Handleiding

Verdeelkast plannen: Opbouw en dimensionering volgens AREI

Verdeelkast plannen volgens het AREI: hoofdschakelaar, differentieels van 300 mA en 30 mA, maximaal 8 kringen per 30 mA-differentieel, rijverdeling, reserve en een volledig voorbeeld voor een eengezinswoning.

Gepubliceerd op 7 april 2026 Bijgewerkt op 5 oktober 2026 13 min

Een verdeelkast (zekeringkast, verdeelbord) plan je in vier stappen: kringen tellen, de beveiligingsketen vastleggen, groepen over rijen verdelen en reserve voorzien. Het AREI geeft daarvoor vaste ankerpunten: een hoofdschakelaar van minstens 40 A, aan het begin van de installatie een differentieelschakelaar van maximaal 300 mA, daarachter differentieelschakelaars van 30 mA voor stopcontacten, verlichting, badkamer en wastoestellen – met maximaal acht eindkringen per toestel. Deze gids toont opbouw, regels en een volledig voorbeeld voor een eengezinswoning.

Basisprincipes: opbouw van een verdeelkast

DIN-rail

Alle modules in de kast klik je op genormaliseerde DIN-rails (35 mm-rail volgens EN 60715). Elke rail vormt een rij.

Modulebreedte (TE)

De breedte van een module wordt uitgedrukt in TE (modules). Eén TE is 18 mm. Typische breedtes:

ModuleBreedte (TE)
Automaat 1P+N1 TE (compact) of 2 TE
Automaat 2-polig2 TE
Automaat 3-polig3 TE
Differentieelschakelaar 2-polig (30/300 mA)2 TE
Differentieelschakelaar 4-polig4 TE
Hoofdschakelaar 2-polig2 TE
Hoofdschakelaar 4-polig4 TE
Overspanningsbeveiliging (SPD)2–4 TE
Beltransformator2 TE
Schakelklok2 TE

Doorslaggevend zijn de technische fiches van de toestellen die je effectief plaatst.

Afmetingen van de verdeelkast

Kasten worden gedimensioneerd op aantal rijen en TE per rij:

BenamingRijenTE per rijTotaal TE
1 rij112–1812–18
2 rijen212–1824–36
3 rijen312–1836–54
4 rijen412–1848–72

Voor de eengezinswoning in het voorbeeld hieronder past een kast met 4 rijen van 18 TE (72 TE), met ruim plaats voor latere uitbreidingen.

Wat het AREI van de kast vraagt

In huishoudelijke installaties behoort de verdeelkast tot klasse I of II, heeft ze een achterwand die gedurende haar hele levensduur niet wegneembaar is, en een deur. Ze bestaat uit onbrandbaar, niet-hygroscopisch materiaal en is zonder bijzondere hulpmiddelen gemakkelijk bereikbaar (onderafdeling 5.3.5.1, punten a en c). Beveiligingen voor kringen met verschillende energietarieven staan op gescheiden borden met minstens 10 cm tussenruimte of in een aparte kast, tenzij de netbeheerder iets anders toestaat.

Stap 1: kringen tellen

Lijst alle nodige kringen op. De voorbeeldwoning (3 slaapkamers, 150 m², zonder PV) geeft deze lijst:

KringAantal in voorbeeldAutomaat
Verlichting3B10A of B16A (1,5 mm²)
Stopcontacten algemeen6B16A of B20A (2,5 mm²)
Oven1B20A met 2,5 mm², B25A met 4 mm²
Kookplaat1B32A met 6 mm² of driefasig volgens fabrikant
Vaatwasser1B16A
Wasmachine1B16A
Droogkast1B16A
Koelkast1B16A
Boiler1B16A of B20A
Laadpaal (indien aanwezig)1volgens fabrikant, bv. B32A met 6 mm² bij 7,4 kW eenfasig

De maxima per doorsnede staan in tabel 4.11 (onderafdeling 4.4.1.4). Wasmachine, droogkast, vaatwasser, fornuis, kookplaat, oven en elk toestel met vaste standplaats vanaf 2600 W krijgen een eigen kring (5.2.1.2). Op een stopcontactkring hangen maximaal 8 stopcontacten (5.3.5.2 b); zuivere verlichtingskringen hebben geen vaste puntgrens. Meer daarover in hoeveel stopcontacten per stroomkring?.

