AREI-symbolen: overzicht voor eendraadschema en situatieplan
Welke symbolen tabel 2.23 voorziet voor Belgische huishoudelijke installaties, wanneer je een eigen teken via de legende invoert en welke technische gegevens naast elk symbool op schema en plan horen.
Kort antwoord: tabel 2.23 is de basis, eigen tekens verklaart de legende
Voor het eendraadschema en het situatieplan van een huishoudelijke elektrische installatie gebruik je de grafische symbolen uit AREI/RGIE Boek 1, hoofdstuk 2.13, tabel 2.23. Die tabel is uitdrukkelijk niet-limitatief. Ontbreekt een passend symbool, dan gebruik je een ander duidelijk herkenbaar teken en leg je de betekenis vast in de legende van schema en plan (onderafdeling 3.1.2.1 a).
De legende is dus een duidelijk geregeld hulpmiddel: elk teken blijft binnen het document eenduidig, en de verplichte technische gegevens staan er bijkomend bij. Deze gids behandelt huishoudelijke installaties volgens Boek 1 V06; voor niet-huishoudelijke installaties en bijzondere schakelschema's vraagt Boek 1 bijkomende gegevens (3.1.2.2 b).
Drie informatielagen
Hoofdstuk 2.13 bevat de symboolgroepen. Onderafdeling 3.1.2.1 a bepaalt dat die tekens voor huishoudelijke eendraadschema's en situatieplannen worden gebruikt en laat de legendeoplossing toe als tabel 2.23 geen teken biedt. Zo onderscheidt het AREI drie vragen:
- Welk materieel is bedoeld? Dat toont het basissymbool.
- Welke eigenschappen heeft het? Die staan als waarden, aanduidingen of bijkomende gegevens op het schema (3.1.2.2 a).
- Waar zit het en tot welke kring behoort het? Dat verbindt het situatieplan via de kringreferentie (3.1.2.3 a).
Een vertrouwd ogend symbool is dus nog geen volledige vermelding. Bij een differentieelschakelaar horen type, aanspreekstroom en verdere kenmerken erbij, bij een leiding type, doorsnede, aantal geleiders en plaatsingswijze.
Hoofdgroepen in tabel 2.23
Het overzicht gaat over de betekenis, niet over de exacte vorm van elk teken. Voor de getekende vorm blijft de officiële tabel de bron.
| Groep | Voorbeelden | Waarvoor je ze nodig hebt |
|---|---|---|
| A. Algemene tekens | gelijkstroom, wisselstroom, een- en driefasige wisselstroom | aard van de stroom en voeding herkenbaar maken |
| B. Schakel- en verdeelinrichtingen | verdeelbord, doos, verbindings-/aftakdoos, aftakkast, aardingsonderbreker | structurele knooppunten en borden tonen |
| C. Elektrische leidingen | ondergronds, bovengronds, zichtbaar, ingebouwd, in buis, aantal geleiders | traject en opbouw van de leiding beschrijven |
| D. Beveiligingen | smeltzekering, automaat met aanduiding M, O, Δ, differentieelschakelaar, aarding | bescherming tegen overstroom, foutstroom en aarding weergeven |
| E. Schakelaars en sturing | schakelaar, wissel- en kruisschakelaar, drukknop, dimmer, teleruptor, thermostaat, bewegingssensor | tonen welk punt of toestel wordt bediend |
| F. Contactdozen | enkel, meervoudig, dicht, met randaarde, met kinderbescherming, met schakelaar, data | het juiste aansluitpunt onderscheiden |
| G. Verbruikstoestellen | lichtpunt, armatuur, verwarming, huishoudtoestel, motor, laadpunt, kWh-meter | vaste of gelokaliseerde verbruikers aanduiden |
| H. Bronnen en omzetters | transformator, zonnecel, gelijkrichter/omvormer, DC/DC-omzetter | productie en omzetting documenteren |
| J. Domotica | basisteken met lokale, draadloze, geprogrammeerde of sensorsturing | elektrische functie en sturingswijze combineren |
De groepen zijn een bouwdoos, geen verplichte lijst: je gebruikt de tekens die je installatie werkelijk bevat. Of een toestel juist gekozen en gedimensioneerd is, blijkt uit het ontwerp; het symbool stelt het voor. De kenmerken van de bronnen vermeld je op het eendraadschema of je houdt ze beschikbaar in het dossier van de elektrische installatie (opmerking bij tabel 2.23).
