrische installatie;

    • het btw-nummer op het eendraadsschema;

    • het type van de beschermingsinrichtingen.

    Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van punt a. van onderafdeling 3.1.2.3. , voor de huishoudelijke fotovoltaïsche installaties (≤ 10 kVA), alleen over een schriftelijke beschrijving aangevuld met eventuele foto’s te beschikken.

  8. 8.

    Markering en aanduiding

    Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van de afdelingen 3.1.3. en 5.1.6. , alleen aan de volgende bepalingen betreffende de markering en de aanduiding te voldoen:

    • het elektrisch materieel in de schakel- en verdeelborden wordt op een duidelijke, goed zichtbare en onuitwisbare wijze gemarkeerd door middel van individuele markeringen, tenzij iedere mogelijkheid tot vergissen uitgesloten is;

    • de vaste machines en toestellen worden op een duidelijke, goed zichtbare en onuitwisbare wijze gemarkeerd door middel van individuele markeringen, tenzij iedere mogelijkheid tot vergissen uitgesloten is of tenzij deze vaste machines en toestellen op de eendraadsschema’s en de situatieplannen worden aangeduid.

  9. 9.

    Verslag van gelijkvormigheidscontrole

    Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van afdeling 9.1.2. , de afwezigheid van het verslag van de gelijkvormigheidscontrole van de elektrische installatie in het elektrisch dossier te dulden bij het controlebezoek.

  10. 10.

    Bescherming tegen elektrische schokken door onrechtstreekse aanraking

    Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van de 5de alinea van punt b. van onderafdeling 4.2.4.3. , de in de punten 1 en 2 bedoelde stroombanen niet door een differentieelstroombeschermingsinrichting met een grote of zeer grote gevoeligheid te beschermen. Deze afwijking is ook van toepassing op elke niet belangrijke wijziging of uitbreiding die op deze stroombanen wordt aangebracht.

    Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van de 6de alinea van punt b. van onderafdeling 4.2.4.3. , meer dan acht eindstroombanen per differentieelstroombeschermingsinrichting met een grote of zeer grote gevoeligheid in dienst te laten.

    Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van de 10de alinea van punt b. van onderafdeling 4.2.4.3. , een differentieelstroombeschermingsinrichting met een grote of zeer grote gevoeligheid voor het geheel van de verlichtingsstroombanen en een differentieelstroombeschermingsinrichting met een grote of zeer grote gevoeligheid voor elke andere stroombaan of groep van stroombanen die ten hoogste zestien enkelvoudige of meervoudige contactdozen bevat in dienst te laten.

  11. 11.

    Bescherming van ruimten die een bad en/of een douche bevatten

    De in onderafdeling 6.5.8.1. , 3. bedoelde afwijkingen zijn van toepassing.

8.3Afwijkende beschikkingen voor bestaande niethuishoudelijke elektrische installaties

8.3.1Oude niet-huishoudelijke elektrische installaties

8.3.1.1Elektrische installaties in de ruimten waarin geen personen worden tewerkgesteld die onder toepassing vallen van artikel 2 van de wet op het welzijn op het werk van 4/08/1996

De volgende afwijkende beschikkingen zijn van toepassing op de bestaande gedeelten van oude niethuishoudelijke elektrische installaties in deze ruimten:

  1. 1.

    De afwijkende beschikkingen van afdeling 8.2.1. zijn van toepassing;

  2. 2.

    De elektrische installatie is zodanig uitgevoerd dat de personen beschermd zijn tegen de risico’s van rechtstreekse en onrechtstreekse aanraking, tegen de gevolgen van overspanningen te wijten aan inzonderheid isolatiefouten, schakelingen en atmosferische invloeden, tegen brandwonden alsmede tegen de niet elektrische risico’s te wijten aan het gebruik van elektriciteit.

    • Wanneer het niet mogelijk blijkt om voormelde risico’s uit te schakelen door maatregelen inzake het ontwerp of door collectieve beschermingsmaatregelen of om de risico’s op een ernstig letsel in te perken door het nemen van materiële maatregelen, dient de toegang tot deze installatie uitsluitend te worden voorbehouden aan de gewaarschuwde (BA4) of vakbekwame (BA5) personen;

  3. 3.