Stap 2: de beveiligingsketen vastleggen

De beveiligingstoestellen orden je hiërarchisch, van de voeding naar beneden:

Hiërarchie van beveiligingstoestellen

Hoofdschakelaar (min. 40 A)
   └── Differentieelschakelaar aan het begin ≤ 300 mA (min. type A, min. 40 A)
        ├── Differentieelschakelaar 30 mA #1 (type A)
        │    ├── Automaat licht gelijkvloers (B10A)
        │    ├── Automaat licht verdieping (B10A)
        │    ├── Automaat stopcontacten woonkamer (B16A)
        │    └── Automaat stopcontacten gang (B16A)
        ├── Differentieelschakelaar 30 mA #2 (type A)
        │    ├── Automaat stopcontacten keuken (B16A)
        │    ├── Automaat oven (B20A)
        │    ├── Automaat vaatwasser (B16A)
        │    └── Automaat stopcontacten slaapkamer (B16A)
        └── Differentieelschakelaar 30 mA #3 (type A)
             ├── Automaat wasmachine (B16A)
             ├── Automaat badkamer (B16A)
             ├── Automaat buiten (B16A)
             └── Automaat garage (B16A)

Bij een driefasige aansluiting (3N~400/230 V) heb je een 4-polige hoofdschakelaar en differentieelschakelaar nodig, en meerpolige automaten voor driefasige kringen. De verschillen tussen de Belgische netvormen lees je in eenfasig of driefasig?.

Wat het AREI voor de beveiligingsketen voorschrijft

ElementEisVindplaats
Hoofdschakelaarschakelt alle lijngeleiders en eventueel de nulgeleider tegelijk af; minstens 40 A5.3.5.1 b
Differentieel aan het beginaanspreekstroom maximaal 300 mA; verzekert de scheidingsfunctie4.2.4.3 b
Alle differentieelschakelaarsminstens type A; aan het begin minstens 40 A nominale stroom; onderbreken alle actieve geleiders, ook N5.3.5.3 a en c
Differentieel 30 mAonmiddellijk na het begin; beschermt minstens stopcontacten, verlichting, badkamer en wasmachine, droogkast en vaatwasser; maximaal acht eindkringen4.2.4.3 b
Vaste toestellenkoeltoestellen, fornuis, verwarming en andere niet genoemde kringen mogen rechtstreeks achter de differentieel aan het begin4.2.4.3 b
Elektrische wandverwarming > 25 V ACeigen differentieelschakelaar van maximaal 100 mA4.2.4.3 b

Sinds versie 07 van Boek 1 (koninklijk besluit van 13 augustus 2026) verzegelt het controleorganisme de differentieel aan het begin vanaf 1 november 2026 niet meer; de verplichting van 300 mA zelf blijft. Details lees je in verzegeling van de differentieel vervalt.

Als de aardingsweerstand hoger is dan 30 Ω

Ligt de spreidingsweerstand van de aardverbinding boven 30 Ω, dan plan je minstens twee differentieelschakelaars met hoge of zeer hoge gevoeligheid. Elk beschermt maximaal zestien enkelvoudige of meervoudige stopcontacten. De overige kringen aan het begin vul je aan met minstens één differentieelschakelaar van maximaal 100 mA per kring of groep (4.2.4.3 b). Hou daarom al in het eerste ontwerp plaats vrij voor die extra toestellen als de aardingsmeting nog ontbreekt.

