Uitschakelvermogen van een automaat: 3, 6 of 10 kA?
Wat 3 kA, 6 kA en 10 kA betekenen, welke minimumwaarden het AREI voor huishoudelijke installaties noemt, waarvan de kortsluitstroom op de plaats van plaatsing afhangt en hoe de waarde in het eendraadschema komt.
Wat betekenen 3 kA, 6 kA en 10 kA op een automaat?
De kA-waarde is het onderbrekingsvermogen: de waarde van de stroom die het beschermingstoestel kan onderbreken op een welbepaalde spanning en onder voorgeschreven gebruiks- en werkingsvoorwaarden. Zo omschrijft het AREI het in afdeling 2.6.4, waar de reglementaire term onderbrekingsvermogen luidt; op de werf en in catalogi heet dezelfde grootheid meestal uitschakelvermogen. Een automaat van 3 kA beheerst een kortsluiting van 3.000 A op zijn plaats van plaatsing; een hogere kortsluitstroom vernielt hem in plaats van door hem onderbroken te worden.
Die grootheid staat los van de nominale stroom op de kap. Een C16 van 3 kA en een C16 van 10 kA beschermen dezelfde leiding tegen dezelfde overbelasting — ze verschillen alleen in hoeveel kortsluitenergie ze zelf overleven bij het onderbreken.
Wat telt is dus niet wat jij kiest, maar welke kortsluitstroom er op de plaats van installatie te verwachten is. Het AREI zegt het letterlijk: het onderbrekingsvermogen van een beschermingsinrichting tegen kortsluiting moet ten minste gelijk zijn aan de te verwachten kortsluitstroom op de plaats waar het toestel aangebracht is, zoals bepaald volgens de regels van goed vakmanschap (onderafdeling 4.4.2.1, punt 1).
Welk onderbrekingsvermogen eist het AREI in een woning?
Anders dan bij de nominale stroom blijft het hier niet bij een principe: voor huishoudelijke installaties noemt onderafdeling 5.3.5.5 punt e concrete cijfers.
Het vertrekpunt is een bovengrens, geen toesteleigenschap. Aan de uitgangsklemmen van de eerste beschermingsinrichtingen tegen overstroom, geplaatst na de algemene differentieelstroombeschermingsinrichting(en), mag de te verwachten eenfasige kortsluitstroom niet groter zijn dan 3.000 A. Stroomopwaarts van die uitgangsklemmen gelden minima:
| Plaats in de installatie | Eis van het AREI (5.3.5.5 e) | Gebruikelijke toestelkeuze |
|---|---|---|
| Beschermingsinrichting tegen overstroom van de distributienetbeheerder (voor de meter) | minimum onderbrekingsvermogen 6.000 A | toestel van de DNB, niet jouw keuze |
| Smeltzekeringen en penautomaten van de installatie | minimum onderbrekingsvermogen 3.000 A | bestaand materieel, vandaag zelden nieuw geplaatst |
| Beschermingsinrichtingen tegen overstroom van de installatie in het algemeen | minimum onderbrekingsvermogen 3.000 A, aanduiding „3000" in een rechthoek | automaat met Icn 3 kA of hoger |
| Eerste automaten stroomafwaarts van het DNB-toestel (penautomaten uitgezonderd) | bijkomend een markering voor energiebeperkingsklasse 3 | automaat met klasse 3-markering |
| Differentieelstroombeschermingsinrichtingen en schakelinrichtingen | weerstaan aan I²t ≥ 22,5 kA²s bij 3.000 A | differentieel met «3000 A, 22,5 kA2s» (In ≤ 40 A) |
| Vertrekautomaten stroomafwaarts van bovengenoemde uitgangsklemmen | volgen uit 4.4.2.1 punt 1 de daar heersende kortsluitstroom (≤ 3.000 A) | automaat met Icn ≥ 3 kA |
Twee lezingen vallen daarmee weg. Ten eerste „3 kA volstaat altijd" — dat geldt enkel zolang de bovengrens van 3.000 A aan die uitgangsklemmen effectief gerespecteerd wordt. Ten tweede „6 kA is verplicht" — de 6.000 A slaan op het toestel van de distributienetbeheerder, niet op jouw vertrekautomaten. 6 kA in de verdeelkast is een gangbare en onschadelijke reserve, maar geen AREI-eis voor de vertrekken.