    De elektrische installatie is zodanig uitgevoerd dat:

    1. 1°

      gevaarlijke vlambogen en gevaarlijke oppervlaktetemperaturen worden vermeden of de risico’s die er aan verbonden zijn worden beperkt;

    2. 2°

      oververhitting, brand en ontploffing worden vermeden of de risico’s die er aan verbonden zijn worden beperkt.

      • 4.1. Elke stroombaan is beschermd door minstens één beschermingsinrichting, die een

      • overbelastingsstroom onderbreekt vooraleer een opwarming kan ontstaan die schadelijk is voor de isolatie, de verbindingen, de geleiders of de omgeving.

      • Elke stroombaan is beschermd door een beschermingsinrichting die een kortsluitstroom onderbreekt vooraleer gevaarlijke effecten ontstaan;

      • 4.2. In afwijking van de bepalingen van punt 4.1., is het toegelaten bepaalde stroombanen niet te beschermen tegen overstroom, mits de voorwaarden en nadere regels bepaald in onderafdeling

      • 4.4.2.2., 4.4.3.3. en 5.2.4.2. van dit Boek nageleefd worden;

      • 5.1. Met het oog op het uitvoeren van werkzaamheden buiten spanning, moet de scheiding van de elektrische installatie of van individuele stroombanen op een veilige en betrouwbare wijze uitgevoerd kunnen worden;

      • 5.2. De functionele besturing van machines gebeurt op een veilige wijze;

      • 5.3. De gevolgen van spanningsdalingen of van het wegvallen van de spanning en het wederopkomen ervan brengt de personen niet in gevaar;

  4. 6.

    De elektrische installatie is opgebouwd met elektrisch materieel, dat zodanig gebouwd is dat het bij een correcte installatie en correct onderhoud, en bij gebruik volgens zijn bestemming, de veiligheid van personen niet in gevaar brengt;

  5. 7.

    Het gebruikte elektrisch materieel is ofwel door zijn constructie ofwel door een bijkomende bescherming, aangepast aan de aanwezige en redelijkerwijze te verwachten uitwendige invloeden en gebruiksomstandigheden;

  6. 8.

    Er wordt rekening gehouden met de eventuele instructies van de fabrikant van het elektrisch materieel, met betrekking tot de installatie, het onderhoud en het veilig gebruik van dit materieel;

  7. 9.

    In de gevallen bedoeld in hoofdstuk 9.4. van dit Boek signaleert de eigenaar, de uitbater of de beheerder van een elektrische installatie de elektrische installatie.

8.3.1.2Elektrische installaties in de ruimten waarin personen worden tewerkgesteld die onder toepassing vallen van artikel 2 van de wet op het welzijn op het werk van 4/08/1996

Titel 2 betreffende de elektrische installaties van boek III van de codex over het welzijn op het werk is van toepassing voor de bestaande gedeelten van oude niet-huishoudelijke installaties in deze ruimten.

8.3.2Niet-huishoudelijke elektrische installaties oud AREI

8.3.2.1Algemeenheden

De inbreuken met dit Boek in een elektrische installatie, die overeenkomstig het oud AREI was, worden als opgelost beschouwd:

  • hetzij ze aangepast worden om aan de bepalingen van dit Boek te beantwoorden;

  • hetzij ze het voorwerp van een in onderafdeling 8.3.2.2. bedoelde afwijking uitgemaakt hebben;

  • hetzij er op basis van een risicoanalyse maatregelen genomen worden om de veiligheid van personen en goederen te garanderen.

De risicoanalyse wordt ter beschikking van het erkend organisme belast met het controlebezoek en de met het toezicht belaste ambtenaar gehouden. De referentie van het document wordt in het verslag van het controlebezoek vermeld. Dit document maakt deel uit van het dossier van de elektrische installatie. Dit document vermeldt:

  • de identificatie van de betrokken bestaande gedeelten van de elektrische installatie;

  • de conclusie van de risicoanalyse;

  • de verantwoording van de maatregelen om de veiligheid van de personen en goederen te garanderen.

De risicoanalyse, die door Titel 2 betreffende de elektrische installaties van boek III van de codex over het welzijn op het werk bedoeld wordt, kan aan de eis van de in 1ste alinea bedoelde risicoanalyse voldoen.