Twaalf catalogustekens naast elkaar
De beeldplaat toont twaalf tekens uit de PlanElec-catalogus in zwart-wit. Het is een catalogusweergave, geen schermopname van een project. De volgorde loopt van links naar rechts en daarna per rij van boven naar beneden, gelijk met de genummerde tabel eronder. De rasterweergave vergroot de ongewijzigde geometrie van de bronbestanden. Eenduidig wordt een teken pas door benaming, volgnummer en technische gegevens, niet door de vorm alleen.

| Nr. en benaming | Betekenis in het document | Typische verwarring |
|---|---|---|
| 1. Automaat | Overstroombeveiliging; nominale stroom, curve, poolaantal en afschakelvermogen komen uit de technische gegevens. | Zelfde basisgeometrie als de differentieelschakelaar; benaming en differentiële kenmerken niet verwisselen. |
| 2. Differentieelschakelaar | Differentieelschakelaar; type, aanspreekstroom, nominale stroom en poolaantal vullen het teken aan. | Zelfde basisgeometrie als de automaat; 30 mA alleen legt geen RCD-type vast. |
| 3. Hoofd-lastschakelaar | Lastschakelaar in het gedocumenteerde voedingspad. | Niet gelijkstellen aan de stroomafwaartse automaat. Verplicht op het hoofdbord, in woningen minstens 40 A (5.3.5.1 b). De scheidingsfunctie van de differentieelschakelaar aan het voedingspunt (4.2.4.3 b) is een aparte eis; welk toestel de functie van algemene lastscheidingsschakelaar vervult, toont het schema eenduidig. |
| 4. Stopcontact | Gewoon stopcontact in het eendraadschema en het situatieplan. | Niet lezen als geschakeld stopcontact, dichte contactdoos of data-aansluiting. |
| 5. Spatwaterbestendig stopcontact | Dichte contactdoos met eigen catalogusgeometrie. | De extra aanduiding vervangt geen werkelijke omgevings- of toestelgegevens. |
| 6. Stopcontact met tweepolige schakelaar | Stopcontact met tweepolige schakelaar. | Een gewoon stopcontact plus afzonderlijk gedocumenteerde schakelaar zegt iets anders. |
| 7. Lichtuitlaat | Lichtuitlaat of lichtpunt. | Niet verwarren met een wandarmatuur of met de schakelaar die het punt bedient. |
| 8. Schakelaar | Algemeen schakelaarsymbool voor een bedieningselement. | Welk lichtpunt hij bedient, verklaart de referentie, niet het teken. |
| 9. Verbindings-/aftakdoos | Verbindings- of aftakdoos als topologisch knooppunt. | Niet gelijkstellen aan een verdeelbord of verbruiker. |
| 10. Kabel met drie geleiders | Basisteken voor een kabel met drie geleiders; type, doorsnede en plaatsingswijze staan bijkomend bij het kabeldeel. | Drie geleiders zijn nog geen kabeldimensionering en niet hetzelfde als een willekeurige 3×-notatie. |
| 11. Zonnepaneel / PV-module | Zonnecel of PV-module als bron in het gedocumenteerde PV-pad. | Niet verwarren met de omvormer; string, beveiliging en aansluitpunt blijven afzonderlijk traceerbaar. |
| 12. Omvormer | Omvormer tussen de in het project opgenomen zijden. | Het symbool staat voor de functie; merk en technische grenswaarden documenteer je apart. |
Hoe je een teken op het grondplan plaatst, verbindt en in het projectmodel verder gebruikt, beschrijft de hulp Elektrische symbolen plaatsen en verbinden. De catalogustekens verschijnen daarna in schema en plan; welke toestellen werkelijk geplaatst zijn, bevestig je ter plaatse.
Een leidingsymbool is meer dan een lijn
Een lijn tussen twee toestellen volstaat niet. Het eendraadschema vermeldt minstens type, doorsnede, aantal geleiders en plaatsingswijze (3.1.2.2 a). Tabel 2.23 bevat daarvoor basistekens en voorbeelden, zoals een XVB-Cca-kabel met vijf geleiders van 4 mm² in een ingebouwde buis of vier geïsoleerde H07V-U-geleiders van 1,5 mm² in één buis.
De notatie geeft de werkelijke opbouw weer. 3G2,5 beschrijft drie geleiders, inclusief een groen-gele beschermingsgeleider, van 2,5 mm²; 3×2,5 zegt dat niet over de beschermingsgeleider. Een zichtbare leiding teken je niet als ingebouwd, alleen omdat dat teken eenvoudiger is. De kabeldimensionering volgens belasting, plaatsing, groepering, temperatuur, spanningsval en uitschakelvoorwaarden doe je apart; het symbool documenteert het resultaat.