Voor niet-huishoudelijke installaties noemt het AREI zulke cijfers niet. Daar geldt alleen onderafdeling 4.4.2.1 punt 1, en moet de kortsluitstroom op de plaats van plaatsing bepaald worden.
Wat is het verschil tussen Icn, Icu en Ics — en welke waarde staat op een huishoudelijke automaat?
Die drie afkortingen komen niet uit het AREI maar uit de productnormen van de toestellen. Het AREI verwijst daarvoor uitdrukkelijk naar de door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen (onderafdeling 5.3.5.5 punt d voor smeltzekeringen, punt a voor de kalibreerelementen).
- Icn — nominaal kortsluitonderbrekingsvermogen volgens IEC 60898-1, de norm voor vermogensschakelaars voor huishoudelijk gebruik. Dat is de waarde die een DIN-railautomaat in een Belgische woningverdeelkast draagt. Ze staat als amperewaarde zonder eenheid in een rechthoek op het toestel — de „3000" uit 5.3.5.5 e is precies die aanduiding.
- Icu — ultiem kortsluitonderbrekingsvermogen volgens IEC 60947-2, de norm voor vermogensschakelaars in industriële toepassingen. Het toestel onderbreekt de kortsluiting, maar hoeft daarna niet meer bedrijfsklaar te zijn.
- Ics — bedrijfskortsluitonderbrekingsvermogen volgens dezelfde norm: de stroom waarna het toestel verder in dienst mag blijven. Ics wordt uitgedrukt als percentage van Icu (bijvoorbeeld 50 %, 75 % of 100 %).
Gevolg voor het schema: teken je een woning, dan documenteer je Icn. Icu en Ics duiken pas op wanneer er een vermogensschakelaar volgens IEC 60947-2 in het bord zit, bijvoorbeeld als hoofdschakelaar van een grotere installatie.
Het AREI heeft daarnaast een eigen begrip voor het versterkte geval: is de stroomafwaartse beschermingsinrichting een vermogensschakelaar en de stroomopwaartse een smeltzekering of een vermogensschakelaar, dan laat die techniek toe dat de stroomafwaartse automaat een versterkt ultiem onderbrekingsvermogen heeft (onderafdeling 4.4.1.3).
Waarvan hangt de kortsluitstroom op de plaats van plaatsing af?
De te verwachten kortsluitstroom is geen eigenschap van jouw installatie alleen. Hij volgt uit de impedantie van de volledige lus, van de voedende transformator tot de foutplaats, en daalt met elke meter leiding:
- Vermogen en kortsluitspanning van de voedende transformator — hoe groter de cabine, hoe hoger de kortsluitstroom aan laagspanningszijde.
- Lengte en doorsnede van de aansluitleiding van de distributiekabel tot de meterkast.
- Lengte en doorsnede van de leidingen binnen de installatie — daarom ligt de waarde aan een vertrekautomaat altijd lager dan aan de voeding.
- Aantal en aard van de in serie liggende verbindingen — klemmen, verzamelrails, kamrails.
Het AREI weerspiegelt dat in de documentatieplicht. Voor niet-huishoudelijke installaties moeten onder meer de kenmerken van de bronnen (schijnbaar vermogen, nominale spanningen, nominale stromen, impedanties) worden opgegeven, samen met plaatsingswijze, aantal geleiders, doorsnede en lengte van de elektrische leidingen — en uitdrukkelijk de hoogste te verwachten kortsluitstromen boven 3.000 A op het voedingspunt en in elk schakel- en verdeelbord (onderafdeling 3.1.2.2 punt b). Precies die grootheden gaan de berekening in.
Het betrouwbare cijfer voor jouw aansluiting levert de distributienetbeheerder. De waarde hangt af van het cabinevermogen en de aansluitlengte; een vuistregel voor „de Belgische woningaansluiting" is geen ontwerpbasis. Vraag het cijfer op in plaats van het te schatten – het AREI vraagt een bepaling „volgens de regels van goed vakmanschap" (onderafdeling 4.4.2.1, punt 1).
Wat als het onderbrekingsvermogen ter plaatse niet volstaat?