8.3.2.2Afwijkende beschikkingen

De volgende afwijkende beschikkingen zijn van toepassing op de bestaande gedeelten van elektrische niethuishoudelijke installaties oud AREI:

  1. 1.

    Conformiteit van het elektrisch materieel in de elektrische installatie

    Het is toegelaten in afwijking van de voorschriften van onderafdeling 5.1.3.1. , elektrisch materieel in een elektrische installatie, waaronder met name de aftakdozen, elektrische leidingen, beschermingsinrichtingen, … dat geïnstalleerd was in overeenstemming met de voorschriften van het oud AREI en gebouwd was in overeenstemming de regels van goed vakmanschap op het ogenblik van zijn installatie, in dienst te laten. Het gebruikte elektrisch materieel is ofwel door zijn constructie ofwel door een bijkomende bescherming, aangepast aan de aanwezige en de redelijkerwijze te verwachten uitwendige invloeden en gebruiksomstandigheden. Er wordt rekening gehouden met de eventuele instructies van de fabrikant van het elektrisch materieel, met betrekking tot de installatie, het onderhoud en het veilig gebruik van dit materieel.

  2. 2.

    Schema en merken van stroombanen

    Het is toegelaten in afwijking van de voorschriften van de afdelingen 3.1.2., 3.1.3. en 5.1.6. , aan de volgende bepalingen voor niet-huishoudelijke elektrische installaties oud AREI te voldoen:

    1. a.

      Principeschema of beschrijving

      De elektrische installatie moet het voorwerp uitmaken van een principeschema of een beschrijving die onder andere aangeeft:

      • de spanningen en de aard van de stromen;

      • de aard en de samenstelling van de belangrijkste stroombanen;

      • de plaats en de kenmerken van de inrichtingen die instaan voor veiligheidsonderbreking en scheiding van de belangrijkste stroombanen.

      Dit schema of deze beschrijving moet ter plaatse ter beschikking gehouden worden van iedereen die gemachtigd is tot het uitoefenen van toezicht of controle van deze installatie of er aan te werken.

    2. b.

      Merken van stroombanen

      De schakelaars en beschermingsinrichtingen van de voornaamste stroombanen moeten op een duidelijke en zichtbare wijze gemerkt worden door middel van individuele aanduidingen waardoor de identificatie van de stroombanen mogelijk wordt tenzij iedere mogelijkheid tot vergissen uitgesloten is.

      De stroombanen moeten zo nodig derwijze uitgevoerd worden dat hun latere identificatie mogelijk is bij nazichten, proeven, herstellingen of omvormingen van de installatie.

      Teneinde de identificatie van de kabels van een zichtbaar aangebrachte bundel toe te laten moet, indien dit noodzakelijk blijkt te zijn, gebruik gemaakt worden van aanduidingen die op regelmatige afstanden herhaald worden.

  3. 3.

    Veiligheidsslot

    Het is toegelaten in afwijking van de voorschriften van onderafdeling 4.2.2.3. punt d. , de verlichtingspalen en de signalisatiepalen in dienst te laten:

    • die uitgerust zijn met een slot dat niet als veiligheidsslot beschouwd wordt, en

    • waarvan de actieve delen niet beschermd worden door een of meerdere inwendige schermen met een beschermingsgraad IPXX-B.

    Deze afwijking is van toepassing voor de palen waarvan de installatie ter plaatse is aangevangen vóór de datum van inwerkingtreding van dit Boek.

  4. 4.

    Elektrische installaties in de ruimten waarin geen personen worden tewerkgesteld die onder toepassing vallen van artikel 2 van de wet op het welzijn op het werk van 4/08/1996

    De volgende afwijkende beschikkingen zijn van toepassing op de bestaande gedeelten van elektrische niethuishoudelijke installaties oud AREI in deze ruimten:

    1. a.

      De afwijkende beschikkingen van afdeling 8.2.2. zijn van toepassing;

    2. b.

      Het is toegelaten in afwijking van afdeling 9.1.1. , zich te beperken tot de inhoud van het dossier van een huishoudelijke elektrische installatie ( afdeling 9.1.2. ).

  5. 5.

    Contactdozen

    Het is toegelaten, in afwijking van de voorschriften van onderafdeling 5.1.3.1. en van onderafdeling 5.3.5.2. , a. , de contactdozen die tussen 1 oktober 1981 en 31 mei 2020 geïnstalleerd waren en die beantwoorden aan de voorschriften van boek 1 van toepassing vóór 01/03/2025 , in dienst te laten.

