Handleiding

10 belangrijke AREI-controlepunten: herkennen, vermijden en oplossen

Tien controlepunten waarop Belgische woninginstallaties bij de keuring vaak struikelen – met grenswaarden, AREI-vindplaatsen en de juiste correctie per punt.

Gepubliceerd op 20 juni 2026 Bijgewerkt op 5 oktober 2026 9 min

Deze tien punten bepalen bij de keuring van een Belgische woninginstallatie bijzonder vaak het resultaat: differentieelbescherming, plannen, aarding, hoofdschakelaar, badkamer, doorsnede en beveiliging, aantal kringen per differentieel, aanduiding, mechanische bescherming van leidingen en overspanningsbeveiliging. Per punt vind je de regel uit AREI Boek 1 versie 06, de reden erachter en de juiste correctie. De volgorde is een vakinhoudelijke checklist, geen statistiek – een betrouwbare officiële rangorde bestaat niet. Je concrete keuringsverslag blijft bepalend.

Redactie en controle: PlanElec-team, 5 oktober 2026.

Nr.ControlepuntKernregelVindplaats Boek 1
1Differentieelschakelaar300 mA aan de oorsprong; ten hoogste 30 mA voor de voorgeschreven kringen4.2.4.3b, 5.3.5.3 a
2Eendraadschema en situatieplanActueel, in het dossier, in overeenstemming met de installatie3.1.2, 9.1.2
3AardingOnder 100 Ω; boven 30 Ω strengere opbouw van de differentiëlen4.2.3.2, 4.2.4.3b
4HoofdschakelaarMinstens 40 A in woninginstallaties5.3.5.1 b
5Badkamer en doucheVolumes 0, 1 en 2 met vastgelegd materieelhoofdstuk 7.1
6Doorsnede en beveiligingHoogste nominale stroom per doorsnede volgens tabel 4.114.4.1.4
7Kringen per differentieelTen hoogste acht eindkringen per 30 mA-differentieel4.2.4.3b
8AanduidingElke kring duidelijk aangeduid3.1.3.1
9Mechanische bescherming van leidingenLeidingen passend bij plaatsingswijze en belasting5.2.1.5, 5.2.2
10OverspanningsbeveiligingBeschermingsdoel volgens de regels van goed vakmanschap4.5.1

1. Ontbrekende of verkeerde differentieelschakelaar

AREI-vindplaats: art. 4.2.4.3b (differentieel aan de oorsprong en groepsdifferentiëlen met hoge gevoeligheid) / art. 5.3.5.3 a (type)

Wat de keurder controleert

Aan de oorsprong van elke woninginstallatie zit minstens één differentieelschakelaar van ten hoogste 300 mA. Onmiddellijk daarna volgt minstens één differentieel met hoge of zeer hoge gevoeligheid (ten hoogste 30 mA) voor contactdozen, verlichting, ruimten met bad of douche en wasmachine, droogkast en vaatwasser. Differentiëlen in woninginstallaties zijn minstens van type A; die aan de oorsprong heeft een nominale stroom van minstens 40 A.

Waarom het telt

De differentieel detecteert lekstromen, bijvoorbeeld wanneer stroom via een lichaam naar de aarde loopt, en schakelt de kring uit. Ontbreekt hij of is hij verkeerd toegewezen, dan blijft een isolatiefout levensgevaarlijk.

Zo los je het op

  • Ontbrekende differentiëlen bijplaatsen en de voorgeschreven kringen juist toewijzen.
  • Ten hoogste acht eindkringen per differentieel met hoge gevoeligheid (art. 4.2.4.3b).
  • Het type afleiden uit het lekstroomspectrum, de fabrikantdocumenten en het bijzondere hoofdstuk. Voor laadpunten eist hoofdstuk 7.22 per AC-kring een eigen differentieel van ten hoogste 30 mA en bescherming bij fouten met gelijkstroomcomponent; voor omvormers geldt de documentatie van de concrete variant.
  • Of een vertraagde of selectieve differentieel nodig is, volgt uit de afstemming in het project, niet uit een algemene regel.

Aanpak

Toestel, aantal polen, plaats in het bord, bekabeling en metingen bepalen de offerte.


2. Ontbrekende of verouderde elektrische plannen

AREI-vindplaats: afdeling 3.1.2 (schema's en plannen), art. 9.1.2 nr. 1 (eendraadschema) en nr. 2 (situatieplan)

Wat de keurder controleert

Bij het dossier van een woninginstallatie horen een eendraadschema en een situatieplan die de installatie tonen zoals ze gebouwd is. Bij de gelijkvormigheidscontrole bevestigt het verslag uitdrukkelijk dat de installatie volgens die plannen is uitgevoerd (6.4.6.4, b.4). Vaak ontbreken de plannen volledig of tonen ze de toestand van vóór latere wijzigingen.