Types differentieelschakelaars

TypeEigenschapOntwerpgrens
maximaal 300 mA, min. type ABeveiliging aan het begin van de woningNominale stroom en polen moeten passen; type S is alleen een optie bij aangetoonde tijdselectiviteit
maximaal 30 mA, type AHoge of zeer hoge gevoeligheidVoor de kringen uit 4.2.4.3 b; bijkomende toestelvoorwaarden controleer je in de fabrikantgegevens
Type BDetecteert ook gladde DC-foutstromenAlleen waar foutstroomspectrum en toestelconcept dit vragen; geen automatisme voor elke laadpaal of omvormer
Type FDetecteert bepaalde gemengde frequentiesAlleen wanneer belasting, productnorm en fabrikantdocumentatie deze karakteristiek vereisen

Toestellen met halfgeleiders kunnen storende gelijkstroomcomponenten veroorzaken. Onderafdeling 5.3.5.3 punt f noemt daarvoor meerdere toegelaten oplossingen, waaronder een differentieelschakelaar die ook bij zulke fouten veilig werkt, of een DC-foutstroomdetectie in coördinatie met de differentieelschakelaar.

Selectiviteit

Selectiviteit tussen voor- en nageschakelde differentieelschakelaars toon je aan met gevoeligheid, tijd-stroomkarakteristieken, fabrikantgegevens over coördinatie en het volledige beveiligingsconcept. Een vertraagd toestel kan deel van de oplossing zijn; op zichzelf garandeert het geen selectiviteit.

Stap 3: groepen over rijen verdelen

AREI-regel: maximaal 8 eindkringen per differentieel van 30 mA

Volgens onderafdeling 4.2.4.3 b sluit je op een differentieelschakelaar met hoge of zeer hoge gevoeligheid maximaal acht eindkringen aan. Met vier tot zes kringen per toestel hou je ruimte voor latere uitbreidingen.

Typische rijverdeling

RijInhoud
Rij 1Hoofdschakelaar, differentieel aan het begin (300 mA), SPD, eventueel beltransformator
Rij 2Differentieel #1 (30 mA) met zijn kringen (licht en stopcontacten woonzone)
Rij 3Differentieel #2 (30 mA) met zijn kringen (keuken en slaapkamers)
Rij 4Differentieel #3 (30 mA) met zijn kringen (badkamer, buiten, garage, technisch)

Stap 4: reserve voorzien

Voorzie vrije plaatsen; 20 tot 30 % van de TE is een beproefde praktijk, maar geen AREI-eis. Bij 20 automaten betekent dat minstens vier tot zes vrije TE. Lege plaatsen sluit je af met blindplaten.

Reserve heb je nodig voor:

  • latere verbruikers zoals laadpaal, airco of sauna,
  • herverdeling wanneer een differentieel te veel kringen draagt,
  • een latere kastvervanging die je zo uitspaart.

Reserve is meer dan vrije TE: voorzie ook vrije klemmen, voldoende bedradingsgoot, bereikbare N- en PE-rails, plaats voor metingen en een gedocumenteerde uitbreidingsrichting.

Voorbeeld: verdeelkast met 4 rijen voor een eengezinswoning

Een volledig voorbeeld voor een Belgische eengezinswoning (3 slaapkamers, 150 m², eenfasig, zonder PV):

Rij 1 — Voeding en bescherming (18 TE)

PositieModuleTEFunctie
1–2Hoofdschakelaar 2P240 A
3–4Differentieelschakelaar 2P2300 mA, type A, 40 A
5–8SPD4Overspanningsbeveiliging
9–10Beltransformator28 V-bel
11–18Reserve8Blindplaten

Rij 2 — Groep 1: verlichting en wonen (18 TE)

PositieModuleTEFunctie
1–2Differentieel 30 mA2Type A
3Automaat B10A1Licht gelijkvloers
4Automaat B10A1Licht verdieping
5Automaat B10A1Licht kelder/buiten
6Automaat B16A1Stopcontacten woonkamer
7Automaat B16A1Stopcontacten eetkamer
8Automaat B16A1Stopcontacten gang
9–18Reserve10Blindplaten