  6. 6.

    Bescherming van ruimten die een bad en/of een douche bevatten

    De afwijkingen bedoelde in onderafdeling 6.5.8.2. , 4. zijn van toepassing.

  7. 7.

    Beschermingsmaatregelen in elektrische installaties

    7.1. Het is toegelaten, in afwijking van punt b.3. van onderafdeling 4.2.3.4. , tweefasige stroombanen in vaste elektrische installaties volgens een TN-netsysteem in dienst te laten waarvan de PEN-geleider een doorsnede kleiner dan 10 mm² in koper of 16 mm² in aluminium heeft.

    7.2. Het is toegelaten, in afwijking van punt d.2. van onderafdeling 4.2.3.4. , elektrische installaties volgens een IT-netsysteem die niet met een permanente isolatiebewaking zijn uitgerust om het bestaan van een eerste massa- of aardfout te melden, in dienst te laten, op voorwaarde dat:

    • de waarschuwing van een eerste massa- of aardfout uit veiligheidsoogpunt niet noodzakelijk is; en

    • dit niet vereist is in de bijzondere gevallen vermeld in Boek 1 ; en

    • voldaan wordt aan de in de eerste alinea van punt d.2. van onderafdeling 4.2.3.4. bedoelde voorschrift.

    De afwijking van de bepaling onder 7. is ook van toepassing op niet belangrijke wijzigingen of uitbreidingen die op deze elektrische installaties worden aangebracht.

8.4Controlebezoeken van sommige oude elektrische installaties die niet het voorwerp uitgemaakt hebben van een gelijkvormigheidsonderzoek overeenkomstig het oud AREI

8.4.1Controlebezoek van een oude huishoudelijke elektrische installatie van een wooneenheid voor elke verzwaring van de aansluiting op het openbaar verdeelnet

Iedere oude huishoudelijke elektrische installatie van een wooneenheid die niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een gelijkvormigheidsonderzoek overeenkomstig het oud AREI en waarvoor een verzwaring van aansluiting op het openbaar verdeelnet wordt gevraagd, moet het voorwerp uitmaken van een controlebezoek dat wordt uitgevoerd door een erkend organisme ten einde de gelijkvormigheid ervan vast te stellen met:

  • de voorschriften van dit Boek die erop betrekking hebben met uitzondering van Deel 8. voor het gedeelte waarvan de aanleg was aangevat na de datum van inwerkingtreding van dit Boek;

  • de voorschriften van dit Boek die erop betrekking hebben, met inbegrip van Deel 8. , voor het gedeelte waarvan de aanleg was aangevat vóór de datum van inwerkingtreding van dit Boek.

Iedere aanvraag tot verzwaring van de aansluiting wordt vergezeld van het verslag van controle van de elektrische installatie. Alvorens over te gaan tot bedoelde verzwaring van de aansluiting, verzekert de verdeler of de persoon die hij gemachtigd heeft om deze verzwaring uit te voeren, zich van de aanwezigheid van het verslag waarin de overeenstemming met de voorschriften van dit Boek wordt bevestigd.

De Minister bevoegd voor Energie, kan, nadere regels vaststellen met betrekking tot de vorm en de inhoud van het verslag. Dit verslag van het controlebezoek wordt bewaard in het dossier van de elektrische installatie.

Een kopie van dit verslag wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard hetzij door het erkend organisme, hetzij door de bevoegde overheid die het genoemde controlebezoek heeft uitgevoerd.

Het verslag van het controlebezoek moet aan de eigenaar, beheerder of uitbater hetzij schriftelijk hetzij onder elektronische vorm worden overgemaakt.

Het verslag van het controlebezoek wordt door de eigenaar, beheerder, uitbater of het erkend organisme getoond bij ieder verzoek van de met het toezicht belaste ambtenaar. Op verzoek van de met het toezicht belaste ambtenaar zijn de eigenaar, beheerder, uitbater of het erkend organisme ertoe gehouden om een kopie van dit document aan het bestuur te verstrekken.

De voorschriften van afdeling 9.1.4. zijn van toepassing wanneer de inbreuken worden vastgesteld bij het controlebezoek.