Het AREI laat een automaat met een te laag onderbrekingsvermogen uitdrukkelijk toe — maar onder één voorwaarde. Onderafdeling 4.4.1.3 stelt: het is toegelaten een beschermingsinrichting te gebruiken met een onderbrekingsvermogen kleiner dan de aangenomen kortsluitstroom op het punt van plaatsing, maar stroomopwaarts moet dan een ander toestel geplaatst worden dat ten minste het nodige onderbrekingsvermogen bezit. Dat stroomopwaartse toestel laat dan niet meer energie door dan het stroomafwaartse toestel en de beschermde leidingen zonder beschadiging kunnen verdragen.
Zijn beide in serie geplaatste toestellen vermogensschakelaars, dan noemt het AREI die begeleidingsbescherming filiatie. En het zegt er meteen bij waar de dimensionering vandaan komt: om de karakteristieken van de filiatie te bepalen, moeten de filiatietabellen van de beschermingsinrichtingen opgevraagd worden, opgesteld volgens de productnormen van de vermogensschakelaars (onderafdeling 4.4.1.3).
Dat is het kernpunt: filiatie valt niet te berekenen en niet uit datasheets af te leiden, maar volgt enkel uit de beproefde combinatie van twee concrete toesteltypes van dezelfde of een vrijgegeven fabrikant. Hoe dat uitpakt in een installatie met onderverdeelborden per verdieping, staat in Elektriciteit plannen over meerdere verdiepingen.
Waar komt het onderbrekingsvermogen in het eendraadschema, en waarom wil de keuring het zien?
Het eendraadschema van een huishoudelijke installatie moet type en kenmerken van de beschermingsinrichtingen tegen overstroom aanduiden (onderafdeling 3.1.2.2 punt a). Het onderbrekingsvermogen is zo'n kenmerk; de omkaderde amperewaarde hoort dus naast de nominale stroom en de karakteristiek bij de automaat.
Voor niet-huishoudelijke installaties is dat nog explicieter. Daar somt onderafdeling 3.1.2.2 punt b de kenmerken van de beschermingsinrichtingen apart op en vermeldt uitdrukkelijk „de nominale stroom; het onderbrekingsvermogen; de aard en de kenmerken van de onderbreking met inbegrip van de instellingen". En de markering van elk schakel- en verdeelbord draagt daar naast volgnummer, voedingsspanning en geaard netsysteem ook de te verwachten maximale kortsluitstroom ter hoogte van het bord en, indien van toepassing, het gebruik van de filiatietechniek volgens 4.4.1.3 (onderafdeling 3.1.3.3 punt b). De keurder kan de streefwaarde dus op het bord aflezen en met de automaten vergelijken.
Er is nog een tweede reden. Het overschrijden van het toegelaten kortsluitvermogen voor het geïnstalleerd materieel noemt het AREI uitdrukkelijk als voorbeeld van een belangrijke wijziging of belangrijke uitbreiding (afdeling 2.11.2) — en een belangrijke wijziging vraagt een nieuwe gelijkvormigheidscontrole. Wordt de aansluiting verzwaard of de cabine gewijzigd, controleer dan ook de automaten – anders ontstaat naast een technisch ook een formeel probleem.
Op het toestel zelf is de aanduiding hoe dan ook voorgeschreven: „3000" in een rechthoek bij kleine vermogensschakelaars, en bij differentieelinrichtingen zonder overstroombeveiliging met In ≤ 40 A de vermelding «3000 A, 22,5 kA2s» — samen op eenzelfde vlak en zichtbaar na installatie (onderafdeling 5.3.5.5 punt e). Staat de waarde in het schema, dan is die visuele vergelijking ter plaatse in een oogwenk gebeurd.
Wat is het verschil met de nominale stroom en met de B/C/D-karakteristiek?
Drie verschillende eigenschappen, drie verschillende regels — ze worden geregeld door elkaar gehaald:
| Eigenschap | Beantwoordt de vraag | Bepalende plaats |
|---|---|---|
| Nominale stroom | Vanaf wanneer schakelt de automaat af wegens overbelasting? | onderafdeling 4.4.1.4 met tabel 4.11: maximum per doorsnede |
| Karakteristiek B/C/D | Hoe snel schakelt hij af bij welk veelvoud van de nominale stroom? | productnorm IEC 60898-1; het AREI schrijft geen kromme voor |
| Onderbrekingsvermogen | Welke kortsluitstroom overleeft hij bij het onderbreken? | onderafdeling 4.4.2.1 punt 1, voor woningen aangevuld door 5.3.5.5 e |
Tabel 4.11 begrenst uitsluitend de nominale stroom per doorsnede — 1,5 mm² ten hoogste 16 A, 2,5 mm² ten hoogste 20 A, 6 mm² ten hoogste 40 A enzovoort. Over het onderbrekingsvermogen zegt ze niets. Een C20 op 2,5 mm² kan volledig conform de tabel zijn en op het onderbrekingsvermogen toch tekortschieten. De volledige toewijzing doorsnede ↔ nominale stroom staat in Kabeldoorsnede en automaat.