Beveiliging: teken en kenmerk horen samen
Tabel 2.23 onderscheidt smeltzekering, automaat en differentieelschakelaar. Bij de automaat geven hoofdletters de uitschakelmechanismen aan: M voor maximumstroom, O voor onderspanning, Δ voor de differentiële gevoeligheid. Naast het symbool bepalen de kenmerken het element:
- nominale stroom en karakteristiek voor een automaat (voorbeeld uit de tabel: 20 A, curve C);
- type, aanspreekstroom en nominale stroom voor een differentieel (voorbeeld: 300 mA, type A, 40 A);
- correcte functieaanduiding bij gecombineerde uitschakelmechanismen;
- werkelijk aanwezige verbindingen bij aarding, geen decoratief aardingsteken.
"30 mA" zegt niets over type A, F of B en niets over selectiviteit in de tijd. "20 A" zonder kabelgegevens en karakteristiek is evenmin volledig. De waarden komen van het geplaatste toestel en passen bij de kring; een voorbeeldplan is geen bron.
Dezelfde referentie op beide documenten
Elke elementaire kring krijgt op het eendraadschema een hoofdletter. Lichtpunten, stopcontacten en sturingseenheden krijgen een volgnummer vanaf de voorgeschakelde overstroombeveiliging; het situatieplan gebruikt dezelfde referenties (3.1.2.1 a). Een lichtpunt C4 betekent dus in beide documenten hetzelfde element.
Een schakelaar draagt de letter van zijn kring en het nummer van het lichtpunt of toestel dat hij bedient. Zo blijft de functie zichtbaar, ook als meerdere schakelaars in dezelfde ruimte zitten. Een meervoudige, geschakelde of datacontactdoos is iets anders dan een gewoon stopcontact; is het onderscheid relevant, dan gebruik je het passende teken.
Geen officieel symbool beschikbaar: zo gebruik je een legende
De legenderegel heb je vooral nodig voor nieuwe toestellen, fabrikantspecifieke functies of materieel dat tabel 2.23 niet apart noemt. Zo pak je het aan:
- zoek eerst een algemeen teken dat samen met een technische benaming volstaat;
- kies anders een eenvoudig teken dat niet met een bestaand teken te verwarren is;
- leg betekenis en eventuele afkorting vast in de legende;
- gebruik hetzelfde teken consequent op elke pagina;
- noteer technische eigenschappen bijkomend op het schema of in het dossier van de installatie.
Een merklogo is geen goede legende, omdat het noch elektrische functie noch aansluitwijze verklaart. Een eigen symbool zonder legende voldoet niet aan 3.1.2.1 a, ook als de tekenaar het zelf herkent.
Fouten die de leesbaarheid ondermijnen
- Symbolen uit andere normen of software worden gebruikt zonder ze met tabel 2.23 of de legende af te stemmen.
- Eén generiek stopcontactteken moet tegelijk enkel, meervoudig, data en geschakeld betekenen.
- Kabeltype, doorsnede, aantal geleiders of plaatsingswijze ontbreekt.
- Een differentieel toont alleen 30 mA, zonder type en nominale stroom.
- Eendraadschema en situatieplan gebruiken verschillende referenties voor hetzelfde element.
- Een PV-installatie wordt herleid tot één paneelteken, zonder omvormer en noodzakelijke kenmerken.
- Decoratieve varianten maken het basisteken of de legende onherkenbaar.
Controleer de uiteindelijke pdf
Een correct gekozen teken kan door schaal of pagina-indeling toch onbruikbaar worden. Bekijk de export op normale leesgrootte: snijdt de paginarand waarden of legende af, kruisen lijnen de referentie, blijven gewone en geschakelde stopcontacten onderscheidbaar en hoort elke tekst duidelijk bij het juiste toestel?
Laat betekenis nooit alleen van kleur afhangen, want afdrukken, kopieën en controledocumenten zijn vaak zwart-wit. Vorm, tekst en kringreferentie dragen de informatie. De legende staat op elke betrokken pagina of is ondubbelzinnig als deel van dezelfde documentenset aangeduid, en afkortingen blijven op alle pagina's gelijk.
Vergelijk ten slotte aantallen en referenties tussen eendraadschema en situatieplan. Die vergelijking vindt dubbele codes, ontbrekende verbruikers en gekopieerde symbolen vroeg; de technische controle volgt daarna.