De voorschriften van afdelingen 6.5.1. en 6.5.2. zijn van toepassing op elk later controlebezoek.

8.4.2Controlebezoek van een oude huishoudelijke elektrische installatie van een wooneenheid bij verkoop

8.4.2.1Toepassingsgebied

Deze onderafdeling is van toepassing op de verkoop van een wooneenheid:

  • met een oude elektrische installatie waaraan sedert 1 oktober 1981 geen belangrijke wijzigingen of aanzienlijke uitbreidingen zijn aangebracht;

  • met een oude elektrische installatie waaraan sedert 1 oktober 1981 belangrijke wijzigingen of aanzienlijke uitbreidingen zijn aangebracht maar waarvan het gedeelte dat dateert van vóór 1 oktober 1981 nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een controlebezoek.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden niet als wooneenheid beschouwd:

  • kloosters;

  • hospitalen;

  • gevangenissen;

  • rusthuizen;

  • pensionaten;

  • hotels,

  • onderwijsinstellingen.

Indien de wooneenheid deel uitmaakt van een regime van mede-eigendom gelden de hierna vermelde bepalingen enkel voor wat betreft de privatieve delen van de betrokken wooneenheid. Daarenboven zijn deze bepalingen evenmin van toepassing op garages, parkings, berg- en andere ruimten die deel zijn van de wooneenheid maar waarvan de elektrische installatie wordt gevoed via een elektriciteitsmeter op naam van de medeeigenaars of van de vereniging van mede-eigenaars.

Deze bepalingen zijn evenmin van toepassing op wooneenheden die het voorwerp uitmaken van een onteigening.

8.4.2.2Modaliteiten van het controlebezoek

  1. a.

    Verplichtingen

    Bij de verkoop van een wooneenheid als bedoeld in afdeling 8.4.2.1. , is de verkoper verplicht:

    • een controlebezoek van de elektrische installatie te laten uitvoeren;

    • de datum van het verslag van het controlebezoek en het feit van de overhandiging van dit verslag in de authentieke akte te doen vermelden.

    Indien de verkoper en koper overeenkomen dat een controlebezoek van de elektrische installatie overbodig en nutteloos is omdat de koper het gebouw gaat afbreken of de elektrische installatie volledig gaat renoveren is de verkoper verplicht dit akkoord in de authentieke akte te doen vermelden.

    De verkoper is verplicht in de authentieke akte te doen vermelden dat de koper de Algemene Directie Energie belast met het hoog toezicht op de huishoudelijke elektrische installaties moet informeren van de afbraak van het gebouw of van de volledige renovatie van de elektrische installatie. Deze laatste maakt aan de koper een dossiernummer over en verzoekt hem haar een verslag van controle toe te zenden van zodra de nieuwe elektrische installatie in gebruik wordt genomen.

    In het geval van onmogelijkheid om de controle te laten uitvoeren bij een door gerechtelijke beslissingen bevolen verkoop is diegene die de verkoop vordert verplicht in de authentieke akte of in het proces-verbaal van openbare toewijzing de afwezigheid te doen vermelden van het controleonderzoek van de elektrische installatie en het belang voor de koper om tot deze controle te laten overgaan.

    In het geval van een controlebezoek met een negatief verslag als gevolg is de verkoper verplicht in de authentieke akte de verplichting voor de koper te doen vermelden zijn identiteit en de datum van de akte van verkoop schriftelijk mee te delen aan het erkend organisme dat het controlebezoek van de elektrische installatie heeft uitgevoerd.

    Na deze melding moet de koper een nieuw controlebezoek door een erkend organisme laten uitvoeren om na te gaan of na de afloop van de termijn van 18 maanden, te rekenen vanaf de datum van de akte van verkoop, de inbreuken verdwenen zijn. De koper kan dit erkend organisme vrij kiezen.

    Indien de koper een ander erkend organisme aanstelt dan licht dit organisme het erkend organisme dat het eerste verslag van controlebezoek heeft opgesteld hierover in.

  2. b.

    Geval van afbraak of volledige renovatie

    Bij een afbraak van het gebouw of een volledige renovatie van de elektrische installatie zijn de bepalingen van hoofdstuk 6.4. van toepassing.

  3. c.