Rij 3 — Groep 2: keuken en slaapkamers (18 TE)

PositieModuleTEFunctie
1–2Differentieel 30 mA2Type A
3Automaat B16A1Stopcontacten keuken
4Automaat B20A1Oven (eigen kring)
5Automaat B16A1Vaatwasser (eigen kring)
6Automaat B16A1Koelkast (eigen kring)
7Automaat B16A1Stopcontacten slaapkamer 1
8Automaat B16A1Stopcontacten slaapkamer 2+3
9–18Reserve10Blindplaten

Rij 4 — Groep 3: badkamer, buiten, technisch (18 TE)

PositieModuleTEFunctie
1–2Differentieel 30 mA2Type A
3Automaat B16A1Stopcontacten badkamer
4Automaat B16A1Wasmachine (eigen kring)
5Automaat B16A1Droogkast (eigen kring)
6Automaat B20A1Boiler (eigen kring)
7Automaat B16A1Stopcontacten buiten
8Automaat B16A1Garage
9–18Reserve10Blindplaten

Totaal: 18 automaten (compacte 1P+N-uitvoering), 4 differentieelschakelaars, SPD, hoofdschakelaar en beltransformator = 34 van 72 TE bezet, 53 % reserve. Elke differentieel van 30 mA draagt zes eindkringen en blijft zo onder de grens van acht. Kookplaat en een latere laadpaal passen in de reserveplaatsen.

Typische fouten bij het plannen van een verdeelkast

FoutGevolgOplossing
Te weinig rijenGeen plaats, geen thermische reserveDimensioneren op modules, bedrading en kastgegevens
SPD zonder analyse weglatenBeveiligingsconcept blijft onbewezenToepasbaarheid en keuze projectspecifiek nagaan
Meer dan 8 eindkringen per differentieel 30 mAInbreuk op 4.2.4.3 bExtra differentieelschakelaar plaatsen
Ontbrekende opschriftenInbreuk op 3.1.3.1Elke beveiliging labelen (kringaanduiding en functie)
Geen differentieel aan het beginBeveiligingsketen aan het begin onvolledigToestel van maximaal 300 mA, minstens type A en 40 A voorzien
Laadpaalbeveiliging zonder analyse kiezenDC-foutstroombeveiliging kan tekortschietenHoofdstuk 7.22, ingebouwde DC-detectie en fabrikantgegevens samen nagaan
Aardingswaarde negerenTe weinig differentieels bij > 30 ΩAardingsmeting afwachten of plaats voorzien voor extra toestellen
Geen bruikbare reserveUitbreiding wordt onnodig complexModule-, klem- en bedradingsreserve per project plannen

Opschriften en documentatie

Onderafdeling 3.1.3.1 eist dat bedienings-, beveiligings- en scheidingsinrichtingen duidelijk, opvallend en onuitwisbaar gemerkt zijn. De verdeelkast zelf krijgt een eigen aanduiding en de vermelding van de voedingsspanning (3.1.3.3). Label elke beveiliging met:

  • de kringaanduiding, identiek aan eendraadschema en situatieplan (op het eendraadschema identificeert een hoofdletter de kring, 3.1.2.1),
  • de functie, bijvoorbeeld “Licht gelijkvloers” of “Stopcontacten keuken”,
  • optioneel ruimte of verdieping.

Gebruik een labelstrook of kleef het overzicht in de deur; de meeste fabrikanten leveren beschrijfbare inlegstroken mee.

Van indeling naar uitvoerbaar ontwerp

Het tellen van modules is het ruimtelijke begin. Vóór de bestelling controleert de elektricien aansluitgegevens, aardingsstelsel, de prospectieve kortsluitstroom, selectiviteit of back-upbeveiliging en de fabrikantgoedkeuring van gecombineerde toestellen. Nominale stroom, onderbrekingsvermogen en kabeldoorsnede neem je dus nooit ongecontroleerd over uit een voorbeeld. Ook dissipatie in de gesloten kast, omgevingstemperatuur, ventilatie en toegelaten klembezetting bepalen de keuze.