Waarom het telt

Zonder actuele plannen kan noch de keurder noch een elektricien de installatie veilig beoordelen, en in een noodgeval weet niemand welke beveiliging welke zone voedt.

Zo los je het op

  • Eendraadschema en situatieplan opstellen of bijwerken naar de werkelijke toestand.
  • Alle kringen, zekeringen, differentiëlen en verbruikers documenteren.
  • Latere niet-belangrijke wijzigingen kort beschrijven en bij het dossier voegen (9.1.2 nr. 7).

Aanpak

Uitgangsgegevens en het nodige opsporen van kringen bepalen de inspanning. De opname ter plaatse doet de vakman; software structureert het resultaat.


3. Gebrekkige aarding

AREI-vindplaats: art. 4.2.3.2 (aardingsinstallaties), art. 4.2.4.3b (aardingswaarde en opbouw van de differentiëlen)

Wat de keurder controleert

De aarding maakt deel uit van het beschermingsconcept. In woninginstallaties ligt de aardingsweerstand onder 100 Ω (4.2.3.2). Een meetwaarde boven 30 Ω betekent niet automatisch een gebrekkige aarding: volgens art. 4.2.4.3b vraagt ze een strengere opbouw van de differentiëlen. Er is een tekortkoming als de aarding ontbreekt of beschadigd is, de waarde 100 Ω bereikt of de opbouw die bij de meetwaarde hoort ontbreekt. Losse verbindingen en gecorrodeerde aardingsgeleiders worden ook beoordeeld.

Waarom het telt

Zonder doeltreffende aarding kunnen metalen behuizingen bij een fout onder spanning staan, zonder dat de beveiliging betrouwbaar uitschakelt.

Zo los je het op

  • De aardingsweerstand vakkundig laten meten.
  • Boven 30 Ω de opbouw volgens art. 4.2.4.3b toepassen: minstens twee differentiëlen met hoge of zeer hoge gevoeligheid, elk met ten hoogste 16 enkelvoudige of meervoudige contactdozen, en voor de overige kringen minstens één differentieel van ten hoogste 100 mA per kring of groep.
  • Vakkundig beslissen of de aardingsinstallatie verbeterd wordt, de beveiligingsopbouw aangepast wordt of allebei.
  • Alle aardverbindingen nakijken en aardingsgeleiders op corrosie controleren.

Aanpak

Meetwaarde, bestaande toestand, bodem en vakwerk bepalen de oplossing.


4. Ontbrekende hoofdschakelaar

AREI-vindplaats: art. 5.3.5.1 b (hoofdschakelaar)

Wat de keurder controleert

Elk hoofdbord heeft een hoofdschakelaar die alle fasegeleiders en in voorkomend geval de nulgeleider tegelijk uitschakelt. In woninginstallaties heeft hij een nominale stroom van minstens 40 A en is hij afgestemd op de installatie. Die functie mag ook een overstroombeveiliging van de netbeheerder vervullen, als die voor scheiding is ontworpen.

Waarom het telt

Bij brand, waterschade of een ongeval moet de hele installatie met één handeling spanningsloos zijn.

Zo los je het op

  • Een omnipolaire hoofdschakelaar van minstens 40 A plaatsen, bij een driefasige installatie met nulgeleider vierpolig.
  • Het bord zo plaatsen dat de schakelaar zonder hulpmiddelen vlot bereikbaar is (5.3.5.1 c).
  • Bestaande installaties: volgens deel 8 mogen bestaande hoofdschakelaars vanaf 25 A in de daar genoemde gevallen in gebruik blijven (8.2.1 nr. 4, 8.2.2 nr. 4).

Aanpak

Dimensionering, aantal polen, plaats en aanpassing van het bord worden per project bekeken.


5. Volumes in de badkamer niet nageleefd

AREI-vindplaats: hoofdstuk 7.1 (ruimten met bad en/of douche)

Wat de keurder controleert

Hoofdstuk 7.1 deelt bad en douche in volumes in. Volume 0 is de binnenkant van het bad of van een douchebak van minstens 10 cm diep; bij een ondiepere douchebak of zonder douchebak reikt het tot 10 cm boven de vloer binnen 1,20 m rond het vaste wateruitlaatpunt. Volume 1 loopt bij een douche tot 1,20 m rond het midden van het vaste wateruitlaatpunt en tot 2,25 m hoogte; bij een bad vormt de buitenrand de grens. Volume 2 bestaat alleen bij een bad: nog eens 0,60 m rond volume 1. Typische inbreuken zijn laagspanningscontactdozen in volume 0 of 1, aftakdozen in volume 0 en verdeelborden in volume 0, 1 of 2.