    Voorwerp van het controlebezoek

    Het controleonderzoek heeft tot doel de gelijkvormigheid van de elektrische installatie vast te stellen met:

    • de voorschriften van dit Boek die erop betrekking hebben met uitzondering van Deel 8. voor het gedeelte waarvan de aanleg was aangevat na de datum van inwerkingtreding van dit Boek;

    • de voorschriften van dit Boek die erop betrekking hebben, met inbegrip van Deel 8. , voor het gedeelte waarvan de aanleg was aangevat vóór de datum van inwerkingtreding van dit Boek.

  4. d.

    Afwezigheid van de eendraadsschema’s en situatieplannen bij het controlebezoek uitgevoerd bij de verkoop van een wooneenheid

    In het geval bij het controlebezoek, uitgevoerd bij de verkoop van een wooneenheid, de eendraadsschema’s en de situatieplannen van de elektrische installatie niet tot beschikking van de vertegenwoordiger van het erkend organisme kunnen worden gesteld, maakt de vertegenwoordiger van het erkend organisme op duidelijke wijze:

    • voor de eendraadsschema’s: een summiere beschrijving (of een schema) van de verschillende schakel- en verdeelborden die minimaal de volgende elementen omvat:

      • het adres van de installatie;

      • de nominale spanning van de installatie;

      • de doorsnede van de voedingskabel van het hoofdbord;

      • het type en de doorsnede van de verschillende vertrekken;

      • de differentieelstroombeschermingsinrichting(en) met haar (hun) karakteristieken;

      • de karakteristieken van de beschermingsinrichtingen.

    • ## voor de situatieplannen: een summiere schets met de losse hand (de markering is niet noodzakelijk) die minimaal de volgende elementen omvat:

    • de contactdozen;

    • de schakelaars;

    • de lichtpunten;

    • de vaste of vast opgestelde toestellen of de vaste of vast opgestelde machines.

    Deze beschrijving en deze schets mogen niet als eendraadsschema en situatieplan van de elektrische installatie gebruikt worden. Ze tonen alleen de traceerbaarheid van de verschillende delen aan, die door het erkend organisme gecontroleerd werden. De afwezigheid van de reglementaire eendraadsschema’s en situatieplannen moet als inbreuk op het verslag van het controlebezoek vermeld worden.

    De summiere beschrijving (of het schema) en de summiere schets maken integraal deel uit van het verslag bedoeld in onderafdeling 8.4.2.3. en ze worden door de aanvrager van het controlebezoek en door de vertegenwoordiger van het erkend organisme ondertekend. Ze worden aan de eigenaar van de huishoudelijke installatie bezorgd om integraal deel uit te maken van het dossier van de elektrische installatie bedoeld in afdeling 9.1.2.

8.4.2.3Verslag, inbreuken en later controlebezoek

De Minister bevoegd voor Energie, kan, nadere regels vaststellen met betrekking tot de vorm en de inhoud van het verslag. Dit verslag van het controlebezoek wordt bewaard in het dossier van de elektrische installatie.

Een kopie van dit verslag wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard hetzij door het erkend organisme, hetzij door de bevoegde overheid die het genoemde controlebezoek heeft uitgevoerd.

Het verslag van het controlebezoek moet aan de eigenaar, beheerder of uitbater hetzij schriftelijk hetzij onder elektronische vorm worden overgemaakt.

Het verslag van het controlebezoek wordt door de eigenaar, beheerder, uitbater of het erkend organisme getoond bij ieder verzoek van de met het toezicht belaste ambtenaar. Op verzoek van de met het toezicht belaste ambtenaar zijn de eigenaar, beheerder, uitbater of het erkend organisme ertoe gehouden om een kopie van dit document aan het bestuur te verstrekken.

De voorschriften van afdeling 9.1.4. zijn van toepassing wanneer de inbreuken worden vastgesteld bij het nieuwe controlebezoek.

De voorschriften van afdelingen 6.5.1. en 6.5.2. zijn van toepassing op elk later controlebezoek.