Werk rij per rij. Leg voeding, hoofdscheiding, differentieelbescherming en overspanningsbeveiliging vast als traceerbare beveiligingsketen. Orden daarna de eindkringen, maar verwar een visueel nette rij niet met elektrische selectiviteit. Bij PV, batterij, generator of laadinfrastructuur toon je duidelijk vanuit welke richting energie kan stromen en welke delen bij uitgeschakeld net nog gevoed kunnen zijn. De fabrikantgegevens van differentieel, SPD, omvormer of laadpaal zijn bindende input voor het ontwerp.

Vóór de export stem je drie niveaus af: de fysieke bezetting van de kast, de beveiligingsketen in het eendraadschema en de kringaanduidingen op het situatieplan tonen dezelfde stand. Boek 1 V06 vraagt voor schema's, plannen en documenten een eenduidig nummer, een versie en een versiedatum (afdeling 3.1.2). Bij huishoudelijke installaties staan bovendien naam, hoedanigheid en eventueel btw-nummer van de verantwoordelijke en het adres van de installatie op eendraadschema en situatieplan (3.1.2.1 a).

Opleveringsstaat van de kast

Noteer vóór het sluiten van de afdekking voor elke uitgang kringaanduiding, doel, aantal polen, beveiligingstoestel, nominale stroom, kabelgegevens en bijbehorende differentieel. Vul bij stuurbare lasten contactor, stuurkring en handbediening aan. Bij meerfasige uitgangen documenteer je de gebruikte fasen; bij eenfasige uitgangen helpt een faselijst om later onevenwicht te herkennen. Controleer of elke nulleider aan de juiste differentieel is toegewezen en of de aansluitingen van de beschermingsgeleider bereikbaar blijven.

Een foto vult de gestructureerde gegevens aan, maar vervangt ze niet. Klemaanduidingen komen overeen met schema en labelstrook. Aanhaalmomenten of thermische nacontroles noteer je alleen als ze uit fabrikantinstructies of een uitvoeringsprotocol komen.

Controleer ook de mechanische toegankelijkheid: afdekkingen blijven monteerbaar, geleiders liggen niet voor bedieningsorganen en meetpunten blijven bereikbaar voor latere metingen. Aparte N-rails, bruggen en voedingen leg je traceerbaar vast. Een reserveplaats zonder veilige aansluitmogelijkheid is geen bruikbare reserve.

Bewaar de goedgekeurde pdf-versie met keuringsverslag, meetprotocollen en relevante technische fiches in het installatiedossier. Bij een latere uitbreiding overschrijf je het oude bestand niet: verhoog de versie, zet een nieuwe versiedatum en beschrijf de wijziging. Zo blijft traceerbaar welk plan bij welke keuring de werkelijke kast toonde.

Zo plan je de verdeelkast in PlanElec

In de verdeelkasteditor van PlanElec plaats je modules op DIN-rails, automatisch of manueel; kastvoorstellen houden rekening met ingevoerde modulebreedtes, reserve en toebehoren. Bij bestaande installaties herkent PlanElec zichtbare DIN-modules op foto's als controleerbaar bezettingsvoorstel. De AREI/RGIE-zelfcontrole meldt onder meer een overvolle kast, meer dan acht eindkringen op een differentieel van 30 mA, een ontbrekende differentieel aan het begin, een hoofdschakelaar of hoofddifferentieel onder 40 A en stopcontactkringen zonder 30 mA-bescherming; minder dan 20 % reserve toont ze als tip. Meetwaarden, fabrikantbewijzen en de keuring door het erkende controleorganisme blijven aparte stappen. Welke regels de zelfcontrole dekt, lees je in wat controleert de zelfcontrole.

Officiële basis

Gerelateerde artikelen

Plan je verdeelkast in de PlanElec-verdeelkasteditor en controleer ze zelf →