Waarom het telt

Water verlaagt de lichaamsweerstand sterk. De volumes houden materieel zo ver van bad en douche als het beschermingsniveau vraagt.

Zo los je het op

  • In volume 1 alleen ZLVS-contactdozen en ZLVS-bediening met een bron buiten volume 0 en 1, plus vast aangesloten, daarvoor geschikte toestellen (7.1.5.2 c).
  • In volume 2 laagspanningscontactdozen alleen met een differentieel met zeer hoge gevoeligheid of afzonderlijk via een scheidingstransformator tot 100 W (7.1.5.2 d).
  • In volume 1 en 2 minstens bescherming tegen opspattend water (uitwendige invloed AD4, tabel 7.3); voor stopcontacten op laagspanning in volume 2 laat de voetnoot van de tabel IPXX toe.
  • Alle badkamerkringen via een differentieel van ten hoogste 30 mA (art. 4.2.4.3b).
  • Bestaande badkamers waarvan de uitvoering vóór 1 maart 2025 begon, mogen onder voorwaarden de vroegere volume-indeling gebruiken (6.5.8.1 nr. 3).

Aanpak

Plaats, leidingtracé, afwerking en materieel bepalen de omvang.


6. Kabeldoorsnede te klein voor de zekering

AREI-vindplaats: art. 4.4.1.4 met tabel 4.11 (kaliber per doorsnede) / art. 5.2.1.2 (keuze van de leidingen)

Wat de keurder controleert

De beveiliging moet bij de doorsnede van de geleider passen. Een klassieke fout: een automaat van 20 A op een leiding van 1,5 mm², die maar met 16 A beveiligd mag worden. Kringen met contactdozen hebben bovendien minstens 2,5 mm² nodig (5.2.1.2).

Waarom het telt

Voert een leiding meer stroom dan ze aankan, dan warmt ze op en kan ze brand veroorzaken. De beveiliging mag dus nooit groter zijn dan voor de doorsnede toegelaten.

Zo los je het op

Hoogste nominale stroom voor woninginstallaties volgens tabel 4.11:

Doorsnede koperMax. smeltzekeringMax. automaat
1,5 mm²10 A16 A
2,5 mm²16 A20 A
4 mm²20 A25 A
6 mm²32 A40 A
10 mm²50 A63 A
  • De beveiliging verlagen tot de toegelaten waarde of
  • de leiding vervangen door een grotere doorsnede.

De tabel geeft maximumwaarden. Plaatsingswijze, bundeling en omgevingstemperatuur kunnen een grotere doorsnede vereisen (4.4.1.4).

Aanpak

Beveiliging verlagen en leiding vervangen zijn technisch verschillende oplossingen met een heel verschillende inspanning.


7. Te veel kringen per differentieelschakelaar

AREI-vindplaats: art. 4.2.4.3b (ten hoogste acht eindkringen per differentieel met hoge gevoeligheid); art. 5.3.5.2 b (ten hoogste acht contactdozen per eindkring)

Wat de keurder controleert

Op een differentieel met hoge of zeer hoge gevoeligheid hangen ten hoogste acht eindkringen. In oudere installaties hangt vaak alles aan één toestel. Deel 8 laat in bestaande oude installaties meer kringen toe (8.2.1 nr. 16, 8.2.2 nr. 10); voor nieuwe en belangrijk gewijzigde delen geldt de grens.

Waarom het telt

Veel kringen op één differentieel tellen de lekstromen op en verhogen het risico op ongewenst uitschakelen. Bij een fout zit bovendien meteen een groot deel van de woning zonder stroom.

Zo los je het op

  • Bijkomende differentiëlen van 30 mA plaatsen.
  • Kringen zinvol verdelen, bijvoorbeeld per verdieping of functie.
  • Per eindkring ten hoogste acht enkelvoudige of meervoudige contactdozen.

Aanpak

Plaats in het bord, verdeling, dimensionering en metingen horen in de offerte.


8. Ontbrekende aanduiding van de kringen

AREI-vindplaats: art. 3.1.3.1 (aanduiding van kringen)

Wat de keurder controleert

Alle beveiligingen in het bord zijn duidelijk aangeduid, en de aanduiding toont welke ruimte of welk toestel de kring voedt.