Controleer bij een meertalig dossier ook of de legende in de gebruikte documenttaal begrijpelijk blijft. Een vertaalde toestelnaam verandert de elektrische betekenis of technische afkorting niet.
Een herhaalbare werkwijze van opname tot legende
Begin niet met tekenen, maar met een toestellijst. Noteer per werkelijk punt ruimte, kring, volgnummer, functie en de kenmerken die later naast het teken komen. Pas daarna kies je het basisteken uit tabel 2.23. Zo bepaalt de werkelijke functie het teken en niet omgekeerd. Een vaste ventilator, een stopcontact en een aansluitdoos kunnen op dezelfde kring liggen en blijven toch drie verschillende onderdelen.
Daarna controleer je in vier korte stappen:
- Basisteken: klopt de familie, bijvoorbeeld beveiliging, stopcontact, verlichting, bron of vast toestel?
- Kenmerken: staan poolaantal, nominale stroom, differentiële gevoeligheid, leidingtype, aantal geleiders en doorsnede waar ze voor het begrip nodig zijn?
- Referentie: draagt het punt op het situatieplan exact dezelfde kringletter en hetzelfde volgnummer als op het eendraadschema?
- Legende: is elke projectspecifieke combinatie één keer gedefinieerd en op elk betrokken blad terug te vinden?
Een klein voorbeeld: kring K vertrekt na een aangeduide differentieelschakelaar en een beveiliging van 20 A, loopt via een gedocumenteerde 3G2,5-kabel en voedt drie vaste aansluitingen. De beveiliging krijgt haar waarden, de kabel zijn kenmerken en elke aansluiting een eigen referentie K1 tot K3. Eén keukensymbool vervangt die informatie niet. Wordt K2 later een ander toestel, dan blijft de referentie behouden; symbool, functienaam en technische kenmerken werk je op beide plannen bij.
Grensgevallen helder documenteren
Bepaal bij gecombineerde apparatuur eerst welke elektrische functies voor controle en onderhoud zichtbaar moeten zijn. Een meervoudig stopcontact mag als groep verschijnen als aantal en schakeling eenduidig blijven. Een slimme actor met meerdere uitgangen heeft een basisteken, een legendecode en een verwijzing naar de technische fiche nodig; voor domotica biedt tabel 2.23 het tweedelige teken van de sturingseenheid met basissymbool en sturingswijze. De legende verklaart een ontbrekend tabelteken, maar verbergt nooit een leiding, beveiligingsfunctie of bron.
Beheer projectspecifieke tekens met versies, net als andere installatiegegevens. Wijzig je een teken, dan noteer je datum en betrokken referenties en controleer je alle bladen. Een verouderde legende hoort niet naast de actuele pdf in de overdrachtsmap. Twijfel je over de weergave, stem ze dan vóór de uitvoering af met de verantwoordelijke elektrotechnicus en zo nodig het erkend organisme.
De officiële publicatie van AREI Boek 1 is de primaire bron; controleer daar de versie die voor je documentdatum geldt. Pictogrammen van fabrikanten en tekens uit buitenlandse normen vervangen tabel 2.23 en de Belgische planregels niet.
Wat de PlanElec-symbolencatalogus doet
PlanElec biedt in de editor een symbolencatalogus voor de Belgische planningscontext en gebruikt elke ingevoerde component in eendraadschema en situatieplan. Beide documenten exporteer je als pdf, en de indicatieve AREI/RGIE-zelfcontrole toont je fouten in de ondersteunde regels die uit projectgegevens beslisbaar zijn.
De taken zijn duidelijk verdeeld: de catalogus zorgt voor een consistente weergave, jij controleert vóór export toesteltype, waarden, kringreferenties en ruimtelijke toewijzing, en de officiële beoordeling doet het erkend organisme bij de keuring.
Verder lezen
- Eendraadschema en situatieplan: verschil en samenhang
- Eendraadschema maken: stap-voor-stap AREI-gids
- Wissel- en kruisschakelaar in het eendraadschema
- Kabeldoorsnede en automaat correct combineren
Open PlanElec voor symbolen, eendraadschema, situatieplan en pdf →
Regelbasis: AREI Boek 1 V06, hoofdstuk 2.13 (tabel 2.23) en onderafdelingen 3.1.2.1 tot 3.1.2.3. Redactie en controle: PlanElec-team, 5 oktober 2026.
Van de gids naar je eigen elektriciteitsplan
Maak een project en documenteer stroombanen, kabels en beveiligingen. Controleer het resultaat aan de hand van de werkelijke installatie.
Fictief voorbeelddossier, zonder registratie te bekijken.