8.4.3Controlebezoek van oude huishoudelijke elektrische installaties dat niet aan de criteria van de afdelingen 8.4.1. en 8.4.2. beantwoordt

Wanneer een controlebezoek van een oude elektrische installatie noodzakelijk is, wordt ze door een erkend organisme uitgevoerd en ze heeft tot doel de gelijkvormigheid van de elektrische installatie vast te stellen met ten minste:

  • de voorschriften van dit Boek die erop betrekking hebben met uitzondering van Deel 8. voor het gedeelte waarvan de aanleg was aangevat na de datum van inwerkingtreding van dit Boek;

  • de voorschriften van dit Boek die erop betrekking hebben, met inbegrip van Deel 8. , voor het gedeelte waarvan de aanleg was aangevat vóór de datum van inwerkingtreding van dit Boek.

De Minister bevoegd voor Energie, kan, nadere regels vaststellen met betrekking tot de vorm en de inhoud van het verslag. Dit verslag van het controlebezoek wordt bewaard in het dossier van de elektrische installatie.

Een kopie van dit verslag wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard hetzij door het erkend organisme, hetzij door de bevoegde overheid die het genoemde controlebezoek heeft uitgevoerd.

Het verslag van het controlebezoek moet aan de eigenaar, beheerder of uitbater hetzij schriftelijk hetzij onder elektronische vorm worden overgemaakt.

Het verslag van het controlebezoek wordt door de eigenaar, beheerder, uitbater of het erkend organisme getoond bij ieder verzoek van de met het toezicht belaste ambtenaar. Op verzoek van de met het toezicht belaste ambtenaar zijn de eigenaar, beheerder, uitbater of het erkend organisme ertoe gehouden om een kopie van dit document aan het bestuur te verstrekken.

De voorschriften van afdeling 9.1.4. zijn van toepassing wanneer de inbreuken worden vastgesteld bij het controlebezoek.

De voorschriften van afdelingen 6.5.1. en 6.5.2. zijn van toepassing op elk later controlebezoek.

8.4.4Controlebezoek van een oude niet-huishoudelijke elektrische installatie in de ruimten waarin geen personen worden tewerkgesteld die onder toepassing vallen van artikel 2 van de wet op het welzijn op het werk van 4/08/1996

Wanneer een controlebezoek van een oude elektrische installatie in deze ruimten noodzakelijk is, wordt ze door een erkend organisme uitgevoerd en ze heeft tot doel de gelijkvormigheid van de elektrische installatie vast te stellen met ten minste:

  • de voorschriften van dit Boek die erop betrekking hebben met uitzondering van Deel 8. voor het gedeelte waarvan de aanleg was aangevat na de datum van inwerkingtreding van dit Boek;

  • de voorschriften van dit Boek die erop betrekking hebben, met inbegrip van Deel 8. , voor het gedeelte waarvan de aanleg was aangevat vóór de datum van inwerkingtreding van dit Boek.

De Minister bevoegd voor Energie, kan, nadere regels vaststellen met betrekking tot de vorm en de inhoud van het verslag. Dit verslag van het controlebezoek wordt bewaard in het dossier van de elektrische installatie.

Een kopie van dit verslag wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard hetzij door het erkend organisme, hetzij door de bevoegde overheid die het genoemde controlebezoek heeft uitgevoerd.

Het verslag van het controlebezoek moet aan de eigenaar, beheerder of uitbater hetzij schriftelijk hetzij onder elektronische vorm worden overgemaakt.

Het verslag van het controlebezoek wordt door de eigenaar, beheerder, uitbater of het erkend organisme getoond bij ieder verzoek van de met het toezicht belaste ambtenaar. Op verzoek van de met het toezicht belaste ambtenaar zijn de eigenaar, beheerder, uitbater of het erkend organisme ertoe gehouden om een kopie van dit document aan het bestuur te verstrekken.

De werken, nodig om de tijdens het controlebezoek vastgestelde inbreuken te doen verdwijnen, moeten zonder vertraging worden uitgevoerd en alle gepaste maatregelen worden genomen opdat, indien de installatie in dienst blijft, deze inbreuken geen gevaar vormen voor de personen of goederen.

De voorschriften van afdelingen 6.5.1. en 6.5.2. zijn van toepassing op elk later controlebezoek.

Prepared presentation of the official source; it does not replace professional verification or an inspection.

Source status
Extraction status: prepared from the official source
Content SHA-256:
fb588acf6d84ea7386fbeadd9c20ec1d6a9e7cdad51bb61567967337f00004ab
PDF SHA-256:
339f4869bb0b7d4ac424fcc5ea15f27c5d78fbf619091547111265670c28c335