Waarom het telt

Zonder aanduiding schakelt in een noodgeval niemand snel de juiste kring uit, en onderhoud wordt giswerk.

Zo los je het op

  • Alle beveiligingen voorzien van duurzame, leesbare labels.
  • Benoemen per ruimte en functie, bijvoorbeeld „Keuken stopcontacten”, „Badkamer licht”.
  • Aanduiding afstemmen op het eendraadschema: dezelfde referentie in het bord, op het schema en op het situatieplan.

Aanpak

Het labelen zelf gaat snel; onbekende kringen veilig identificeren is vakwerk.


9. Leidingen zonder voldoende bescherming

AREI-vindplaats: art. 5.2.2 (plaatsingswijzen) / art. 5.2.1.5 (mechanische sterkte, doorvoeringen)

Wat de keurder controleert

Elke leiding moet geschikt zijn voor haar plaatsingswijze (5.2.2) en zo geplaatst worden dat ze haar mechanische sterkte behoudt. Is ze bijzonder blootgesteld aan mechanische beschadiging, dan is ze gewapend of bijzonder beschermd (5.2.1.5). Typische inbreuken: leidingtypes die niet geschikt zijn voor opbouw of vrije plaatsing, los hangende leidingen in de kelder of onbeschermde vloerdoorvoeringen.

Waarom het telt

Beschadigde isolatie door nagels, schroeven of knaagdieren leidt tot kortsluiting en brand.

Zo los je het op

  • Leidingtype en plaatsingswijze toetsen aan de toegelaten plaatsingswijzen in 5.2.2; ongeschikte leidingen in buizen of goten plaatsen of vervangen.
  • Bedreigde leidingen mechanisch beschermen.
  • Vloerdoorvoeringen beschermen ter hoogte van de afgewerkte vloer; buizen steken daar minstens 10 cm boven de vloer uit (5.2.1.5).
  • Doorvoeringen tussen ruimten met sterk verschillende vochtigheid uitvoeren tegen condenswater.

Aanpak

Leiding, omgeving, beschermingswijze en bouwkundige ingreep bepalen de uitvoering.


10. Overspanningsbeveiliging niet beoordeeld

AREI-vindplaats: art. 4.5.1 (principe van de overspanningsbeveiliging)

Wat de keurder controleert

Art. 4.5.1 eist dat personen en goederen volgens de regels van goed vakmanschap beschermd zijn tegen de schadelijke gevolgen van overspanningen, bijvoorbeeld door atmosferische verschijnselen of schakelhandelingen. Een bepaald type overspanningsbeveiliging schrijft de tekst niet voor. Bepalend is dat de vakman het risico beoordeelt en de gekozen oplossing documenteert.

Waarom het telt

Overspanningen door blikseminslag of netstoringen vernielen gevoelige elektronica. Een overspanningsbeveiliging (SPD) leidt ze af naar de aarde.

Zo los je het op

  • Het risico vakkundig beoordelen: bliksemafleider, voeding, leidinglengtes, PV en laadpunt.
  • Type, plaats en voorbeveiliging vastleggen volgens risicobeoordeling en fabrikantgegevens; bij een uitwendige bliksembeveiliging komt een bliksemstroomafleider (type 1) in aanmerking.
  • De SPD op het eendraadschema documenteren en de statusindicatie regelmatig nakijken.

Aanpak

Keuze, afstemming, aansluiting en aanpassing van het bord zijn projectspecifiek.


Besluit: in twee rondes naar de keuring

Overloop de tien punten in twee rondes: eerst documenten en referenties, daarna de werkelijke toestand, meetwaarden en beveiligingsfuncties samen met je elektricien. Een gecorrigeerde tekening bewijst niet dat een fysiek gebrek verholpen is; omgekeerd hoort elke uitgevoerde correctie terug op schema en situatieplan. Markeer elk open punt met bron en verantwoordelijke en bewaar de gedateerde versie samen met keuringsverslag, meetbewijzen en fabrikantdocumenten.

PlanElec meldt in de AREI/RGIE-zelfcontrole bevindingen over de ondersteunde regels, zoals toewijzing aan differentiëlen en beveiliging, nog voor het organisme langskomt. De fysieke toestand en de meetwaarden beoordeelt het erkend organisme ter plaatse. Bronnen zijn AREI Boek 1 V06 en de officiële informatie over de controle van huishoudelijke installaties; ze onderbouwen verplichtingen, geen frequentierangorde.


Verwante artikels:

Plan met PlanElec en gebruik de zelfcontrole als voorbereiding op de technische en officiële keuring. Nu starten →