De karakteristiek gaat over de werkingstijd. Het AREI eist daarover enkel dat de stroom na een zuivere kortsluiting onderbroken wordt vóór de geleidertemperatuur de toelaatbare grens overschrijdt, en geeft daarvoor de adiabatische formule (onderafdeling 4.4.2.1, punt 2). Welke letter past, volgt uit de last en de leidinglengte, niet uit een AREI-voorschrift.
Hoe leg je het onderbrekingsvermogen vast in PlanElec?
Twee gegevens werken samen. De kortsluitstroom (Icc) aan de voeding stel je in bij de projecteigenschappen onder de netconfiguratie; keuzemogelijkheden zijn 3, 4,5, 6 en 10 kA, met kA of A als weergave-eenheid. De waarde verschijnt in het eendraadschema onder het opschrift van de netaansluiting.
Het onderbrekingsvermogen Icn stel je per automaat in: selecteer de automaat in het eendraadschema en open in de inspector het veld „Onderbrekingsvermogen Icn". Beschikbaar zijn „Niet gedocumenteerd" en 3, 4,5, 6, 10, 15, 20 en 25 kA. Sinds de update van 28 augustus 2026 verschijnt een ingestelde waarde als omkaderde amperewaarde bij de automaat — 3 kA als 3000, zonder eenheid, zoals 5.3.5.5 e het voor de toestelmarkering voorschrijft — en blijft ze identiek in editor, voorbeeld en pdf. Waarden boven 25 kA worden niet als rechthoek getekend, omdat IEC 60898-1 daar ophoudt.
„Niet gedocumenteerd" is bewust een aparte toestand en geen stille 3 kA: in het schema staat alleen wat je op het toestel echt hebt afgelezen.
Wat de AREI-zelfcontrole bij het onderbrekingsvermogen controleert
De regel „Uitschakelvermogen tegenover kortsluitstroom" werkt met de twee gegevens uit de vorige sectie:
- Ze vergelijkt de Icn van elke automaat met de drempel
min(Icc aan de voeding, 3 kA)en meldt een fout wanneer het toestel daaronder blijft. - Ze beoordeelt alleen met uitdrukkelijk ingestelde Icc. Ontbreekt die waarde, dan zie je „Uitschakelvermogen niet beoordeelbaar" – de controle geldt als onvolledig, niet als geslaagd.
- Ontbreekt bij een automaat de Icn, dan meldt ze „niet gedocumenteerd" als open gegevenshiaat.
De taken zijn duidelijk verdeeld. Icc is invoer: de waarde komt van de distributienetbeheerder of uit de berekening volgens de regels van goed vakmanschap. Filiatie volgens 4.4.1.3 staaf je met de combinatietabellen van de fabrikant. Energiebeperkingsklasse 3 en de I²t-weerstand van de differentiëlen (22,5 kA²s bij 3.000 A, 5.3.5.5 e) lees je af op het echte toestel. De beoordeling van de uitgevoerde installatie doet het erkend organisme.
Verder lezen
- Kabeldoorsnede en automaat
- Verdeelkast plannen: opbouw en modulekeuze
- Differentieel type A of type B
- Aarding TT en TN-S in België
- Elektriciteit plannen over meerdere verdiepingen
Onderbrekingsvermogen documenteren in PlanElec →
Reglementaire basis: AREI/RGIE Boek 1 V06 — afdelingen 2.6.4 en 2.11.2, onderafdelingen 3.1.2.2, 3.1.3.3, 4.4.1.3, 4.4.1.4 met tabel 4.11, 4.4.2.1 en 5.3.5.5. Icn, Icu en Ics komen uit IEC 60898-1 respectievelijk IEC 60947-2, niet uit het AREI. De officiële tekst van de FOD Economie is bepalend.